Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt . Zij kunnen de Commissie per fax ( nummer ( 32-2 ) 296 43 01 of 296 72 44 ) of per post , onder vermelding van referentie nummer COMP / M . 4459 — Rettig Capital / Ahlström Capital / Nordkalk , aan onderstaand adres worden toegezonden : Commissie van de Europese Gemeenschappen Directoraat-generaal Concurrentie Griffie Fusiezaken J-70 B-1049 Brussel [1] PB L 24 van 29 . 1 . 2004 , blz . 1 . [2] PB C 56 van 5 . 3 . 2005 , blz . 32 . -------------------------------------------------- Wisselkoersen van de euro [1] 1 december 2006 ( 2006 / C 293 / 01 ) | Munteenheid | Koers | USD | US-dollar | 1 ,3244 | JPY | Japanse yen | 153 ,77 | DKK | Deense kroon | 7 ,4543 | GBP | Pond sterling | 0 ,67290 | SEK | Zweedse kroon | 9 ,0360 | CHF | Zwitserse frank | 1 ,5884 | ISK | IJslandse kroon | 89 ,92 | NOK | Noorse kroon | 8 ,1625 | BGN | Bulgaarse lev | 1 ,9558 | CYP | Cypriotische pond | 0 ,5780 | CZK | Tsjechische koruna | 27 ,950 | EEK | Estlandse kroon | 15 ,6466 | HUF | Hongaarse forint | 256 ,12 | LTL | Litouwse litas | 3 ,4528 | LVL | Letlandse lat | 0 ,6978 | MTL | Maltese lira | 0 ,4293 | PLN | Poolse zloty | 3 ,8056 | RON | Roemeense leu | 3 ,4275 | SIT | Sloveense tolar | 239 ,63 | SKK | Slowaakse koruna | 35 ,538 | TRY | Turkse lira | 1 ,9253 | AUD | Australische dollar | 1 ,6778 | CAD | Canadese dollar | 1 ,5139 | HKD | Hongkongse dollar | 10 ,2983 | NZD | Nieuw-Zeelandse dollar | 1 ,9380 | SGD | Singaporese dollar | 2 ,0473 | KRW | Zuid-Koreaanse won | 1229 ,84 | ZAR | Zuid-Afrikaanse rand | 9 ,4606 | CNY | Chinese yuan renminbi | 10 ,3780 | HRK | Kroatische kuna | 7 ,3488 | IDR | Indonesische roepia | 12144 ,75 | MYR | Maleisische ringgit | 4 ,7592 | PHP | Filipijnse peso | 65 ,604 | RUB | Russische roebel | 34 ,7790 | THB | Thaise baht | 47 ,577 | [1] Bron : door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers . -------------------------------------------------- Voorafgaande aanmelding van een concentratie ( Zaak nr . COMP / M . 4491 — DHC / KP1 ) Zaak die in aanmerking komt voor de vereenvoudigde procedure ( Voor de EER relevante tekst ) ( 2006 / C 293 / 06 ) 1 . Op 22 november 2006 ontving de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening ( EG ) nr . 139 / 2004 van de Raad [1] waarin is medegedeeld dat de onderneming Doughty Hanson %amp% Co . Limited ( ' DHC ' , Verenigd Koninkrijk ) in de zin van artikel 3 , lid 1 , onder b ) , van genoemde verordening van de Raad volledige zeggenschap verkrijgt over de onderneming KP1 Group . ( ' KP1 ' , Frankrijk ) door de aankoop van aandelen . 2 . De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn : - voor DHC : beheerder van een particulier aandelenfonds ; - voor KP1 Group : ontwerp , ontwikkeling , vervaardiging , verkoop en installatie van bouwmaterialen en –structuren voor woning- , commerciële en industriële bouwsegmenten . 3 . Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van Verordening ( EG ) nr . 139 / 2004 kan vallen . Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden . Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens Verordening ( EG ) nr . 139 / 2004 [2] moet worden opgemerkt dat deze zaak in aanmerking komt voor de in de mededeling uiteengezette procedure . 4 . De Commissie verzoekt belanghebbende derden hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen concentratie aan haar kenbaar te maken . Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt . Zij kunnen de Commissie per fax ( nummer ( 32-2 ) 296 43 01 of 296 72 44 ) of per post , onder vermelding van referentie nummer COMP / M . 4491 — DHC / KP1 , aan onderstaand adres worden toegezonden : Commissie van de Europese Gemeenschappen Directoraat-generaal Concurrentie Griffie Fusiezaken J-70 B-1049 Brussel [1] PB L 24 van 29 . 1 . 2004 , blz . 1 . [2] PB C 56 van 5 . 3 . 2005 , blz . 32 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Bondsrepubliek Duitsland ( Zaak C-105 / 02 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : G . Wilms en C . Giolito , gemachtigden ) Verwerende partij : Bondsrepubliek Duitsland ( vertegenwoordigers : D . Plessing en R . Stüwe , gemachtigden , D . Sellner , advocaat ) Interveniënt aan de zijde van verwerende partij : Koninkrijk België ( vertegenwoordigers : M . Wimmer en A . Snoecx , gemachtigden , en B . van de Walle de Ghelcke , advocaat ) Voorwerp Niet-nakoming — Verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1552 / 89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88 / 376 / EEG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen ( PB L 155 , blz . 1 ) — Verzuim om door bepaalde carnets TIR gewaarborgde invoerrechten te heffen en de desbetreffende eigen middelen over te maken — Invoerrechten waarvoor ' geen zekerheid is gesteld ' of die ' worden betwist ' Ä Carnets waarvoor herverzekeraar zijn verplichtingen betwist Dictum 1 ) Door bepaalde documenten voor douanevervoer ( carnets TIR ) niet volgens de regels te zuiveren zodat de daaruit voortvloeiende eigen middelen niet correct werden geboekt en niet tijdig ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen werden gesteld , - door de Commissie van de Europese Gemeenschappen niet in kennis te stellen van alle andere niet-betwiste douanebedragen die op soortgelijke wijze zijn behandeld ( opneming in ' boekhouding B ' in plaats van in ' boekhouding A ' ) , wat het niet-zuiveren van carnets TIR door de Duitse douane vanaf 1994 tot aan de wijziging van het besluit van het Bundesministerium der Finanzen van 11 september 1996 betreft , - is de Bondsrepubliek Duistland de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1552 / 89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88 / 376 / EEG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen , die per 31 mei 2000 is vervangen door verordening ( EG , Euratom ) nr . 1150 / 2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94 / 728 / EG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen . 2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige . 3 ) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten . 4 ) Het Koninkrijk België draagt zijn eigen kosten . [1] PB C 131 van 1 . 6 . 2002 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Grote kamer ) van 12 september 2006 — R . J . Reynolds Tobacco Holdings Inc . , RJR Acquisition Corp . , R . J . Reynolds Tobacco Company , R . J . Reynolds Tobacco International , Inc . , Japan Tobacco , Inc . / Philip Morris International Inc . , Commissie van de Europese Gemeenschappen , Europees Parlement , Koninkrijk Spanje , Franse Republiek , Italiaanse Republiek , Portugese Republiek , Republiek Finland , Bondsrepubliek Duitsland , Helleense Republiek , Koninkrijk der Nederlanden ( Zaak C-131 / 03 P ) [1] Partijen Rekwiranten : R . J . Reynolds Tobacco Holdings Inc . , RJR Acquisition Corp . , R . J . Reynolds Tobacco Company , R . J . Reynolds Tobacco International , Inc . , Japan Tobacco , Inc . ( vertegenwoordigers : P . Lomas , solicitor , en O . W . Brouwer , advocaat ) Andere partijen in de procedure : Philip Morris International Inc . , Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : C . Docksey , X . Lewis en C . Ladenburger , gemachtigden ) , Europees Parlement ( vertegenwoordigers : H . Duintjer Tebbens en A . Baas ) , Koninkrijk Spanje ( vertegenwoordiger : N . Díaz Abad , gemachtigde ) , Franse Republiek ( vertegenwoordiger : G . de Bergues , gemachtigde ) , Italiaanse Republiek ( vertegenwoordigers : I . M . Braguglia , gemachtigde , bijgestaan door M . Fiorilli , advocaat ) , Portugese Republiek ( vertegenwoordigers : L . Fernandes en A . Seiça Neves , gemachtigden ) , Republiek Finland ( vertegenwoordigers : T . Pynnä en A . Guimaraes-Purokoski , gemachtigden ) , Bondsrepubliek Duitsland ( vertegenwoordigers : M . Lumma en W . -D . Plessing , gemachtigden ) , Helleense Republiek , Koninkrijk der Nederlanden ( vertegenwoordiger : J . G . M . van Bakel , gemachtigde ) Interveniënt aan de zijde van de Commissie : Raad van de Europese Unie ( vertegenwoordigers : M . Bishop en T . Blanchet , gemachtigden ) Voorwerp Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg ( Tweede kamer — uitgebreid ) van 15 januari 2003 , Philip Morris International e . a . / Commissie ( gevoegde zaken T-377 / 00 , T-379 / 00 , T-380 / 00 , T-260 / 01 en T-272 / 01 ) , waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard de beroepen tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om bij een rechterlijke instantie in de Verenigde Staten een burgerlijke vordering in te stellen tegen verzoeksters wegens hun vermeende betrokkenheid bij sigarettensmokkel in de Europese Unie , strekkende tot vergoeding van de door de Unie geleden financiële schade en tot het geven van een rechterlijk bevel om die smokkel te staken — Uitlegging van artikel 230 EG en van de rechtspraak van het Hof — Rechtsgevolgen van het besluit van de Commissie om een burgerlijke vordering in te stellen voor een rechterlijke instantie van een derde land 1 ) De hogere voorziening wordt afgewezen . 2 ) R . J . Reynolds Tobacco Holdings , Inc . , RJR Acquisition Corp . , R . J . Reynolds Tobacco Company , R . J . Reynolds Tobacco International , Inc . , en Japan Tobacco , Inc . , worden verwezen in de kosten . 3 ) De Bondsrepubliek Duitsland , het Koninkrijk Spanje , de Franse Republiek , de Italiaanse Republiek , het Koninkrijk der Nederlanden , de Portugese Republiek , de Republiek Finland , het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie dragen hun eigen kosten . [1] PB C 146 van 21 . 6 . 2003 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk België ( Zaak C-377 / 03 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : G . Wilms en C . Giolito , gemachtigden ) Verwerende partij : Koninkrijk België ( vertegenwoordigers : E . Dominkovits , A . Goldman en M . Wimmer , gemachtigden , B . van de Walle de Ghelcke , advocaat ) Voorwerp Niet-nakoming Ä Artikelen 6 , 9 , 10 en 11 van verordening ( EG , Euratom ) nr . 1150 / 2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94 / 728 / EG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ( PB L 130 , blz . 1 ) Ä Niet of te laat overmaken van de eigen middelen aan de Commissie Ä Niet-inachtneming van de boekingsregels Ä Onregelmatige zuivering van bepaalde transitdocumenten ( TIR-carnets ) door de Belgische douane Dictum 1 ) Door niet dan wel te laat de uit de niet op regelmatige wijze gezuiverde carnets TIR voortvloeiende eigen middelen in de boekhouding op te nemen , door deze in boekhouding B in plaats van in boekhouding A op te nemen , met het gevolg dat de daaruit voortvloeiende eigen middelen niet tijdig ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld , - door te weigeren vertragingsrente te betalen over de aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen verschuldigde bedragen , - is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 6 , 9 , 10 en 11 van verordening ( EG , Euratom ) nr . 1150 / 2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94 / 728 / EG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen , waarbij verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1552 / 89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88 / 376 / EEG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen , met hetzelfde onderwerp , per 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen . 2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige . 3 ) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 264 van 1 . 11 . 2003 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk België ( Zaak C-378 / 03 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : G . Wilms en C . Giolito , gemachtigden ) Verwerende partij : Koninkrijk België ( vertegenwoordigers : E . Dominkovits en A . Goldman , gemachtigden , en B . van de Walle de Ghelcke , advocaat ) Voorwerp Niet-nakoming Ä Artikelen 6 , 10 en 11 van verordening ( EG , Euratom ) nr . 1150 / 2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94 / 728 / EG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ( PB L 130 , blz . 1 ) Ä Te laat overmaken van eigen middelen in geval van gespreide betalingen door belastingplichtige Ä Invoerrechten Dictum 1 ) Door in geval van gespreide betalingen door de belastingplichtige de eigen middelen te laat over te maken , is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 10 en 11 van verordening ( EG , Euratom ) nr . 1150 / 2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94 / 728 / EG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen , waarbij verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1552 / 89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88 / 376 / EEG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen , met hetzelfde voorwerp , per 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen . 2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige . 3 ) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 264 van 1 . 11 . 2003 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Grote kamer ) van 3 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione tributaria provinciale di Cremona — Italië ) — Banca popolare di Cremona Soc . coop . arl / Agenzia Entrate Ufficio Cremona ( Zaak C-475 / 03 ) [1] Verwijzende rechter Commissione tributaria provinciale di Cremona Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Banca popolare di Cremona Soc . coop . arl Verwerende partij : Agenzia Entrate Ufficio Cremona Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Commissione tributaria provinciale di Cremona — Uitlegging van artikel 33 van de Zesde richtlijn ( 77 / 388 / EEG ) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag ( PB L 145 , blz . 1 ) , zoals gewijzigd bij richtlijn 91 / 680 / EEG van de Raad van 16 december 1991 ( PB L 376 , blz . 1 ) — Verenigbaarheid van nationale regeling waarbij regionale belasting op productiewerkzaamheden wordt ingevoerd Artikel 33 van de Zesde richtlijn ( 77 / 388 / EEG ) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag , zoals gewijzigd bij richtlijn 91 / 680 / EEG van de Raad van 16 december 1991 , moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan de handhaving van een fiscale heffing met kenmerken als die van de belasting die in het hoofdgeding aan de orde is . [1] PB C 21 van 24 . 1 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Tweede kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Portugese Republiek ( Zaak C-84 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen , aanvankelijk vertegenwoordigd door A . M . Alves Vieira , vervolgens door G . Braun , gemachtigden , bijgestaan door N . Castro Marques en F . Costa Leite , advogados , Verwerende partij : Portugese Republiek ( vertegenwoordigers : L . Fernandes , gemachtigde , bijgestaan door C . Botelho Moniz en E . Maia Cadete , advogados , Voorwerp Niet-nakoming — Artikel 10 EG en verordening ( EEG ) nr . 4253 / 88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening ( EEG ) nr . 2052 / 88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds ( PB L 374 , blz . 1 ) — Stelselmatige verlaging van uit EOGFL , afdeling Oriëntatie , betaalde steunbedragen — Verplichte rechten die IFADAP tijdens programmaperiode 1994-1999 heeft geïnd Dictum 1 ) Door de invoering door het Instituto de Financiamento e Apoio ao Desinvolvimento da Agricultura e Pesca ( Instituut voor de financiering en ondersteuning van de ontwikkeling van de landbouw en de visserij ) toe te staan van een procedure voor de verlening van financiële bijstand uit de communautaire structuurfondsen die voorziet in wezenlijke formaliteiten die de betaling impliceren van rechten die vrijwillig noch facultatief zijn , en die geen vergoeding voor verrichte diensten vormen maar dienen ter financiering van taken die de Portugese Staat met name op grond van het gemeenschapsrecht dient te verrichten , en door deze procedure in stand te laten , heeft de Portugese Republiek niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens verordening ( EEG ) nr . 4253 / 88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening ( EEG ) nr . 2052 / 88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds , zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 2082 / 93 van de Raad van 20 juli 1993 . 2 ) De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 94 van 17 . 4 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 21 september 2006 — Technische Unie BV / Commissie van de Europese Gemeenschappen , CEF City Electrical Factors BV , CEF Holdings Ltd , Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied ( Zaak C-113 / 04 P ) [1] Partijen Rekwirante : Technische Unie BV ( vertegenwoordigers : P . Bos en C . Hubert , advocaten ) Andere partijen in de procedure : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : W . Wils , gemachtigde , H . Gilliams , advocaat ) , CEF City Electrical Factors BV , CEF Holdings Ltd , Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied ( vertegenwoordiger : E . Pijnacker Hordijk , advocaat ) Voorwerp Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg ( Eerste kamer ) van 16 december 2003 , Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie BV / Commissie ( gevoegde zaken T-5 / 00 en T-6 / 00 ) , houdende afwijzing van het beroep tot nietigverklaring van beschikking 2000 / 117 / EG van de Commissie van 26 oktober 1999 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag ( Zaak IV / 33 . 884 — Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie ) ( PB L 39 , blz . 1 ) 1 ) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 16 december 2003 , Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie / Commissie ( T-5 / 00 en T-6 / 00 ) , wordt vernietigd enkel voor zover het Gerecht in het kader van het onderzoek van het middel ontleend aan schending van het beginsel van de redelijke termijn heeft verzuimd om na te gaan of de aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen toe te rekenen buitensporig lange duur van de totale administratieve procedure , met inbegrip van de fase vóór de mededeling van de punten van bezwaar , de toekomstige verweermogelijkheden van Technische Unie BV kon aantasten . 2 ) De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige . 3 ) Het door Technische Unie BV bij het Gerecht van eerste aanleg ingestelde beroep wordt verworpen voor zover het gedeeltelijk is gebaseerd op het middel ontleend aan schending van het beginsel van de redelijke termijn . 4 ) Technische Unie BV wordt verwezen in de kosten van de onderhavige procedure . De kosten van de procedures in eerste aanleg , die tot het arrest van 16 december 2003 , Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie / Commissie ( T-5 / 00 en T-6 / 00 ) , hebben geleid , blijven ten laste van de Technische Unie BV , overeenkomstig het bepaalde in punt 3 van het dictum van dat arrest . [1] PB C 106 van 30 . 4 . 2004 . Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk België ( Zaak C-275 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : C . Giolito en G . Wilms , gemachtigden ) Verwerende partij : Koninkrijk België ( vertegenwoordigers : E . Dominkovits en M . Wimmer , gemachtigden ) Interveniënt aan de zijde van verwerende partij : Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ( vertegenwoordigers : C . Jackson , gemachtigde , M . Angiolini en R . Anderson , barristers ) Voorwerp Niet-nakoming — Artikelen 6 , 9 , 10 en 11 van verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1150 / 2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94 / 728 / EG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ( PB L 130 , blz . 1 ) waarbij verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1552 / 89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88 / 376 / EEG , Euratom ( PB L 155 , blz . 1 ) met ingang van 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen — Onregelmatigheden en vertragingen bij boekhoudkundige inschrijving van de eigen middelen Dictum 1 ) Door de vastgestelde rechten niet binnen de gestelde termijnen te boeken in de boekhouding bedoeld in artikel 6 , lid 3 , sub a , van verordening ( EG , Euratom ) nr . 1150 / 2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94 / 728 / EG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen , en door niet na te gaan of zich sinds 1 januari 1995 bij de terbeschikkingstelling van de eigen middelen andere vertragingen hebben voorgedaan door een te late boeking in de in artikel 6 , lid 3 , sub a , van verordening nr . 1150 / 2000 bedoelde boekhouding , door de archieven met betrekking tot deze periode te vernietigen en door deze vertragingen niet aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen mede te delen teneinde haar in staat te stellen de vertragingsrente te berekenen die overeenkomstig artikel 11 van deze verordening wegens het te laat ter beschikking stellen van eigen middelen is verschuldigd , is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 3 , 6 , 9 , 10 en 11 van verordening nr . 1150 / 2000 , waarbij verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1552 / 89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88 / 376 / EEG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen , met hetzelfde voorwerp , met ingang van 31 mei 2000 is ingetrokken en vervangen , en krachtens artikel 10 EG . 2 ) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten . 3 ) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten . [1] PB C 217 van 28 . 8 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 28 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk der Nederlanden ( Gevoegde zaken C-282 / 04 en C-283 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : H . Støvlbæk , A . Nijenhuis en S . Noë , gemachtigden ) Verwerende partij : Koninkrijk der Nederlanden ( vertegenwoordigers : H . G . Sevenster , J . van Bakel en M . de Grave , gemachtigden ) Voorwerp Niet-nakoming — Artikelen 43 en 56 EG — Rechten gehecht aan bijzonder aandeel van Nederlandse Staat in Koninklijke KPN NV 1 ) Het Koninkrijk der Nederlanden is de krachtens artikel 56 , lid 1 , EG op hem rustende verplichtingen niet nagekomen door sommige bepalingen in de statuten van Koninklijke KPN NV en van TPG NV te handhaven , te weten dat het kapitaal van deze vennootschappen een bijzonder aandeel omvat dat in het bezit is van de Nederlandse Staat en dat de staat speciale rechten verleent wat betreft de goedkeuring van bepaalde besluiten die door de bevoegde organen van die ondernemingen zijn genomen , welke rechten niet beperkt zijn tot gevallen waarin de tussenkomst van de staat noodzakelijk is wegens door het Hof erkende dwingende redenen van algemeen belang en , in het geval van TPG NV , met name ter instandhouding van de universele postdienst . 2 ) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 217 van 28 . 8 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Grote kamer ) van 3 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland ) — FKP Scorpio Konzertproduktionen GmbH / Finanzamt Hamburg-Eimsbüttel ( Zaak C-290 / 04 ) [1] Verwijzende rechter Bundesfinanzhof Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : FKP Scorpio Konzertproduktionen GmbH Verwerende partij : Finanzamt Hamburg-Eimsbüttel Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van de artikelen 59 ( thans , na wijziging artikel 49 EG ) en 60 EG-Verdrag ( thans artikel 50 EG ) — Nationale wettelijke regeling inzake inkomstenbelasting volgens welke de ingezeten afnemer van een dienst gehouden is tot inhouding van de belasting op vergoedingen die aan een niet-ingezeten dienstverrichter zijn betaald Dictum 1 ) De artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen : - een nationale regeling waarbij een procedure van bronheffing wordt toegepast op de vergoeding van dienstverrichters die geen ingezetene zijn van de lidstaat waar de diensten zijn verricht , terwijl geen belasting wordt ingehouden op de vergoeding die wordt betaald aan dienstverrichters die wel ingezetene van deze lidstaat zijn ; - een nationale regeling waarbij de dienstontvanger aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hij de bronheffing waartoe hij verplicht is , niet heeft verricht . 2 ) De artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd : - dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die uitsluit dat de dienstontvanger , zijnde de schuldenaar van de aan een niet-ingezeten dienstverrichter betaalde vergoeding , de beroepskosten die deze dienstverrichter hem heeft gemeld en die rechtstreeks verband houden met zijn activiteiten in de lidstaat waar de dienst is verricht , aftrekt bij de bronheffing , terwijl een dienstverrichter die wel ingezetene van deze lidstaat is , slechts wordt belast op zijn netto-inkomsten , dat wil zeggen op zijn ontvangen inkomsten na aftrek van de beroepskosten ; - dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling waarbij alleen de beroepskosten die rechtstreeks verband houden met de activiteiten waarmee de belastbare inkomsten zijn verworven in de lidstaat waar de dienst is verricht , en die de in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter aan de schuldenaar van de vergoeding heeft gemeld , worden afgetrokken bij de bronheffing , en waarbij eventuele andere kosten , die niet rechtstreeks zijn verbonden met deze economische activiteit , in voorkomend geval in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van een latere teruggaafprocedure ; - dat zij zich niet ertegen verzetten dat in het kader van de bronheffing door de schuldenaar van de vergoeding of van een latere vrijstellings- of teruggaafprocedure of ook in het kader van een aansprakelijkheidsvordering tegen deze laatste slechts dan een beroep kan worden gedaan op de belastingvrijstelling die krachtens de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied van 16 juni 1959 wordt toegekend aan een niet-ingezeten dienstverrichter die zijn activiteit in Duitsland uitoefent , wanneer door de bevoegde belastingdienst een vrijstellingsbewijs is afgegeven waaruit blijkt dat is voldaan aan de daartoe door dat verdrag gestelde voorwaarden . 3 ) Artikel 59 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het niet kan worden toegepast ten behoeve van een dienstverrichter die onderdaan is van een derde staat . [1] PB C 228 van 11 . 9 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk der Nederlanden ( Zaak C-312 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : G . Wilms en A . Weimar , gemachtigden ) Verwerende partij : Koninkrijk der Nederlanden ( vertegenwoordigers : H . G . Sevenster en J . G . M . van Bakel , gemachtigden ) Voorwerp Niet-nakoming — Artikelen 2 , lid 1 , 6 , lid 2 , 10 , lid 1 , en 11 van verordening ( EEG , Euratom ) nr . 1552 / 89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88 / 376 / EEG , Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen — Te late inleiding van de procedures voor de inning van douanerechten na onregelmatigheden bij vervoer van goederen onder geleide van TIR-carnet — Niet tijdig ter beschikking stellen van desbetreffende eigen middelen en betalen van vertragingsrente Dictum 1 ) Het beroep wordt verworpen . 2 ) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 228 van 11 . 9 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Derde kamer ) van 5 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk ) — Transalpine Ölleitung in Österreich GmbH , Planai-Hochwurzen-Bahnen GmbH , Gerlitzen-Kanzelbahn-Touristik GmbH %amp% Co . KG / Finanzlandesdirektion für Tirol , Finanzlandesdirektion für Steiermark , Finanzlandesdirektion für Kärnten ( Zaak C-368 / 04 ) [1] Verwijzende rechter Verwaltungsgerichtshof Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partijen : Transalpine Ölleitung in Österreich GmbH , Planai-Hochwurzen-Bahnen GmbH , Gerlitzen-Kanzelbahn-Touristik GmbH %amp% Co . KG Verwerende partijen : Finanzlandesdirektion für Tirol , Finanzlandesdirektion für Steiermark , Finanzlandesdirektion für Kärnten Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgerichtshof — Uitlegging van artikel 88 , lid 3 , EG — Toekennen van staatssteun in strijd met verbod op uitvoering van voorgenomen steunmaatregelen vóór beslissing van Commissie — Steun bestaande in gedeeltelijke restitutie van energieheffingen uitsluitend aan ondernemingen die stoffelijke goederen produceren — Gevolgen van latere beschikking van Commissie waarbij steunmaatregel verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard 1 ) Artikel 88 , lid 3 , laatste volzin , EG moet aldus worden uitgelegd dat het aan de nationale rechterlijke instanties is om de rechten van de justitiabelen te vrijwaren in het geval van een eventuele schending door de nationale autoriteiten van het verbod van uitvoering van steunmaatregelen voordat de Commissie van de Europese Gemeenschappen deze bij beschikking heeft goedgekeurd . Daarbij moeten de nationale rechterlijke instanties het belang van de Gemeenschap ten volle in aanmerking nemen en mogen zij geen maatregel nemen die er alleen toe leidt dat de kring van steunontvangers vergroot . 2 ) Aangezien een beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarbij een niet-aangemelde steunmaatregel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard , niet tot gevolg heeft dat de ongeldigheid van uitvoeringsmaatregelen die in strijd met het in artikel 88 , lid 3 , laatste volzin , EG neergelegde verbod zijn vastgesteld , achteraf wordt gedekt , is het van weinig belang of een aanvraag wordt gedaan vóór of na de vaststelling van de beschikking waarbij de steunmaatregel verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard , omdat deze aanvraag betrekking heeft op een onrechtmatige toestand als gevolg van de niet-aanmelding . [1] PB C 273 van 6 . 11 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Derde kamer ) van 28 september 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus — Finland ) — Strafzaak tegen Jan-Erik Anders Ahokainen , Mati Leppik ( Zaak C-434 / 04 ) [1] Verwijzende rechter Korkein oikeus Partijen in de strafzaak Jan-Erik Anders Ahokainen , Mati Leppik Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein oikeus — Uitlegging van de artikelen 28 EG en 30 EG met betrekking tot een nationale wettelijke regeling die de invoer van niet-gedenatureerde ethylalcohol van meer dan 80 ° aan voorafgaande vergunning onderwerpt De artikelen 28 EG en 30 EG staan niet in de weg aan een stelsel zoals neergelegd in wet nr . 1143 / 1994 betreffende alcohol [alkoholilaki ( 1143 / 1994 ) ] , dat voor de invoer van niet-gedenatureerde ethylalcohol met een alcoholgehalte van meer dan 80 % een voorafgaande vergunning vereist , tenzij blijkt dat in de juridische en feitelijke omstandigheden die kenmerkend zijn voor de situatie in de betrokken lidstaat , de bescherming van de volksgezondheid en van de openbare orde tegen de kwalijke gevolgen van alcohol kan worden verzekerd door maatregelen die de handel tussen de lidstaten minder belemmeren . [1] PB C 300 van 4 . 12 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Grote kamer ) van 3 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main — Duitsland ) — Fidium Finanz AG / Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht ( Zaak C-452 / 04 ) [1] Verwijzende rechter Verwaltungsgericht Frankfurt am Main Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Fidium Finanz AG Verwerende partij : Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgericht Frankfurt am Main — Uitlegging van de artikelen 49 , 56 en 58 EG — In een derde land gevestigde onderneming waarvan de activiteit , het verstrekken van leningen , zich volledig of hoofdzakelijk richt op het grondgebied van een lidstaat — Vereiste van voorafgaande vergunning in de lidstaat waar de prestatie wordt verricht Een nationale regeling van een lidstaat , op grond waarvan voor het bedrijfsmatig verstrekken van kredieten op zijn grondgebied door een onderneming met zetel in een derde land is vereist , dat vooraf een vergunning wordt afgegeven , en op grond waarvan een dergelijke vergunning met name moet worden geweigerd wanneer die onderneming haar hoofdbestuur niet op dat grondgebied heeft en daar evenmin een bijkantoor heeft , maakt hoofdzakelijk inbreuk op de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de artikelen 49 EG en volgende . Een in een derde land gevestigde onderneming kan zich op die bepalingen niet beroepen . [1] PB C 6 van 8 . 1 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 28 september 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Málaga — Spanje ) — Strafzaak tegen Giuseppe Francesco Gasparini , José Ma L . A . Gasparini , Giuseppe Costa Bozzo , Juan de Lucchi Calcagno , Francesco Mario Gasparini , José A . Hormiga Marrero , Sindicatura Quiebra ( Zaak C-467 / 04 ) [1] Verwijzende rechter Audiencia Provincial de Málaga Partijen in de strafzaak Giuseppe Francesco Gasparini , José Ma L . A . Gasparini , Giuseppe Costa Bozzo , Juan de Lucchi Calcagno , Francesco Mario Gasparini , José A . Hormiga Marrero , Sindicatura Quiebra Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Audiencia Provincial de Málaga — Uitlegging van artikel 54 van de overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie , de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen ( PB L 239 , blz . 19 ) — Beginsel ne bis in idem — Toepassingsgebied — Uitlegging van artikel 24 EG — Toepassingsgebied 1 ) Het beginsel ne bis in idem , zoals vastgelegd in artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie , de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen , ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 , is van toepassing op een beslissing die een rechterlijke instantie van een overeenkomstsluitende staat na strafvervolging neemt en waarbij een verdachte definitief wordt vrijgesproken wegens verjaring van het strafbare feit waarvoor de strafvervolging werd ingesteld . 2 ) Dat beginsel geldt niet voor andere personen dan die welke onherroepelijk door een overeenkomstsluitende staat zijn berecht . 3 ) Een strafrechter van een overeenkomstsluitende staat mag goederen niet beschouwen als zich op zijn grondgebied in het vrije verkeer bevindend , uitsluitend op basis van het feit dat een strafrechter van een andere overeenkomstsluitende staat met betrekking tot diezelfde goederen heeft vastgesteld dat het strafbare feit smokkel verjaard is . 4 ) De verhandeling van goederen in een andere lidstaat , na import daarvan in de lidstaat waar de vrijspraak is uitgesproken , vormt een handeling die deel kan uitmaken van ' dezelfde feiten ' in de zin van genoemd artikel 54 . [1] PB C 6 van 8 . 1 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Grote kamer ) van 3 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal — England and Wales ) ( Civil Division ) ( Verenigd Koninkrijk ) — B . F . Cadman / Health %amp% Safety Executive ( Zaak C-17 / 05 ) [1] Verwijzende rechter Court of Appeal Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : B . F . Cadman Verwerende partij : Health %amp% Safety Executive Interveniente : Equal Opportunities Commission Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal ( Civil Division ) — Uitlegging van artikel 141 EG — Gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers — Anciënniteit als criterium voor vaststelling van beloning , met ongelijke gevolgen al naargelang het geslacht van werknemers Artikel 141 EG moet aldus worden uitgelegd dat in het geval waarin de toepassing van het criterium anciënniteit als element voor de vaststelling van de beloningen , leidt tot verschillen in beloning , voor gelijke of gelijkwaardige arbeid , tussen de in de vergelijking te betrekken mannelijke en vrouwelijke werknemers : - de werkgever , omdat de toepassing van het criterium anciënniteit in de regel geschikt is ter bereiking van het legitieme doel , beroepservaring die de werknemer in staat stelt zijn werkzaamheden beter te verrichten , te belonen , niet speciaal hoeft aan te tonen dat toepassing van dit criterium geschikt is om dit doel te bereiken met betrekking tot een bepaalde functie , tenzij de werknemer gegevens verschaft die dienaangaande ernstige twijfel kunnen doen ontstaan ; - het niet nodig is om , wanneer voor de vaststelling van de beloning gebruik wordt gemaakt van een systeem van werkclassificatie dat is gebaseerd op een waardering van het te verrichten werk , aan te tonen dat een werknemer , individueel beschouwd , gedurende de relevante periode ervaring heeft opgedaan die hem in staat heeft gesteld om zijn werkzaamheden beter te verrichten . [1] PB C 69 van 19 . 3 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Derde kamer ) van 5 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof te Amsterdam — Nederland ) — ASM Lithography BV / Inspecteur van de Belastingdienst / Douane Zuid / kantoor Roermond ( Zaak C-100 / 05 ) [1] Verwijzende rechter Gerechtshof te Amsterdam Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : ASM Lithography BV Verwerende partij : Inspecteur van de Belastingdienst / Douane Zuid / kantoor Roermond Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Gerechtshof te Amsterdam — Uitlegging van artikelen 121 , lid 1 , 122 , sub c , 214 en 236 van verordening ( EEG ) nr . 2913 / 92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek ( PB L 302 , blz . 1 ) — Veredelingsproducten beschouwd als in vrij verkeer te zijn gebracht — Desbetreffende douaneschuld vastgesteld aan hand van heffingsregels als bedoeld in artikel 122 , sub c , van verordening nr . 2913 / 92 — Geen voorafgaand en uitdrukkelijk verzoek van belanghebbende — Inwilliging van achteraf gedaan verzoek om herberekening in kader van artikel 236 van verordening nr . 2913 / 92 1 ) Artikel 122 , sub c , van verordening ( EEG ) nr . 2913 / 92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek , moet aldus worden uitgelegd dat bij de vaststelling van het bedrag van de douaneschuld die uit het in het vrije verkeer brengen van veredelingsproducten voortvloeit , de nationale douaneautoriteiten , tenzij de belanghebbende daar uitdrukkelijk om heeft verzocht , niet verplicht zijn de heffingsregels met betrekking tot de regeling behandeling onder douanetoezicht toe te passen , indien de invoergoederen onder die regeling hadden kunnen worden geplaatst . 2 ) Artikel 236 van verordening nr . 2913 / 92 moet aldus worden uitgelegd dat de nationale douaneautoriteiten een verzoek om terugbetaling van invoerrechten moeten inwilligen wanneer blijkt dat het bedrag van de douaneschuld ten gevolge van een vergissing van de belanghebbende en niet van de uitoefening van een keuze , met toepassing van artikel 121 van die verordening is vastgesteld en reeds aan de belanghebbende is meegedeeld , zelfs indien dat verzoek tot gevolg heeft dat bedoelde autoriteiten het bedrag van de schuld met toepassing van artikel 122 , sub c , van het douanewetboek herberekenen . [1] PB C 106 van 30 . 4 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 7 september 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof te 's-Gravenhage — Nederland ) — Bovemij Verzekeringen NV / Benelux-Merkenbureau ( Zaak C-108 / 05 ) [1] Verwijzende rechter Gerechtshof te 's-Gravenhage Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Bovemij Verzekeringen NV Verwerende partij : Benelux-Merkenbureau Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Gerechtshof te 's-Gravenhage — Uitlegging van artikel 3 , lid 3 , van richtlijn 89 / 104 / EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten ( PB 1989 , L 40 , blz . 1 ) — Beoordeling van onderscheidend vermogen van merk — Gebruik van merk — Bekendheid van merk in gehele Beneluxgrondgebied of in aanzienlijk deel ervan ( bijvoorbeeld in Nederland ) — Inaanmerkingneming van taalgebieden 1 ) Artikel 3 , lid 3 , van de Eerste richtlijn ( 89 / 104 / EEG ) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten , moet aldus worden uitgelegd dat de inschrijving van een merk enkel toelaatbaar is op grond van deze bepaling indien wordt aangetoond dat dit merk door het gebruik ervan onderscheidend vermogen heeft verkregen in het gehele grondgebied van een lidstaat of , in het geval van de Benelux , in het gehele gedeelte van het Beneluxgebied waar een weigeringsgrond bestaat . 2 ) Wanneer bij een uit een of meer woorden van een officiële taal van een lidstaat of van de Benelux bestaand merk de weigeringsgrond slechts bestaat in een van de taalgebieden van een lidstaat of , in het geval van de Benelux , slechts in één taalgebied van de Benelux , moet komen vast te staan dat het merk door het gebruik onderscheidend vermogen heeft verworven in dit gehele taalgebied . Voor het aldus gedefinieerde taalgebied moet worden beoordeeld of de betrokken kringen , althans een aanzienlijk deel ervan , de betrokken waar of dienst op basis van het merk als van een bepaalde onderneming afkomstig identificeren . [1] PB C 115 van 14 . 5 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Derde kamer ) van 28 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Republiek Oostenrijk ( Zaak C-128 / 05 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordiger : D . Triantafyllou , gemachtigde ) Verwerende partij : Republiek Oostenrijk ( vertegenwoordigers : aanvankelijk H . Dossi , vervolgens M . Fruhmann , gemachtigden ) Voorwerp Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2 , 6 , 9 , lid 2 , sub b , 17 , 18 en 22 , leden 3 tot en met 5 , van de Zesde richtlijn ( 77 / 388 / EG ) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag ( PB L 145 , blz . 1 ) — Bijzondere regeling voor in andere lidstaat gevestigde ondernemingen die internationaal personenvervoer verrichten en waarvan de jaaromzet in Oostenrijk niet meer dan 22000 EUR bedraagt — Geen verplichting tot indiening van periodieke aangifte en tot betaling van nettobedrag van belasting Dictum 1 ) De Republiek Oostenrijk heeft niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 18 , leden 1 , sub a , en 2 , en 22 , leden 3 tot en met 5 , van de Zesde richtlijn ( 77 / 388 / EG ) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag , door niet in Oostenrijk gevestigde belastingplichtigen die in deze lidstaat personenvervoer verrichten , toe te staan geen belastingaangiften in te dienen en het nettobedrag van de belasting over de toegevoegde waarde niet te voldoen , wanneer de in Oostenrijk behaalde jaaromzet lager is dan 22000 EUR , in dat geval ervan uit te gaan dat het bedrag van de verschuldigde belasting gelijk is aan dat van de aftrekbare belasting , en de toepassing van de vereenvoudigde regeling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat deze belasting op de facturen of de als zodanig dienst doende documenten niet wordt vermeld . 2 ) Het beroep wordt voor het overige verworpen . 3 ) De Republiek Oostenrijk wordt in de kosten verwezen . [1] PB C 182 van 23 . 7 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Tweede kamer ) van 28 september 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven — Nederland ) — NV Raverco ( C-129 / 05 ) , Coxon %amp% Chatterton Ltd ( C-130 / 05 ) / Minister van Landbouw , Natuur en Voedselkwaliteit ( Gevoegde zaken C-129 / 05 en C-130 / 05 ) [1] Verwijzende rechter College van Beroep voor het bedrijfsleven Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partijen : NV Raverco , Coxon %amp% Chatterton Ltd Verwerende partij : Minister van Landbouw , Natuur en Voedselkwaliteit Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — College van Beroep voor het bedrijfsleven — Uitlegging van de artikelen 17 , lid 2 , en 22 , lid 2 , en bijlage I van richtlijn 97 / 78 / EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht ( PB L 24 , blz . 9 ) — Uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 2377 / 90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong ( PB L 224 , blz . 1 ) — Veterinaire controles — Terugzending van producten die niet aan invoervoorwaarden voldoen — Inbeslagneming en vernietiging — Bescherming van belangen van derde landen zelfs bij ontbreken van gemeenschapsbelang 1 ) Artikel 17 , lid 2 , sub a , van richtlijn 97 / 78 / EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht , moet aldus worden uitgelegd dat het bezwaar tegen de terugzending van een partij die niet aan de invoervoorwaarden voldoet , is gelegen in het niet voldoen aan de communautaire voorschriften . 2 ) Artikel 22 , lid 2 , van richtlijn 97 / 78 , gelezen in samenhang met artikel 5 van verordening ( EEG ) nr . 2377 / 90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong , moet aldus worden uitgelegd dat het de bevoegde veterinaire autoriteiten imperatief voorschrijft , producten waarin bij veterinaire controles uit hoofde van deze richtlijn een substantie wordt aangetroffen die in bijlage IV bij die verordening is genoemd , in beslag te nemen en te vernietigen . [1] PB C 143 van 11 . 06 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Tweede kamer ) van 5 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Finanzsenat , Außenstelle Klagenfurt — Oostenrijk ) — Amalia Valeško / Zollamt Klagenfurt ( Zaak C-140 / 05 ) [1] Verwijzende rechter Unabhängiger Finanzsenat , Außenstelle Klagenfurt Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Amalia Valeško Verwerende partij : Zollamt Klagenfurt Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Unabhängiger Finanzsenat , Außenstelle Klagenfurt — Uitlegging van de artikelen 23 EG , 25 EG en 26 EG en bijlage XIII ( Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte : Slovenië ) , punt 6 , Belastingen , sub 2 , bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek , de Republiek Estland , de Republiek Cyprus , de Republiek Letland , de Republiek Litouwen , de Republiek Hongarije , de Republiek Malta , de Republiek Polen , de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond ( PB L 236 , blz . 906 ) — Handhaving door de lidstaten gedurende een overgangsperiode van voor de invoer op hun grondgebied van sigaretten afkomstig uit Slovenië zonder betaling van extra accijns geldende kwantitatieve beperkingen , die gelijk zijn aan die welke worden toegepast op de invoer van sigaretten uit derde landen — Beperking van de hoeveelheid die door een op het nationale grondgebied wonende particulier mag worden ingevoerd , welke strenger is dan die welke voor de meerderheid van derde landen is vastgesteld 1 ) Punt 6 , sub 2 , van bijlage XIII bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek , de Republiek Estland , de Republiek Cyprus , de Republiek Letland , de Republiek Litouwen , de Republiek Hongarije , de Republiek Malta , de Republiek Polen , de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek , en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond , moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de Republiek Oostenrijk bij wijze van overgang haar regeling handhaaft volgens welke de accijnsvrijstelling voor sigaretten uit Slovenië die het grondgebied van de Republiek Oostenrijk worden binnengebracht in de persoonlijke bagage van reizigers die hun woonplaats in laatstgenoemde lidstaat hebben en via een landgrens of een binnenwaterweg rechtstreeks die lidstaat binnenkomen , beperkt is tot 25 stuks . 2 ) De artikelen 23 EG , 25 EG en 26 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is , op grond waarvan de accijnsvrijstelling voor in de persoonlijke bagage van reizigers ingevoerde sigaretten bij binnenkomst op het grondgebied van de Republiek Oostenrijk uit bepaalde andere lidstaten , met name uit de Republiek Slovenië , beperkt is tot 25 stuks , hoewel die vrijstelling na de laatste uitbreiding van de Europese Unie , met uitzondering van de Zwitserse belastingvrije zone Samnauntal , op geen enkel derde land meer van toepassing is , en voor invoer van sigaretten uit derde landen in de regel een vrijstelling van 200 stuks geldt . [1] PB C 143 van 11 . 6 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 28 september 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank 's-Hertogenbosch — Nederland ) — Jean Leon van Straaten / Staat der Nederlanden , Republiek Italië ( Zaak C-150 / 05 ) [1] Verwijzende rechter Rechtbank 's-Hertogenbosch Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Jean Leon van Straaten Verwerende partijen : Staat der Nederlanden , Republiek Italië Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank 's-Hertogenbosch — Uitlegging van artikel 54 van de overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie , de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen ( PB 2000 L 239 , blz . 19 ) — Beginsel ne bis in idem — ' Dezelfde feiten ' en ' berechting ' — Vervolging van strafbaar feit als uitvoer in één staat en als invoer in een andere — Onherroepelijk vonnis in geval van vrijspraak van beschuldigde ? 1 ) Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie , de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen , ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 , moet aldus worden uitgelegd dat : - het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is , begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn , ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang ; - wat delicten in verband met verdovende middelen betreft , is niet vereist dat de hoeveelheden drugs in de twee overeenkomstsluitende staten of de van deelneming aan de feiten in de twee staten verdachte personen , gelijk zijn ; - strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen waarvoor in verschillende staten die partij zijn bij deze overeenkomst , vervolging is ingesteld , dienen in beginsel te worden beschouwd als ' dezelfde feiten ' in de zin van dit artikel 54 , maar het is aan de bevoegde nationale instanties om dit uiteindelijk te beoordelen . 2 ) Het in artikel 54 van deze overeenkomst verankerde beginsel ne bis in idem moet toepassing vinden op een beslissing van de justitiële autoriteiten van een overeenkomstsluitende staat waardoor een verdachte bij onherroepelijk vonnis is vrijgesproken omdat het feit niet is bewezen . [1] PB C 155 van 25 . 6 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Vijfde kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Republiek Oostenrijk ( Zaak C-226 / 05 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordiger : B . Schima , gemachtigde ) Verwerende partij : Republiek Oostenrijk ( vertegenwoordiger : E . Riedl , gemachtigde ) Voorwerp Niet-nakoming — Onvolledige uitvoering van de artikelen 8 , lid 2 , sub b , 11 , 12 en 24 , lid 1 , van richtlijn 96 / 82 / EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken ( PB L 10 , blz . 13 ) 1 ) Door niet binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting van : - richtlijn 96 / 82 / EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken , in de nationale wet inzake ontplofbare stoffen voor munitie en explosieven alsmede in de wet inzake de elektriciteitssector van de deelstaat Salzburg , - artikel 11 van richtlijn 96 / 82 in de deelstaten Salzburg , Steiermark en Tirol , - artikel 12 van richtlijn 96 / 82 in de deelstaat Oberösterreich , en - artikel 8 , lid 2 , sub b , van richtlijn 96 / 82 in de deelstaten Oberösterreich , Salzburg en Tirol , is de Republiek Oostenrijk de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen . 2 ) De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 171 van 9 . 7 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Eerste kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Franse Republiek ( Zaak C-232 / 05 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordiger : C . Giolito , gemachtigde ) Verwerende partij : Franse Republiek ( vertegenwoordigers : G . de Bergues en S . Ramet , gemachtigden ) Voorwerp Niet-nakoming — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn van beschikking 2002 / 14 / EG van de Commissie van 12 juli 2000 betreffende door Frankrijk verleende staatssteun ten behoeve van Scott Paper SA / Kimberly-Clark ( PB L 12 , blz . 1 ) Dictum 1 ) Door niet binnen de gestelde termijn alle nodige maatregelen te nemen om de steun bedoeld in beschikking 2002 / 14 / EG van de Commissie van 12 juli 2000 betreffende door Frankrijk verleende staatssteun ten behoeve van Scott Paper SA / Kimberly-Clark , van de begunstigde terug te vorderen , is de Franse Republiek de krachtens artikel 249 , vierde alinea , EG en de artikelen 2 en 3 van deze beschikking op haar rustende verplichtingen niet nagekomen . 2 ) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 171 van 9 . 7 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Grote kamer ) van 3 oktober 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d'État — Frankrijk ) — Nicolae Bot / Préfet du Val-de-Marne ( Zaak C-241 / 05 ) [1] Verwijzende rechter Conseil d'État Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Nicolae Bot Verwerende partij : Préfet du Val-de-Marne Voorwerp Verzoek om een prejudiciële beslissing — Conseil d'État ( Frankrijk ) — Uitlegging van artikel 20 , lid 1 , van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie , de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen ( PB L 239 , blz . 19 ) — Begrip eerste binnenkomst op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen Artikel 20 , lid 1 , van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie , de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen , ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 , dient aldus te worden uitgelegd dat het begrip ' eerste binnenkomst ' in deze bepaling niet alleen de allereerste binnenkomst op het grondgebied van de staten die dit akkoord hebben gesloten , betreft , maar ook de eerste binnenkomst op dit grondgebied na het verstrijken van een periode van zes maanden na deze allereerste binnenkomst , alsook op elke andere eerste binnenkomst na het verstrijken van elke nieuwe periode van zes maanden na de vorige datum van eerste binnenkomst . [1] PB C 193 van 6 . 8 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Vierde kamer ) van 28 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Groothertogdom Luxemburg ( Zaak C-353 / 05 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : B . Schima en F . Simonetti , gemachtigden ) Verwerende partij : Groothertogdom Luxemburg ( vertegenwoordiger : S . Schreiner , gemachtigde ) Voorwerp Niet-nakoming — Niet-vaststelling , binnen de gestelde termijn , van de bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003 / 54 / EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96 / 92 / EG — Verklaringen met betrekking tot ontmantelings- en afvalbeheeractiviteiten ( PB L 176 , blz . 37 ) 1 ) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003 / 54 / EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96 / 92 / EG , is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen . 2 ) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 281 van 12 . 11 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Vijfde kamer ) van 5 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Italiaanse Republiek ( Zaak C-360 / 05 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : K . Gross en M . Velardo , gemachtigden ) Verwerende partij : Italiaanse Republiek ( vertegenwoordigers : G . De Bellis en I . Braguglia , gemachtigden ) Voorwerp Niet-nakoming — Niet-uitvoering binnen de gestelde termijn van richtlijn 2003 / 96 / EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit ( PB L 283 , blz . 51 ) 1 ) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 2003 / 96 / EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit , heeft de Italiaanse Republiek niet voldaan aan de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen . 2 ) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 281 van 12 . 11 . 2005 . -------------------------------------------------- Arrest van het Hof ( Vijfde kamer ) van 28 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Groothertogdom Luxemburg ( Zaak C-49 / 06 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordiger : N . Yerrell , gemachtigde ) Verwerende partij : Groothertogdom Luxemburg ( vertegenwoordiger : S . Schreiner , gemachtigde ) Voorwerp Niet-nakoming — Niet-vaststelling binnen gestelde termijn van de noodzakelijke bepalingen om te voldoen aan richtlijn 1999 / 37 / EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen ( PB L 138 , blz . 57 ) Dictum 1 ) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999 / 37 / EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen , is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen . 2 ) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 60 van 11 . 3 . 2006 . -------------------------------------------------- Beschikking van het Hof van 28 september 2006 — Unilever Bestfoods ( Ireland ) Ltd ( voorheen Van den Bergh Foods Ltd ) / Commissie van de Europese Gemeenschappen , Masterfoods Ltd , Richmond Ice Cream Ltd , voorheen Richmond Frozen Confectionery Ltd ( Zaak C-552 / 03 P ) [1] Partijen Rekwirante : Unilever Bestfoods ( Ireland ) Ltd ( voorheen Van den Bergh Foods Ltd ) ( vertegenwoordigers : Nicholson en Rowe , solicitors , Biesheuvel en De Grave , advocaten ) Andere partijen in de procedure : Commissie van de Europese Gemeenschappen , ( vertegenwoordigers : W . Wils , B . Doherty en A . Whelan , gemachtigden ) , Masterfoods Ltd ( vertegenwoordigers : P . Collins en M . Levitt , solicitors ) , Richmond Ice Cream Ltd , voorheen Richmond Frozen Confectionery Ltd ( vertegenwoordiger : I . Forrester , QC ) Voorwerp 1 ) De hogere voorziening wordt afgewezen . 2 ) Unilever Bestfoods ( Ireland ) Ltd wordt verwezen in de kosten . Beschikking van het Hof ( Zesde kamer ) van 13 juli 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Korsholms tingsrätt — Finland ) — Teemu Hakala / Oy L . Simons Transport Ab ( Zaak C-93 / 05 ) [1] Verwijzende rechter Korsholms tingsrätt Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Teemu Hakala Verwerende partij : Oy L . Simons Transport Ab Voorwerp Verzoek om prejudiciële beslissing — Korsholms tingsrätt ( Finland ) — Uitlegging van artikel 10 van verordening ( EEG ) nr . 3820 / 85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer ( PB L 370 , blz . 1 ) — Beloning van in loondienst werkzame bestuurder naar gelang van afgelegde afstand Een op de afgelegde afstand gebaseerde loonregeling is in strijd met artikel 10 van verordening ( EEG ) nr . 3820 / 85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer , tenzij een dergelijke regeling de verkeersveiligheid niet in gevaar kan brengen . Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of zulks , gelet op alle omstandigheden van het hoofdgeding , het geval is . [1] PB C 143 van 11 . 6 . 2005 . -------------------------------------------------- Beschikking van het Hof ( Vijfde kamer ) van 29 juni 2006 — Creative Technology Ltd / Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt ( merken , tekeningen en modellen ) , José Vila Ortiz ( Zaak C-314 / 05 P ) [1] Partijen Verzoekende partij : Creative Technology Ltd ( vertegenwoordigers : S . Jones en P . Rawlinson , solicitors ) Andere partijen in de procedure : Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt ( merken , tekeningen en modellen ) ( vertegenwoordiger : S . Laitinen , gemachtigde ) , José Vila Ortiz Voorwerp 1 ) De hogere voorziening wordt afgewezen . 2 ) Creative Technology Ltd wordt verwezen in de kosten . Beschikking van het Hof ( Vierde kamer ) van 13 juli 2006 — Soffass SpA / Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt ( merken , tekeningen en modellen ) , Sodipan SCA ( Zaak C-92 / 06 P ) [1] Partijen Verzoekende partij : Soffass SpA ( vertegenwoordigers : V . Biliardo , C . Bacchini en M . Mazzitelli , avvocati ) Andere partijen in de procedure : Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt ( merken , tekeningen en modellen ) ( vertegenwoordiger : M . Capostagno , gemachtigde ) , Sodipan ( vertegenwoordiger : N . Bœspflug , avvocato ) Voorwerp Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg ( Eerste kamer ) van 23 november 2005 , Soffass / BHIM ( T-396 / 04 ) , waarbij het Gerecht ongegrond heeft verklaard een beroep ingesteld door de aanvrager van het beeldmerk ' NICKY ' voor waren van klasse 15 en strekkende tot vernietiging van beslissing R 699 / 2003-1 van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt ( BHIM ) van 16 juli 2004 houdende vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling waarbij de oppositie is afgewezen die is ingesteld door de houder van de nationale beeldmerken ' NOKY ' en ' noky ' voor waren van klasse 16 1 ) De hogere voorziening wordt afgewezen . 2 ) Soffass SpA wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 121 van 20 . 5 . 2006 . -------------------------------------------------- Beschikking van het Hof ( Vierde kamer ) van 13 juli 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale civile di Bolzano — Italië ) — Eurodomus srl / Comune di Bolzano ( Zaak C-166 / 06 ) [1] Verzoekende partij : Rechtsanwalt Dr . Dirk Rüffert in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Objekt und Bauregie GmbH %amp% Co . KG Verwerende partij : Land Niedersachsen Verzoek om een prejudiciële beslissing , ingediend door het Gerechtshof te Amsterdam ( Nederland ) op 30 augustus 2006 — J . A . van der Steen tegen Inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi / kantoor Utrecht Verwijzende rechter Gerechtshof te Amsterdam Partijen in het hoofdgeding Verzoeker : J . A . van der Steen Verweerder : Inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi / kantoor Utrecht Prejudiciële vraag Dient artikel 4 , eerste lid , van de zesde richtlijn [1] aldus te worden uitgelegd dat indien een natuurlijk persoon als enige activiteit heeft het feitelijke uitvoeren van alle werkzaamheden die voortvloeien uit de activiteiten van een besloten vennootschap waarvan hijzelf enig bestuurder , enig aandeelhouder en enig 'personeelslid' is , deze werkzaamheden geen economische activiteiten zijn omdat zij binnen het kader van het beheer en de vertegenwoordiging van de besloten vennootschap en derhalve niet in het economisch verkeer zijn verricht ? [1] Zesde richtlijn 77 / 388 / EEG van de Raad , van 17 mei 1977 , betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : unifomr grondslag , PB L 145 , blz . 1 -------------------------------------------------- Verzoek om een prejudiciële beslissing , ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven ( Nederland ) op 4 september 2006 — Feinchemie Schwebda GmbH en Bayer CropScience AG tegen het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen , andere partij in het geding : Agrichem B . V . Verwijzende rechter College van Beroep voor het bedrijfsleven Partijen in het hoofdgeding Verzoekers : Feinchemie Schwebda GmbH en Bayer CropScience AG Verweerder : College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen Andere partij : Agrichem B . V . Prejudiciële vraag Moet artikel 4 , eerste lid , richtlijn 2002 / 37 / EG [1] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling de lidstaten niet verplicht de toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat ethofumesaat bevat vóór 1 september 2003 te beëindigen om de reden dat de toelatinghouder niet in het bezit is of geen toegang heeft tot een dossier dat aan de voorwaarden van Bijlage II bij richtlijn 91 / 414 / EEG [2] voldoet ? [1] Richtlijn 2002 / 37 / EG van de Commissie , van 3 mei 2002 , houdende wijziging van richtlijn 91 / 414 / EEG van de Raad ten einde ethofumesaat op te nemen als werkzame stof ( PB L 117 , blz . 10 ) . [2] Richtlijn 91 / 414 / EEG van de Raad , van 15 juli 1991 , betreffende het op de markt brengen van gewas-beschermingsmiddelen ( PB L 230 , blz . 1 ) . -------------------------------------------------- Verzoek om een prejudiciële beslissing , ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 12 september 2006 — Benetton Group SpA tegen G-Star International BV Verwijzende rechter Hoge Raad der Nederlanden Partijen in het hoofdgeding Verzoekster : Benetton Group SpA Verweerster : G-Star International BV Prejudiciële vragen 1 . Moet artikel 3 , lid 1 , onder e , eerste streepje [1] , aldus worden uitgelegd dat de daarin vervatte uitsluiting de inschrijving als merk van een vorm blijvend belet , indien de aard van de waar zodanig is dat haar uiterlijk en vormgeving door hun fraaiheid of oorspronkelijk karakter geheel , dan wel in belangrijke mate haar marktwaarde bepalen , of mist die uitsluiting toepassing indien , voorafgaand aan de aanvrage om inschrijving , voor het publiek de aantrekkingskracht van de desbetreffende vorm in overwegende mate bepaald is gaan worden door de bekendheid daarvan als onderscheidingsteken ? 2 . Indien het antwoord op vraag 1 in laatstbedoelde zin luidt : in welke mate moet die aantrekkingskracht de overhand hebben gekregen , wil de uitsluiting niet langer van toepassing zijn ? [1] Eerste Richtlijn 89 / 104 / EEG van de Raad , van 21 december 1988 , betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten ( PB 1989 L 40 , blz . 1 ) . -------------------------------------------------- Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het VAT and Duties Tribunal , London ( Verenigd Koninkrijk ) op 11 september 2006 — Asda Stores Ltd / The Commissioners for her Majesty's Revenue and Customs Verwijzende rechter VAT and Duties Tribunal , London Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Asda Stores Ltd Verwerende partij : The Commissioners for her Majesty's Revenue and Customs Prejudiciële vragen Verenigbaarheid met het communautair douanewetboek van de relevante bepalingen van bijlage 11 bij de uitvoeringsverordening 1 ) Zijn de regels ter bepaling van niet-preferentiële oorsprong die zijn opgenomen in bijlage 11 bij verordening ( EEG ) nr . 2454 / 93 [1] van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening ( EEG ) nr . 2913 / 92 [2] van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek ( ' de uitvoeringsverordening ' ) , voor in Turkije geproduceerde kleuren-tv's ( ' ktv's ' ) die onder GN-code ex 8528 vallen en waarop de in kolom 3 van de bij die post horende tabel geformuleerde regel van toepassing is , ongeldig wegens onverenigbaarheid met artikel 24 van verordening ( EEG ) nr . 2913 / 92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek ( ' het communautair douanewetboek ' ) ? Uitlegging van bijlage 11 2 ) Voor het geval de in bijlage 11 bij de uitvoeringsverordening opgenomen bijzondere oorsprongsregel voor onder GN-code ex 8528 vallende ktv's , zoals uiteengezet in kolom 3 van de bij die post horende tabel , geldig is , moet dan de niet-preferentiële oorsprong van een apart onderdeel , zoals een in een afgewerkte ktv ingebouwd chassis , afzonderlijk worden bepaald , en zo ja , moet die oorsprong dan worden bepaald op basis van : a ) de fysieke be- of verwerking van het product , teneinde na te gaan of het betrokken product zijn laatste ingrijpende en economisch verantwoorde be- of verwerking heeft ondergaan ( ervan uitgaande dat aan de overige voorwaarden van artikel 24 van het communautair douanewetboek is voldaan ) ; of b ) bijzondere en subsidiaire regels die de Europese Commissie en de lidstaten zijn overeengekomen met het oog op de onderhandelingspositie van de Europese Gemeenschap voor de Wereldhandelsorganisatie ter zake van de harmonisatie van niet-preferentiële regels van oorsprong , waarbij de bijzondere regel in de onderhavige omstandigheden een 45 %-meerwaardetest is , terwijl volgens de subsidiaire regel een goed de oorsprong heeft van het land waaruit het merendeel van de niet van oorsprong zijnde materialen afkomstig is , zoals op de in elk hoofdstuk gespecificeerde wijze bepaald , met dien verstande dat wanneer de materialen van oorsprong ten minste 50 % van alle gebruikte materialen vertegenwoordigen , het goed de oorsprong heeft van het land waaruit die materialen afkomstig zijn , dan wel c ) enig ander criterium ? 3 ) Indien een onderdeel van een ktv , zoals een chassis , op basis van het in artikel 24 van het communautair douanewetboek omschreven criterium van fysieke be- of verwerking lokale oorsprong heeft verkregen , is het dan nog nodig om voor een dergelijk onderdeel een waarde te bepalen met het oog op de toepassing op de ktv van de in bijlage 11 bij de uitvoeringsverordening opgenomen bijzondere oorsprongsregel voor ktv's ? 4 ) Voor het geval de regels die zijn overeengekomen met het oog op de onderhandelingspositie van de Gemeenschap voor de WTO , in het kader van de toepassing van bijlage 11 kunnen worden toegepast , is het dan noodzakelijk dat een onderdeel van een ktv , zoals een chassis , zijn eigen werkelijke prijs af fabriek heeft , of mag aan dat onderdeel een aan een prijs af fabriek equivalente waarde worden toegekend ? 5 ) Indien het antwoord op vraag 3 ) of vraag 4 ) luidt , dat een aan een werkelijke prijs af fabriek equivalente waarde in aanmerking moet worden genomen , hoe moet die waarde dan worden vastgesteld ? Meer bepaald : a ) Moet in dit verband toepassing worden gegeven aan i ) artikel 29 of artikel 30 van het communautair douanewetboek ; ii ) een of meer van de artikelen 141 tot en met 153 van de uitvoeringsverordening ; en iii ) een of meer van de in bijlage 23 bij de uitvoeringsverordening opgenomen aantekeningen voor de interpretatie van de douanewaarde ? b ) Welke eisen gelden ten aanzien van het bewijs van de waarde of de kosten ? c ) In welke omstandigheden mag bij de beoordeling van de niet-preferentiële oorsprong van een onderdeel van een ktv worden uitgegaan van berekende of geconstrueerde kosten ? d ) Welke soort kosten mogen bij de vaststelling van berekende of geconstrueerde kosten van een onderdeel in aanmerking worden genomen ? e ) Mag voor de vaststelling van de rechten die op een specifiek tijdstip over een specifiek product verschuldigd zijn , worden uitgegaan van gemiddelde waarden over een bepaalde periode ? f ) Mag bij de vergelijking van de kosten of de waarde van een onderdeel met de kosten of de waarde van een uitgevoerd eindproduct gebruik worden gemaakt van verschillende methoden om de kosten of waarden te berekenen ? Vragen betreffende de artikelen 44 tot en met 47 van besluit nr . 1 / 95 en artikel 47 van het Aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara 6 ) Volgt uit artikel 44 , lid 2 , van besluit nr . 1 / 95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 betreffende de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie , gelezen in samenhang met artikel 47 van het Aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara , dat de Gemeenschap , alvorens de bij verordening ( EG ) nr . 2584 / 98 [3] van de Raad ingestelde antidumpingrechten ook van toepassing te doen zijn op uit Turkije ingevoerde producten die zich in het vrije verkeer bevonden , zich eerst tot de Associatieraad EG-Turkije had moeten wenden met het verzoek aanbevelingen te doen uitgaan , alsmede de Associatieraad van haar voornemen op de hoogte had moeten stellen ? 7 ) Volgt uit artikel 46 van besluit nr . 1 / 95 dat de Gemeenschap , nadat zij bij verordening ( EG ) nr . 2584 / 98 drie eerdere verordeningen van de Raad tot instelling van antidumpingrechten op bepaalde ktv's van oorsprong uit China en Korea heeft gewijzigd op het punt van de productdefinitie en de hoogte van de toegepaste rechten , de bij verordening ( EG ) nr . 2584 / 98 ingestelde nieuwe antidumpingrechten pas kan toepassen met betrekking tot de invoer uit Turkije van zich in het vrije verkeer bevindende ktv's van oorsprong uit China en Korea , indien zij het Gemengd comité van de douane-unie op de hoogte heeft gesteld van haar voornemen om dit te doen ? 8 ) Volgt uit de artikelen 44 tot en met 47 van besluit nr . 1 / 95 , dat handelaren op de hoogte moeten worden gebracht dan wel anderszins in kennis moeten worden gesteld van een kennisgeving overeenkomstig artikel 46 van besluit nr . 1 / 95 dan wel artikel 47 , lid 2 , van het Aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara ? 9 ) Indien de in de vragen 6 ) en 7 ) bedoelde verplichtingen bestaan : a ) Welke eisen gelden dan ten aanzien van de indiening van een verzoek en een kennisgeving overeenkomstig artikel 44 van besluit nr . 1 / 95 juncto artikel 47 van het Aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara ? b ) Welke eisen gelden dan ten aanzien van een kennisgeving overeenkomstig artikel 46 van besluit nr . 1 / 95 ? c ) Heeft de Europese Commissie met de in casu door haar genomen stappen aan die eisen voldaan ? d ) Wat is de consequentie indien dit niet het geval is ? 10 ) Zijn de artikelen 44 , 46 en 47 van besluit nr . 1 / 95 en artikel 47 van het Aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara rechtstreeks toepasselijk of hebben zij rechtstreekse werking , zodat individuele handelaren zich voor de nationale rechter op schending van die bepalingen kunnen beroepen teneinde te ontkomen aan de betaling van antidumpingrechten die zij anders verschuldigd zouden zijn ? [1] PB L 11 , blz . 88 . [2] PB L 3 , blz . 23 . [3] PB L 324 , blz . 1 . -------------------------------------------------- Beroep ingesteld op 15 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk Spanje Partijen Verzoekster : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : B . Schima en S . Pardo Quintillan , gemachtigden ) Verweerder : Koninkrijk Spanje Conclusies - vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje , door in Ley 3 / 2004 van 29 december houdende maatregelen ter bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties een termijn van 90 dagen toe te staan voor de betaling van bepaalde levensmiddelen en massaconsumptieartikelen en door de inwerkingtreding van sommige bepalingen tot 1 juli 2006 uit te stellen , de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 3 , leden 1 , 2 en 4 van richtlijn 2000 / 35 / EG [1] van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties niet is nagekomen ; - het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen . Middelen en voornaamste argumenten Richtlijn 2000 / 35 / EG voorziet in geen geval in de gedeeltelijke of geleidelijke toepassing van de bepalingen ervan . Dus is het uitstel tot 1 juli 2006 in strijd met het bepaalde in artikel 3 , leden 1 en 2 . Tevens wordt inbreuk gemaakt op het bepaalde in lid 4 van hetzelfde artikel , op grond waarvan de lidstaten er in het belang van schuldeisers en concurrenten voor moeten zorgen dat een adequaat en doeltreffend middel voorhanden is om te voorkomen dat de bedingen die een kennelijke onbillijkheid behelzen verder worden gebruikt . Het uitstel van de toepassing van de maximumtermijn van 60 dagen kan dus niet worden beschouwd als een aanvullend vereiste ten gunste van de schuldeisers , en is in geen geval aanvaardbaar , in het bijzonder wanneer er rekening mee wordt gehouden dat de nationale uitvoeringsregeling van richtlijn 2000 / 35 / EG uiterlijk in augustus 2002 had moeten zijn vastgesteld . [1] PB L 200 , blz . 35 . -------------------------------------------------- Hogere voorziening ingesteld op 14 september 2006 door Ocean Trawlers Ltd tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 13 juni 2006 in de gevoegde zaken T-218 / 03 tot en met T-240 / 03 , Cathal Boyle en anderen / Commissie van de Europese Gemeenschappen Partijen Rekwirante : Ocean Trawlers Ltd ( vertegenwoordigers : P . Callagher SC , A . Collins SC , D . Barry , Solicitor ) Andere partijen in de procedure : Ierland , Commissie van de Europese Gemeenschappen Conclusies Rekwirante vordert dat het Hof : - vernietigt het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 13 juni 2006 voor zover hierin is verworpen het beroep in zaak T-226 / 03 , Ocean Trawlers Ltd / Commissie , strekkende tot nietigverklaring van beschikking 2003 / 245 / EG [1] van de Commissie van 4 april 2003 inzake de door de Commissie ontvangen aanvragen tot verhoging van MOP IV-doelstellingen in verband met maatregelen ter verbetering van de veiligheid , de navigatie op zee , de hygiëne , de productkwaliteit en de arbeidsomstandigheden voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 12 m , voor zover deze van toepassing was op de aanvraag tot verhoging van de capaciteit om veiligheidsredenen voor een nieuw RSW-voertuig , de MFV Golden Rose , en Ocean Trawlers Ltd in haar eigen kosten is verwezen ; - nietig verklaart beschikking 2003 / 245 / EG van de Commissie van 4 april 2003 inzake de door de Commissie ontvangen aanvragen tot verhoging van MOP IV-doelstellingen in verband met maatregelen ter verbetering van de veiligheid , de navigatie op zee , de hygiëne , de productkwaliteit en de arbeidsomstandigheden voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 12 m , voor zover deze van toepassing was op de aanvraag tot verhoging van de capaciteit om veiligheidsredenen voor een nieuw RSW-voertuig , de MFV Golden Rose ; - de Commissie verwijst in de kosten van het geheel van deze procedures . Middelen en voornaamste argumenten Rekwirante betoogt dat het arrest van het Gerecht van eerste aanleg moet worden vernietigd op de volgende gronden : Het Gerecht van eerste aanleg heeft een juridisch onjuiste maatstaf gehanteerd door het belang van rekwirante te bepalen aan de hand van de datum waarop beschikking 2003 / 245 is vastgesteld , en niet aan de hand van de datum waarop bij het Gerecht van eerste aanleg beroep is ingesteld . Het Gerecht heeft een aanzienlijke beoordelingsfout gemaakt waarvan blijkt uit de aan hem overgelegde stukken , te weten met betrekking tot rekwirantes eigendom van de MVF ' Golden Rose ' op het voor het beroep relevante tijdstip . Het oordeel dat rekwirante door beschikking 2003 / 245 niet individueel was geraakt ' omdat de betrokken vaartuigen fictief zijn ' vindt geen grondslag in het recht en wordt bovendien tegengesproken door de redenering die het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest heeft gevolgd . Rekwirante is eigenaar van de MFV ' Golden Rose ' en is dat op alle relevante momenten geweest . Derhalve kan niet worden aangenomen dat zij niet langer het belang heeft dat zij ontegenzeggelijk had bij het begin van haar beroep tot nietigverklaring van beschikking 2003 / 245 voor zover deze gevolgen had voor haar aanvraag voor veiligheidstonnage voor de MFV ' Golden Rose ' . Het Gerecht van eerste aanleg heeft ten onrechte geoordeeld dat rekwirante , wegens de stappen die zij heeft ondernomen ter beperking van het verlies en de schade die zij door die maatregel had geleden , geen belang had bij het instellen van een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2003 / 245 . [1] PB L 90 , blz . 48 . -------------------------------------------------- Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Milano ( Italië ) op 18 september 2006 — Bakemark Italia SRL / Agenzia Entrate Ufficio Milano 1 Verwijzende rechter Beroep ingesteld op 19 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Republiek Finland Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : M . Huttunen en M . Shotter , gemachtigden ) Verwerende partij : Republiek Finland Conclusies - vast te stellen dat de Republiek Finland , door in § 43 van de viestintämarkkinalaki ( wet betreffende de telecommunicatiemarkt ) de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties tot regeling van de verbindingsopbouw van het vaste netwerk naar het mobiele communicatienetwerk te beperken , de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 8 , lid 1 , lid 2 , sub b , en lid 3 , sub c , van richtlijn 2002 / 21 / EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en –diensten [1] , alsmede krachtens artikel 8 , leden 1 en 4 , van richtlijn 2002 / 19 / EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten [2] ; - de Republiek Finland te verwijzen in de kosten . Middelen en voornaamste argumenten De termijn voor de omzetting van de richtlijnen is verstreken op 24 juli 2003 . [1] PB L 108 , blz . 33 . [2] PB L 108 , blz . 7 . -------------------------------------------------- Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : D . Lawunmi en U . Wölker , gemachtigden ) Verwerende partij : Ierland Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : N . Yerrell en R . Vidal Puig , gemachtigden ) Verwerende partij : Koninkrijk Spanje Beroep ingesteld op 22 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Italiaanse Republiek Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : B . Schima en D . Recchia , gemachtigden ) Verwerende partij : Italiaanse Republiek Conclusies - vast te stellen dat de Italiaanse Republiek , door niet vóór 1 juli 2005 een jaarlijks nationaal verslag over de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen in te dienen dat alle gegevens bevat als bedoeld in artikel 4 , lid 1 , van richtlijn 2003 / 30 / EG [1] van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer , de krachtens genoemde bepaling op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen ; - de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten . Middelen en voornaamste argumenten De termijn voor het indienen van het jaarlijks nationaal verslag over de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen als bedoeld in artikel 4 , lid 1 , van richtlijn 2003 / 30 / EG is op 1 juli 2005 verstreken . De Italiaanse Republiek stelt dat zij op 14 juli 2006 een richtlijnconform verslag bij de Commissie heeft ingediend . Volgens de Commissie is dit verslag evenwel onvolledig , daar het niet vermeldt welke nationale middelen zijn toegewezen voor de productie van biomassa ten behoeve van andere vormen van energiegebruik dan vervoer , zoals bepaald in artikel 4 , lid 1 , tweede streepje , van de richtlijn . [1] PB L 123 , blz . 42 . -------------------------------------------------- Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo , Sala Primera Civil ( Spanje ) op 22 september 2006 — Entidad de Gestión de los Derechos de los Productores Audiovisuales ( EGEDA ) / Al Rima , SA Verwijzende rechter Tribunal Supremo , Sala Primera Civil Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Entidad de Gestión de los Derechos de los Productores Audiovisuales ( EGEDA ) Verwerende partij : Al Rima , SA Prejudiciële vragen 1 ) Is bij de installatie , in kamers van een hotel of van een soortgelijke inrichting , van televisietoestellen waarnaar het per satelliet of via de ether uitgezonden televisiesignaal via de kabel wordt doorgegeven , sprake van mededeling aan het publiek waarvoor de harmonisatie van de nationale wetgevingen inzake bescherming van de rechten van de producenten van fonogrammen en van de producenten van de eerste vastleggingen van films in de zin van artikel 3 , lid 2 , van richtlijn 2001 / 29 / EG [1] van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 geldt ? 2 ) Is de kwalificatie van een kamer van een hotel of van een soortgelijke inrichting als een strikt huiselijke omgeving , zodat de mededeling via televisietoestellen waarnaar het eerder door een hotel of soortgelijke inrichting ontvangen signaal wordt doorgegeven , niet langer als mededeling aan het publiek wordt aangemerkt , in strijd met de door richtlijn 2001 / 29 / EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 voorgestane bescherming van de rechten van de producenten van fonogrammen en van de producenten van de eerste vastleggingen van films ? 3 ) Kan , met het oog op de door richtlijn 2001 / 29 / EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 verlangde bescherming van de rechten van de producenten van fonogrammen en van de producenten van de eerste vastleggingen van films , de mededeling via een televisietoestel in een kamer van een hotel of van een soortgelijke inrichting waarnaar het eerder door het hotel of soortgelijke inrichting ontvangen signaal wordt doorgegeven , als een mededeling aan het publiek worden beschouwd op grond dat een ' successief publiek ' toegang tot het werk heeft ? [1] Betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij ( PB L 167 , blz . 10 ) . -------------------------------------------------- Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Østre Landsret ( Denemarken ) op 21 september 2006 — Eivind F . Kramme / SAS Scandinavian Airlines Danmark A / S Verwijzende rechter Østre Landsret Partijen in het hoofdgeding Verzoekende partij : Eivind F . Kramme Verwerende partij : SAS Scandinavian Airlines Danmark A / S Prejudiciële vragen 1 ) Is er sprake van een buitengewone omstandigheid , wanneer een vliegtuig wegens technische problemen buiten bedrijf wordt gesteld , met annulering als gevolg , in de zin van artikel 5 , lid 3 , van verordening ( EG ) nr . 261 / 2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening ( EEG ) nr . 295 / 91 [1] ? 2 ) Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord , welke redelijke maatregelen in de zin van de verordening moet een luchtvaartmaatschappij dan treffen ter voorkoming van annulering wegens technische problemen ? 3 ) Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord , heeft een luchtvaartmaatschappij dan alle redelijke maatregelen ter voorkoming van annulering getroffen , wanneer kan worden vastgesteld dat er geen vliegtuigen beschikbaar zijn voor de uitvoering van de vlucht die volgens plan zou worden uitgevoerd door een vliegtuig dat wegens technische problemen buiten bedrijf is gesteld ? 4 ) Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord , is het dan van belang dat de documentatie over de technische problemen waarop de luchtvaartmaatschappij zich beroept , uitsluitend afkomstig is van de luchtvaartmaatschappij zelf ? [1] PB L 46 , blz . 1 . -------------------------------------------------- Beroep ingesteld op 25 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : M . Condou-Durande , R . Troosters , gemachtigden ) Verwerende partij : Koninkrijk der Nederlanden Conclusies - vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden , door het handhaven van de nationale bepalingen volgens de welke economisch niet-actieve en gepensioneerde EU / EER onderdanen moeten bewijzen dat zij duurzaam beschikken over middelen van bestaan om een verblijfsvergunning te verkrijgen , de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens Richtlijn 90 / 364 / EEG [1] van de Raad , van 28 juni 1990 , betreffende het verblijfsrecht , Richtlijn 90 / 365 / EEG [2] van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd , en Richtlijn 68 / 360 / EEG [3] van de Raad , van 15 oktober 1968 , inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en hun familie binnen de Gemeenschap ; - het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten te verwijzen . Middelen en voornaamste argumenten De vereiste , in de Nederlandse regeling , van toereikende middelen voor een minimumperiode van een jaar om een verblijfsvergunning te verkrijgen is niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht . [1] PB L 180 , blz . 26 [2] PB L 180 , blz . 28 [3] PB L 257 , blz . 13 -------------------------------------------------- Beroep ingesteld op 26 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Bondsrepubliek Duitsland Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordiger : D . Triantafyllou , gemachtigde ) Verwerende partij : Bondsrepubliek Duitsland Conclusies - vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 9 , lid 2 , sub e , van de Zesde btw-richtlijn ( 77 / 388 / EEG ) van de Raad van 17 mei 1977 [1] , nu de plaats van de dienstverrichting van een testamentuitvoerder niet wordt bepaald overeenkomstig artikel 9 , lid 2 , sub e , van de Zesde btw-richtlijn wanneer de dienst wordt verleend aan buiten de Gemeenschap gevestigde ontvangers of aan binnen de Gemeenschap maar buiten het land van de dienstverrichter gevestigde belastingplichtigen ; - verweerster te verwijzen in de kosten . Middelen en voornaamste argumenten Volgens artikel 9 , lid 2 , sub e , derde streepje , van de Zesde btw-richtlijn is de plaats van bepaalde diensten , die worden verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd , de plaats waar de ontvanger de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd , of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting , zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats . Het betreft diensten verricht door raadgevende personen , ingenieurs , adviesbureaus , advocaten , accountants en andere soortgelijke diensten . Deze bepaling van de richtlijn is een collisieregel die bepaalt waar de dienstverrichting wordt belast en die de bevoegdheid van de lidstaten afbakent . Volgens de Duitse rechtsvoorschriften en de daarop gebaseerde administratieve praktijk van de belastingdienst is de plaats van de dienst van een testamentuitvoerder de plaats vanwaar de ondernemer zijn dienst verricht . De plaats wordt voor deze dienstverrichtingen dus niet bepaald overeenkomstig artikel 9 , lid 2 , sub e , van de richtlijn wanneer de dienst wordt verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd . Deze wettelijke regeling en administratieve praktijk stroken niet met artikel 9 van de Zesde btw-richtlijn . Diensten die in de hoedanigheid van testamentuitvoerder worden verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd , zijn diensten waarvan de plaats moet worden bepaald overeenkomstig artikel 9 , lid 2 , sub e , van de Zesde btw-richtlijn . Anders dan de Duitse regering meent de Commissie dat de activiteiten van een testamentuitvoerder behoren tot de activiteiten die een advocaat in hoofdzaak en gewoonlijk uitoefent . Bij de beoordeling moet niet worden uitgegaan van de benaming van het beroep , maar van de activiteit zelf : beslissend is de aard van de verrichting . Het begrip ' andere soortgelijke diensten ' ziet niet op een element dat de in artikel 9 , lid 2 , sub e , derde streepje , van de Zesde btw-richtlijn genoemde activiteiten gemeen hebben . Het volstaat dat de te beoordelen dienst vergelijkbaar is met een van de in die bepaling uitdrukkelijk genoemde activiteiten . Dat is het geval wanneer beide activiteiten hetzelfde doel hebben . Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie behoren de vertegenwoordiging en de behartiging van de belangen van zijn cliënten tot de hoofdzakelijke en gewoonlijke activiteiten van een advocaat . Voor zover het Hof het heeft over ' een persoon te vertegenwoordigen en diens belangen te behartigen ' is bij de activiteit van een testamentuitvoerder aan die voorwaarde voldaan : hij vertegenwoordigt een erflater en behartigt diens belangen . Zijn activiteiten stemmen overeen met die van een onafhankelijke vertegenwoordiger en raadgever . Uit de omstandigheid dat de uitvoering van testamenten niet aan advocaten is voorbehouden , kan niet worden geconcludeerd dat met de twee activiteiten niet hetzelfde doel wordt nagestreefd . [1] PB L 145 , blz . 1 . -------------------------------------------------- Hogere voorziening ingesteld op 27 september 2006 door Chafiq Ayadi tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg ( Tweede kamer ) van 12 juli 2006 in zaak T-253 / 02 , Chafiq Ayadi / Raad van de Europese Unie Partijen Rekwirant : Chafiq Ayadi ( vertegenwoordigers : H . Miller , Solicitor , en S . Cox , Barrister ) Andere partijen in de procedure : Raad van de Europese Unie , Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland , Commissie van de Europese Gemeenschappen Conclusies Rekwirant verzoekt dat het het Hof behage : - het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zijn geheel te vernietigen ; - vast te stellen dat de artikelen 2 en 4 alsmede bijlage 1 van verordening ( EG ) nr . 881 / 2002 [1] ongeldig zijn voor zover rekwirant daardoor rechtstreeks en individueel wordt geraakt ; - de Raad te verwijzen in de kosten van rekwirant in deze hogere voorziening en in de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg Middelen en voornaamste argumenten Rekwirant voert aan dat het Gerecht van eerste aanleg blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting : a ) door niet van oordeel te zijn dat artikel 308 EG juncto de artikelen 60 EG en 301 EG de Raad niet de bevoegdheid verlenen om de bestreden voorschriften vast te stellen ; b ) door niet van oordeel te zijn dat het verlenen van de bestreden bevoegdheden inbreuk maakt op het fundamentele subsidiariteitsbeginsel en / of artikel 5 , lid 2 , EG ; c ) door niet van oordeel te zijn dat bij de vaststelling van de bestreden voorschriften een wezenlijk procedureel vereiste is geschonden , te weten het vereiste dat de Raad afdoende motiveert waarom de noodzakelijk geachte maatregelen niet door de individuele lidstaten kunnen worden vastgesteld ; d ) door van oordeel te zijn dat de besluiten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waaraan de leden van de Verenigde Naties gevolg moeten geven , bindend zijn voor de lidstaten en / of de Gemeenschap ; e ) door van oordeel te zijn dat de gemeenschapsrechter een gemeenschapsmaatregel waarbij een besluit van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wordt uitgevoerd , slechts nietig kan verklaren op basis van de maatstaf van ius cogens en door niet van oordeel te zijn dat hij een dergelijke maatregel nietig kan verklaren ter bescherming van mensenrechten die in de rechtsorde van de Verenigde Naties zijn erkend ; f ) door niet van oordeel te zijn dat de bestreden onderdelen van verordening nr . 881 / 2002 inbreuk maken op de mensenrechten van rekwirant . [1] Verordening ( EG ) nr . 881 / 2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden , het Al-Qaïda-netwerk en de Taliban , en tot intrekking van verordening nr . 467 / 2001( PB L 139 , blz . 9 ) -------------------------------------------------- Beroep ingesteld op 1 september 2006 — Landtag Schleswig-Holstein / Commissie van de Europese Gemeenschappen Partijen Verzoekende partij : Landtag Schleswig-Holstein ( vertegenwoordiger : S . Laskowski en J . Caspar ) Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen Conclusies - vast te stellen dat het Hof bevoegd is kennis te nemen van het beroep en dit beroep ontvankelijk te verklaren ; zo niet , de zaak naar het Gerecht te verwijzen ; - de besluiten van de Commissie van 10 maart 2006 ( JUR( 2006 ) 55023 ) en 23 juni 2006 ( SG / E / 3MM / flD( 2006 ) 6175 ) nietig te verklaren ; - de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten . Middelen en voornaamste argumenten Verzoeker komt op tegen het besluit van de Commissie van 10 maart 2006 en het op 26 juni 2006 verzonden besluit van 23 juni 2006 waarbij het verzoek van de Landtag Schleswig-Holstein om volledige toegang te krijgen tot intern document SEC ( 2005 ) 420 van de Commissie van 22 maart 2005 is afgewezen . Document ( 2005 ) 420 bevat de juridische motivering van de keuze van artikel 95 EG als rechtsgrondslag voor richtlijn 2006 / 24 / EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002 / 58 / EG [1] , waarnaar in de motivering voor richtlijnvoorstel COM ( 2005 ) 438 def . van de Commissie ( blz . 7 ) wordt verwezen . De onderzoeksdienst van de Landtag Schleswig-Holstein had dit verzoek ingediend om een juridisch advies te kunnen formuleren over de mogelijke gevolgen van richtlijn 2006 / 24 / EG voor de immuniteit van de parlementsleden . Verzoeker betoogt dat de afwijzende besluiten en de weigering om volledige toegang te verlenen tot het betrokken document SEC ( 2005 ) 420 op de volgende in artikel 230 , lid 2 , EG genoemde gronden nietig zijn : - niet-nakoming van de verplichting tot loyale samenwerking in de zin van artikel 10 EG juncto artikel 1 , lid 2 , EU en schending van het recht op toegang tot documenten in de zin van artikel 255 EG en artikel 2 , lid 1 , van verordening nr . 1049 / 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten , junctis artikel 10 EG en artikel 1 , lid 2 , EU , alsook - misbruik van bevoegdheid . De Commissie is krachtens artikel 10 EG juncto artikel 1 , lid 2 , EU verplicht de Landtag Schleswig-Holstein als instelling van een lidstaat in het kader van de wederzijdse plicht tot loyale samenwerking en met inachtneming van het transparantiebeginsel toegang tot het betrokken document te verschaffen , aangezien het publiek en het parlement groot belang hebben bij de volledige openbaarmaking ervan . Verzoeker baseert zijn verzoek om volledige toegang tot het betrokken document te krijgen aanvullend op artikel 255 EG en artikel 2 , lid 1 , van verordening nr . 1049 / 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten , junctis artikel 10 EG en artikel 1 , lid 2 , EU en stelt dat de Commissie de weigering om toegang te verlenen tot het document ten onrechte op artikel 4 , lid 2 , tweede streepje , van verordening nr . 1049 / 2001 heeft gebaseerd en een beoordelingsfout heeft gemaakt , aangezien de openbaarmaking van het document niet zou leiden tot ondermijning van de bescherming van de juridische adviezen van de Commissie . [1] PB L 105 , blz . 54 . -------------------------------------------------- Verzoekster : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : N . Yerrell en G . Braga da Cruz , gemachtigden ) Verweerster : Portugese Republiek Beroep ingesteld op 9 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Europees Parlement , Raad van de Europese Unie Partijen Verzoekende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : M . Konstantinidis en M . Huttunen , gemachtigden ) Verwerende partijen : Europees Parlement , Raad van de Europese Unie Conclusies - nietig te verklaren , verordening ( EG ) nr . 1013 / 2006 [1] van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen ; - vast te stellen , dat de gevolgen van de nietigverklaarde verordening worden gehandhaafd totdat het Europees Parlement en de Raad binnen een redelijke termijn een nieuwe handeling hebben vastgesteld die is gebaseerd op de passende rechtsgrondslagen , namelijk de artikelen 175 , lid 1 , en 133 EG , en in de overwegingen van de considerans dienovereenkomstig wordt gerechtvaardigd ; - het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie te verwijzen in de kosten . Middelen en voornaamste argumenten De Commissie betoogt dat haar keuze voor een dubbele rechtsgrondslag berust op de in de rechtspraak van het Hof ontwikkelde criteria , te weten het doel en de inhoud van de handeling . Deze keuze is gebaseerd op het inzicht dat de verordening , zowel wat haar doelstellingen als haar inhoud betreft , twee met elkaar verbonden componenten heeft , zonder dat de ene secundair of indirect is ten opzichte van de andere , waarbij de ene onder de gemeenschappelijke handelspolitiek en de andere onder het milieubeschermingsbeleid valt . Volgens de Commissie hebben het Europees Parlement en de Raad in strijd met het Verdrag gehandeld door de verordening uitsluitend op artikel 175 , lid 1 , EG te baseren , en artikel 133 EG als tweede rechtsgrondslag weg te laten . Overeenkomstig artikel 231 , lid 1 , EG vormt de nietigverklaring van de verordening de aangewezen weg om deze inbreuk ongedaan te maken . [1] PB L 190 , blz . 1 . -------------------------------------------------- Hogere voorziening ingesteld op 13 oktober 2006 door het Koninkrijk België tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg ( Tweede kamer ) van 25 juli 2006 in zaak T-221 / 04 , België / Commissie Partijen Rekwirant : Koninkrijk België ( vertegenwoordigers : A . Hubert , gemachtigde , H . Gilliams , P . de Bandt en L . Goossens , advocaten ) Andere partij in de procedure : Commissie van de Europese Gemeenschappen Conclusies - vernietiging van het arrest van het Gerecht van 25 juli 2006 in zaak T-221 / 04 en , rechtdoende op het door rekwirant ingestelde beroep , nietigverklaring van beschikking 2004 / 136 / EG [1] van de Commissie van 4 februari 2004 ; - subsidiair , vernietiging van het arrest van het Gerecht van 25 juli 2006 in zaak T-221 / 04 , en op basis van zijn volledige rechtsmacht , vermindering van de door de Commissie in haar beschikking 2004 / 136 / EG toegepaste correctie van 9322809 EUR tot een bedrag van 1491085 EUR ; - uiterst subsidiair , vernietiging van het arrest van het Gerecht van 25 juli 2006 in zaak T-221 / 04 en terugwijzing van de zaak naar het Gerecht ; - verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure voor het Hof en van de procedure voor het Gerecht . Middelen en voornaamste argumenten Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant vier middelen aan . In zijn eerste middel stelt rekwirant dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat of , althans , deze feiten en de daaruit te trekken rechtsgevolgen juridisch onjuist heeft gekwalificeerd . Volgens rekwirant is het volledige arrest immers gebaseerd op een verkeerde feitelijke premisse aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat het Belgische computersysteem voor grafische codering van landbouwpercelen ( ' SIG-systeem ' ) als meetinstrument meer met de werkelijkheid overeenkomt dan de oppervlaktegegevens die de exploitanten zelf hebben aangegeven , terwijl de juiste oppervlakte van een landbouwperceel slechts formeel en onbetwistbaar kan worden vastgesteld hetzij door een opmeting door een persoon die daartoe de nodige kwalificaties bezit , hetzij door foto-interpretatie van satellietbeelden die in het kader van teledetectie zijn genomen . In zijn tweede middel , dat uit vijf onderdelen bestaat , stelt rekwirant schending van de artikelen 6 , lid 7 , en 8 van verordening ( EEG ) nr . 3508 / 92 [2] alsmede van de artikelen 6 en 9 van verordening ( EEG ) nr . 3887 / 92 [3] doordat het Gerecht met name ten onrechte heeft geoordeeld dat rekwirant zich moest houden aan impliciete regels die noodzakelijk zijn voor de naleving van expliciete regels , en dat het door de Belgische autoriteiten ingevoerde controlesysteem niet doeltreffend is bij gebreke van follow-up de van het SIG-systeem afkomstige gegevens en de gegevens bovendien met vertraging worden ingevoerd . Rekwirant voert voorts aan dat het Gerecht zijn arrest op verschillende punten ontoereikend en / of op tegenstrijdige wijze heeft gemotiveerd . Het derde middel betreft een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel , aangezien de maximale schade die het EOGFL volgens rekwirant heeft geleden , veel lager is dan het bedrag van de forfaitaire correctie . Ten slotte is rekwirant in zijn vierde middel van mening dat het Gerecht zijn vordering dat het Gerecht op basis van zijn volledige rechtsmacht de forfaitaire correctie vermindert , ten onrechte heeft afgewezen . Dat er in geen enkele uitdrukkelijke bepaling een volledige rechtsmacht aan de gemeenschapsrechter wordt toegekend , betekent immers niet ipso facto dat hij niet over een dergelijke rechtsmacht beschikt . [1] Beschikking 2004 / 136 / EG van de Commissie van 4 februari 2004 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw ( EOGFL ) , afdeling ' Garantie ' , hebben verricht ( PB L 40 , blz . 31 ) . [2] Verordening ( EEG ) nr . 3508 / 92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen ( PB L 355 , blz . 1 ) . [3] Verordening ( EEG ) nr . 3887 / 92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen ( PB L 391 , blz . 36 ) , zoals gewijzigd bij verordening ( EG ) nr . 1648 / 95 van de Commissie van 6 juli 1995 ( PB L 156 , blz . 27 ) . -------------------------------------------------- Beschikking van de president van de Eerste kamer van het Hof van 6 september 2006 — Republiek Oostenrijk / Europees Parlement , Raad van de Europese Unie ( Zaak C-161 / 04 ) [1] Beschikking van de president van de Tweede kamer van het Hof van 4 augustus 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Innsbruck — Oostenrijk ) –Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols / Land Tirol ( Zaak C-339 / 05 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 14 september 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie — België ) –Samotor SPRL / Belgische Staat ( Zaak C-378 / 05 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 24 juli 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden — Nederland ) — Staatsecretaris van Financiën / P . Jurriëns Beheer BV ( Zaak C-406 / 05 ) [1] ( 2006 / C 294 / 64 ) Procestaal : Nederlands De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast . [1] PB C 22 van 28 . 1 . 2006 . -------------------------------------------------- Beschikking van de president van het Hof van 10 oktober 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Franse Republiek ( Zaak C-414 / 05 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 11 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Italiaanse Republiek ( Zaak C-449 / 05 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 8 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Franse Republiek ( Zaak C-18 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 15 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Franse Republiek ( Zaak C-19 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 21 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk België ( Zaak C-42 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 17 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Groothertogdom Luxemburg ( Zaak C-47 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 25 juli 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Koninkrijk Spanje ( Zaak C-52 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 11 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Helleense Republiek ( Zaak C-67 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 31 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Italiaanse Republiek ( Zaak C-81 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 31 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Helleense Republiek ( Zaak C-107 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 19 september 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Groothertogdom Luxemburg ( Zaak C-113 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 19 september 2006 ( verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeitsgericht Berlin — Duitsland ) –Annette Radke / Achterberg Service GmbH %amp% Co KG ( Zaak C-115 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 21 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Helleense Republiek ( Zaak C-123 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 8 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Groothertogdom Luxemburg ( Zaak C-128 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 23 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Ierland ( Zaak C-137 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 8 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Groothertogdom Luxemburg ( Zaak C-151 / 06 ) [1] Beschikking van de president van het Hof van 8 augustus 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen / Groothertogdom Luxemburg ( Zaak C-236 / 06 ) [1] Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — GlaxoSmithKline Services / Commissie ( Zaak T-168 / 01 ) [1] Partijen Verzoekende partij : GlaxoSmithKline Services , voorheen Glaxo Wellcome plc , ( Brentford , Middlesex , Verenigd Koninkrijk ) ( vertegenwoordigers : S . Martínez Lage , advocaat , I . Forrester , QC , F . Depoortere , A . Schulz , T . Louko en I . Vandenborre , advocaten ) Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : aanvankelijk P . Oliver , vervolgens É . Gippini Fournier , gemachtigden ) Interveniënten aan de zijde van verwerende partij : European Association of Euro Pharmaceutical Companies ( EAEPC ) ( Brussel , België ) , ( vertegenwoordigers : aanvankelijk U . Zinsmeister en M . Lienemeyer , vervolgens A . Martin-Ehlers en ten slotte M . Hartmann Rüppel , advocaten ) ; Bundesverband der Arzneimittell-Importeure eV ( Mülheim an der Ruhr , Duitsland ) , ( vertegenwoordigers : aanvankelijk M . Epping en W . Rehmann , vervolgens door Rehmann , advocaten ) ; Spain Pharma , SA ( Madrid , Spanje ) ( vertegenwoordigers : P . Muñoz Carpena , B . Ortúzar Somoza en R . Gutiérrez Sánchez , advocaten ) ; en Asociación de exportadores españoles de productos farmacéuticos ( Aseprofar ) ( Madrid , Spanje ) ( vertegenwoordigers : aanvankelijk M . Araujo Boyd en R . Sanz , vervolgens Araujo Boyd en J . L . Buendia Sierra , advocaten ) Voorwerp Verzoek om nietigverklaring van beschikking 2001 / 791 / EG van de Commissie van 8 mei 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag [Zaken IV / 36 . 957 / F3 — Glaxo Wellcome ( aanmelding ) , IV / 36 . 997 / F3 — Aseprofar en Fedifar ( klacht ) , IV / 37 . 121 / F3 — Spain Pharma ( klacht ) , IV / 37 . 138 / F3 — BAI ( klacht ) en IV / 37 . 380 / F3 — EAEPC ( klacht ) ] ( PB L 302 , blz . 1 ) . Dictum 1 ) De artikelen 2 , 3 en 4 van beschikking 2001 / 791 / EG van de Commissie van 8 mei 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag [Zaken IV / 36 . 957 / F3 — Glaxo Wellcome ( aanmelding ) , IV / 36 . 997 / F3 — Aseprofar en Fedifar ( klacht ) , IV / 37 . 121 / F3 — Spain Pharma ( klacht ) , IV / 37 . 138 / F3 — BAI ( klacht ) en IV / 37 . 380 / F3 — EAEPC ( klacht ) ] worden nietig verklaard . 2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige . 3 ) GlaxoSmithKline Services Unlimited zal de helft van haar eigen kosten dragen , alsmede de helft van de kosten van de Commissie , met inbegrip van de door de interventies opgekomen kosten . 4 ) De Commissie zal de helft van haar eigen kosten dragen , alsmede de helft van de kosten van GlaxoSmithKline Services , met inbegrip van de door de interventies opgekomen kosten . 5 ) Asociación de exportadores españoles de productos farmacéuticos ( Aseprofar ) , Bundesverband der Arzneimittell-Importeure eV , European Association of Euro Pharmaceutical Companies ( EAEPC ) en Spain Pharma , SA , zullen ieder hun eigen kosten dragen . [1] PB C 275 van 29 . 9 . 2001 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Archer Daniels Midland / Commissie ( Zaak T-329 / 01 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Archer Daniels Midland Co . ( Decatur , Illinois , Verenigde Staten ) ( vertegenwoordigers : C . O . Lenz , advocaat , L . Martin Alegi , M . Garcia en M . E . Batchelor , solicitors ) Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : A . Whelan , A . Bouquet en W . Wils , gemachtigden ) Voorwerp Primair , een beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van beschikking C( 2001 ) 2931 def . van de Commissie van 2 oktober 2001 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst ( COMP / E-1 / 36 . 756 — Natriumgluconaat ) , voor zover het verzoekster betreft , of althans voor zover daarbij wordt vastgesteld dat zij na 4 oktober 1994 aan een inbreuk heeft deelgenomen , en een beroep tot nietigverklaring van artikel 3 van die beschikking voor zover het verzoekster betreft , alsmede subsidiair , een beroep tot nietigverklaring of verlaging van de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete Dictum 1 ) Het beroep wordt verworpen . 2 ) Archer Daniels Midland Co . wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 84 van 6 . 4 . 2002 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Jungbunzlauer / Commissie ( Zaak T-43 / 02 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Jungbunzlauer AG ( Basel , Zwitserland ) ( vertegenwoordigers : R . Bechtold , U . Soltész en M . Karl , advocaten ) Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : P . Oliver , gemachtigde , bijgestaan door H . Freund , advocaat ) Interveniërende partij aan de zijde van verwerende partij : Raad van de Europese Unie ( vertegenwoordigers : E . Karlsson en S . Marquardt , gemachtigden ) Voorwerp Primair , een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2002 / 742 / EG van 5 december 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst ( COMP / E-1 / 36 . 604 — Citroenzuur ) ( PB 2002 , L 239 , blz . 18 ) , en , subsidiair , een beroep tot verlaging van de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete . Dictum 1 ) Het beroep wordt verworpen . 2 ) Jungbunzlauer AG zal haar eigen kosten dragen , alsmede de kosten van de Commissie . 3 ) De Raad zal zijn eigen kosten dragen . [1] PB C 97 van 20 . 4 . 2002 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Dresdner Bank e . a . / Commissie ( Gevoegde zaken T- 44 / 02 OP , T-54 / 02 OP , T-56 / 02 OP , T-60 / 02 OP en T-61 / 02 OP ) [1] Partijen Voorwerp Verzet van de Commissie tegen de bij verstek gewezen arresten van het Gerecht van 14 oktober 2004 in de zaken Dresdner Bank / Commissie ( T-44 / 02 , niet gepubliceerd in de Jurisprudentie ) , Vereins- und Westbank / Commissie ( T-54 / 02 , niet gepubliceerd in de Jurisprudentie ) , Bayerische Hypo- und Vereinsbank / Commissie ( T-56 / 02 , Jurispr . blz . II-3495 ) , Deutsche Verkehrsbank / Commissie ( T-60 / 02 , niet gepubliceerd in de Jurisprudentie ) , en Commerzbank / Commissie ( T-61 / 02 , niet gepubliceerd in de Jurisprudentie ) 1 ) Het verzet wordt verworpen . 2 ) De Commissie wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 109 van 4 . 5 . 2002 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Archer Daniels Midland / Commissie ( Zaak T-59 / 02 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Archer Daniels Midland Co ( Decatur , Illinois , Verenigde Staten ) ( vertegenwoordigers : C . O . Lenz , advocaat , L . Martin Alegi , M . Garcia en M . E . Batchelor , solicitors ) Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordiger : P . Oliver , gemachtigde ) Voorwerp Primair , een beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van beschikking 2002 / 742 / EG van de Commissie van 5 december 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst ( COMP / E-1 / 36 . 604 — Citroenzuur ) ( PB 2002 , L 239 , blz . 18 ) , voor zover daarbij wordt vastgesteld dat verzoekster inbreuk heeft gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst door deel te nemen aan de beperking van de capaciteiten van de betrokken markt en aan de aanwijzing van een producent die op elk nationaal segment van die betrokken markt de aanzet moest geven tot de prijsverhogingen , een beroep tot nietigverklaring van artikel 3 van die beschikking voor zover het betrekking heeft op verzoekster , en subsidiair , een beroep tot verlaging van de aan haar opgelegde geldboete . Dictum 1 ) Artikel 1 van beschikking 2002 / 742 / EG van de Commissie van 5 december 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst ( COMP / E-1 / 36 . 604 — Citroenzuur ) , wordt nietig verklaard voor zover het , gelezen in samenhang met punt 158 , vaststelt dat Archer Daniels Midland Co productiecapaciteit voor citroenzuur heeft bevroren , beperkt en gesloten . 2 ) Artikel 1 van beschikking 2002 / 742 wordt nietig verklaard voor zover het , gelezen in samenhang met punt 158 , vaststelt dat Archer Daniels Midland Co de producent heeft aangewezen die op elk nationaal segment van de relevante markt de aanzet moest geven tot de prijsverhogingen . 3 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige . 4 ) De Commissie wordt verwezen in een tiende van de kosten van Archer Daniels Midland Co . 5 ) Archer Daniels Midland Co wordt verwezen in de rest van haar eigen kosten en in de kosten van de Commissie . [1] PB C 144 van 15 . 6 . 2002 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Haladjian Frères / Commissie ( Zaak T-204 / 03 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Haladjian Frères SA ( Sorgues , Frankrijk ) ( vertegenwoordiger : N . Coutrelis , advocaat ) Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : A . Whelan en O . Beynet , gemachtigden , bijgestaan door D . Waelbroeck , advocaat ) Interveniëntes aan de zijde van verwerende partij : Caterpillar , Inc . ( Peoria , Illinois , Verenigde Staten ) en Caterpillar Group Services SA ( Charleroi , België ) ( vertegenwoordigers : aanvankelijk N . Levy , solicitor , en S . Kingston , barrister , vervolgens N . Levy en T . Graf , advocaat ) Voorwerp Vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 1 april 2003 houdende afwijzing van de door Haladjian Frères SA tegen Caterpillar , Inc . ingediende klacht betreffende inbreuken op de artikelen 81 EG en 82 EG . Dictum 1 ) Het beroep wordt verworpen . 2 ) Verzoekster zal haar eigen kosten dragen alsmede de kosten van de Commissie en van interveniëntes . [1] PB C 200 van 23 . 8 . 2003 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Werkgroep Commerciële Jachthavens Zuidelijke Randmeren e . a . / Commissie ( Zaak T-117 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partijen : Vereniging Werkgroep Commerciële Jachthavens Zuidelijke Randmeren ( Zeewolde , Nederland ) ; Jachthaven Zijl Zeewolde BV ( Zeewolde ) ; Maatschappij tot exploitatie van onroerende goederen Wolderwijd II BV ( Zeewolde ) ; Jachthaven Strand-Horst BV ( Ermelo , Nederland ) ; Recreatiegebied Erkemederstrand vof ( Zeewolde ) ; Jachthaven- en Campingbedrijf Nieuwboer BV ( Bunschoten-Spakenburg , Nederland ) ; Jachthaven Naarden BV ( Naarden , Nederland ) ( vertegenwoordigers : T . Ottervanger , A . Bijleveld en A . van den Oord , advocaten Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : H . van Vliet , A . Bouquet en A . Nijenhuis , gemachtigden ) Interveniënt aan de zijde van verwerende partij : Koninkrijk der Nederlanden ( vertegenwoordigers : H . Sevenster en M . de Grave , gemachtigden ) Voorwerp Nietigverklaring van beschikking 2004 / 114 / EG van de Commissie van 29 oktober 2003 betreffende de door Nederland ten uitvoer gelegde steunmaatregelen ten gunste van jachthavens zonder winstoogmerk in Nederland ( PB L 34 , blz . 63 ) Dictum 1 ) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard . 2 ) Verzoeksters dragen hun eigen kosten en die van de Commissie . Het Koninkrijk der Nederlanden zal zijn eigen kosten dragen . [1] PB C 118 van 30 . 4 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Ferriere Nord / Commissie ( Zaak T-153 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Ferriere Nord SpA ( Osoppo , Italië ) ( vertegenwoordigers : W . Viscardini en G . Donà , advocaten ) Verwerende partij : Commissie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : A . Nijenhuis en A . Whelan , gemachtigden , bijgestaan door A . Colabianchi , advocaat ) Voorwerp Verzoek tot nietigverklaring van de bij brief van 5 februari 2004 en bij faxbericht van 13 april 2004 meegedeelde beschikkingen van de Commissie betreffende het niet-aangezuiverde saldo van de geldboete die aan verzoekster is opgelegd bij beschikking 89 / 515 / EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag ( IV / 31 . 553 — Betonstaalmatten ) ( PB L 260 , blz . 1 ) Dictum 1 ) De bij brief van 5 februari en bij faxbericht van 13 april 2004 meegedeelde beschikkingen van de Commissie betreffende het niet-aangezuiverde saldo van de boete die aan verzoekster is opgelegd bij beschikking 89 / 515 / EEG van de Commissie van 2 augustus 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag ( IV / 31 . 553 — Betonstaalmatten ) , worden nietig verklaard . 2 ) De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster . [1] PB C 168 van 26 . 6 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Telefónica / BHIM — Branch ( emergia ) ( Zaak T-172 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Telefónica , SA ( Madrid , Spanje ) ( vertegenwoordiger : A . Sirimarco , advocaat ) Verwerende partij : Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt ( merken , tekeningen en modellen ) ( vertegenwoordiger : J . Laporta Insa , gemachtigde ) Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM , interveniërend voor het Gerecht : David Branch ( Reading , Verenigd Koninkrijk ) ( vertegenwoordigers : aanvankelijk C . Berenguer Marsal , vervolgens I . M . Barroso Sánchez-Lafuente en M . C . Trullols Durán , advocaten ) Voorwerp Beroep strekkende tot vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 12 maart 2004 ( zaak R 676 / 2002-1 ) inzake een oppositieprocedure tussen David Branch en Telefónica , SA Dictum 1 ) Het beroep wordt verworpen . 2 ) Verzoekster wordt verwezen in de kosten . [1] PB C 179 van 10 . 7 . 2004 . -------------------------------------------------- Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 — Kontouli / Raad ( Zaak T-416 / 04 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Anna Kontouli ( vertegenwoordigers : aanvankelijk V . Akritidis en M . Tragalou , vervolgens V . Akritidis , advocaten ) Verwerende partij : Raad van de Europese Unie ( vertegenwoordigers : M . Sims en D . Zahariou , gemachtigden ) Voorwerp Enerzijds , verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Raad van 5 december 2003 houdende intrekking van de toepassing op verzoeksters invaliditeitspensioen van de voor het Verenigd Koninkrijk vastgestelde correctiecoëfficiënt , en , anderzijds , verzoek om schadevergoeding Dictum 1 ) Het besluit van de Raad van 5 december 2003 houdende intrekking van de toepassing op verzoeksters invaliditeitspensioen van de voor het Verenigd Koninkrijk vastgestelde correctiecoëfficiënt wordt nietig verklaard voor zover deze toepassing daarbij met terugwerkende kracht voor de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 december 2003 wordt ingetrokken . 2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige . 3 ) De Raad wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in een derde van de kosten van verzoekster . [1] PB C 31 van 5 . 2 . 2005 . -------------------------------------------------- Verzoekende partij : Dimitra Lantzoni ( Übersyren , Luxemburg ) ( vertegenwoordiger : M . Bouché , advocaat ) Verwerende partij : Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordiger : M . Schauss , gemachtigde ) Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 3 oktober 2006 — Nijs / Rekenkamer ( Zaak T-171 / 05 ) [1] Partijen Verzoekende partij : Bart Nijs ( Bereldange , Luxemburg ) ( vertegenwoordiger : F . Rollinger , advocaat ) Verwerende partij : Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen ( vertegenwoordigers : T . Kennedy , J . -M . Stenier en G . Corstens , gemachtigden ) Voorwerp Enerzijds , nietigverklaring van het besluit houdende definitieve vaststelling van verzoekers beoordelingsrapport voor het jaar 2003 , van het besluit houdende toekenning van de punten voor verdiensten van verzoeker voor het jaar 2003 , van het besluit om hem niet te bevorderen in 2004 en van het besluit tot afwijzing van de tegen die besluiten ingediende klacht , en , anderzijds , verzoek om schadevergoeding Dictum 1 ) De besluiten van de Rekenkamer houdende toekenning aan verzoeker van zijn punten voor verdiensten voor het jaar 2003 en om hem niet te bevorderen in 2004 , worden nietig verklaard . 2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige . 3 ) De Rekenkamer zal haar eigen kosten dragen en de helft van de kosten van verzoeker . 4 ) Verzoeker zal alle de kosten van de kortgedingprocedures dragen . [1] PB C 182 van 23 . 7 . 2005 . -------------------------------------------------- Wisselkoersen van de euro [1] 4 december 2006 ( 2006 / C 295 / 01 ) | Munteenheid | Koers | USD | US-dollar | 1 ,3309 | JPY | Japanse yen | 153 ,89 | DKK | Deense kroon | 7 ,4577 | GBP | Pond sterling | 0 ,67340 | SEK | Zweedse kroon | 9 ,0330 | CHF | Zwitserse frank | 1 ,5932 | ISK | IJslandse kroon | 90 ,42 | NOK | Noorse kroon | 8 ,1565 | BGN | Bulgaarse lev | 1 ,9558 | CYP | Cypriotische pond | 0 ,5780 | CZK | Tsjechische koruna | 28 ,003 | EEK | Estlandse kroon | 15 ,6466 | HUF | Hongaarse forint | 256 ,43 | LTL | Litouwse litas | 3 ,4528 | LVL | Letlandse lat | 0 ,6978 | MTL | Maltese lira | 0 ,4293 | PLN | Poolse zloty | 3 ,8159 | RON | Roemeense leu | 3 ,4383 | SIT | Sloveense tolar | 239 ,67 | SKK | Slowaakse koruna | 35 ,550 | TRY | Turkse lira | 1 ,9417 | AUD | Australische dollar | 1 ,6904 | CAD | Canadese dollar | 1 ,5208 | HKD | Hongkongse dollar | 10 ,3447 | NZD | Nieuw-Zeelandse dollar | 1 ,9359 | SGD | Singaporese dollar | 2 ,0536 | KRW | Zuid-Koreaanse won | 1234 ,41 | ZAR | Zuid-Afrikaanse rand | 9 ,5348 | CNY | Chinese yuan renminbi | 10 ,4176 | HRK | Kroatische kuna | 7 ,3730 | IDR | Indonesische roepia | 12177 ,74 | MYR | Maleisische ringgit | 4 ,7753 | PHP | Filipijnse peso | 66 ,246 | RUB | Russische roebel | 34 ,8700 | THB | Thaise baht | 47 ,739 | [1] Bron : door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers . -------------------------------------------------- Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie ( Zaak nr . COMP / M . 4348 — PKN / Mazeikiu ) ( Voor de EER relevante tekst ) ( 2006 / C 295 / 06 ) Op 7 november 2006 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren . Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6 , lid 1 , onder b ) , van Verordening ( EG ) nr . 139 / 2004 van de Raad . De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen . De tekst is beschikbaar : - op de website ' concurrentie ' van de Europese Commissie ( http : / / ec . europa . eu / comm / competition / mergers / cases / ) . Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken , onder meer op bedrijfsnaam , nummer van de zaak , datum en sector ; - in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32006M4348 . EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving . ( http : / / eur-lex . europa . eu ) -------------------------------------------------- Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie ( Zaak nr . COMP / M . 4370 — EBN / COGAS Energy ) ( Voor de EER relevante tekst ) ( 2006 / C 295 / 07 ) Op 28 september 2006 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren . Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6 , lid 1 , onder b ) , van Verordening ( EG ) nr . 139 / 2004 van de Raad . De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen . De tekst is beschikbaar : - op de website ' concurrentie ' van de Europese Commissie ( http : / / ec . europa . eu / comm / competition / mergers / cases / ) . Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken , onder meer op bedrijfsnaam , nummer van de zaak , datum en sector ; - in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32006M4370 . EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving . ( http : / / eur-lex . europa . eu ) -------------------------------------------------- Door de Europese Centrale Bank toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties [1] : 3 ,30 % per 1 december 2006 Wisselkoersen van de euro [2] 5 december 2006 ( 2006 / C 296 / 01 ) | Munteenheid | Koers | USD | US-dollar | 1 ,3331 | JPY | Japanse yen | 152 ,74 | DKK | Deense kroon | 7 ,4559 | GBP | Pond sterling | 0 ,67430 | SEK | Zweedse kroon | 9 ,0495 | CHF | Zwitserse frank | 1 ,5885 | ISK | IJslandse kroon | 90 ,65 | NOK | Noorse kroon | 8 ,1300 | BGN | Bulgaarse lev | 1 ,9558 | CYP | Cypriotische pond | 0 ,5781 | CZK | Tsjechische koruna | 28 ,019 | EEK | Estlandse kroon | 15 ,6466 | HUF | Hongaarse forint | 255 ,50 | LTL | Litouwse litas | 3 ,4528 | LVL | Letlandse lat | 0 ,6980 | MTL | Maltese lira | 0 ,4293 | PLN | Poolse zloty | 3 ,8140 | RON | Roemeense leu | 3 ,4415 | SIT | Sloveense tolar | 239 ,66 | SKK | Slowaakse koruna | 35 ,535 | TRY | Turkse lira | 1 ,9330 | AUD | Australische dollar | 1 ,6946 | CAD | Canadese dollar | 1 ,5204 | HKD | Hongkongse dollar | 10 ,3598 | NZD | Nieuw-Zeelandse dollar | 1 ,9422 | SGD | Singaporese dollar | 2 ,0509 | KRW | Zuid-Koreaanse won | 1232 ,25 | ZAR | Zuid-Afrikaanse rand | 9 ,5170 | CNY | Chinese yuan renminbi | 10 ,4272 | HRK | Kroatische kuna | 7 ,3617 | IDR | Indonesische roepia | 12151 ,87 | MYR | Maleisische ringgit | 4 ,7412 | PHP | Filipijnse peso | 66 ,095 | RUB | Russische roebel | 34 ,8930 | THB | Thaise baht | 47 ,489 | [1] Rentevoet die is toegepast op de laatst uitgevoerde transactie vóór de opgegeven dag . In geval van een tender met variabele rente , verwijst deze rentevoet naar de marginale interestvoet . [2] Bron : door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers . -------------------------------------------------- Besluit om geen bezwaar aan te tekenen tegen een aangemelde concentratie ( Zaak nr . COMP / M . 4438 — Macquairie / Thames Water ) ( Voor de EER relevante tekst ) ( 2006 / C 296 / 11 ) Op 28 november 2006 heeft de Commissie besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen bovenvermelde aangemelde concentratie en deze verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren . Deze beschikking is gebaseerd op artikel 6 , lid 1 , onder b ) , van Verordening ( EG ) nr . 139 / 2004 van de Raad . De volledige tekst van de beschikking is slechts beschikbaar in het Engels en zal openbaar worden gemaakt na verwijdering van eventuele bedrijfsgeheimen . De tekst is beschikbaar : - op de website ' concurrentie ' van de Europese Commissie ( http : / / ec . europa . eu / comm / competition / mergers / cases / ) . Deze website biedt verschillende mogelijkheden om individuele concentratiebeschikkingen op te zoeken , onder meer op bedrijfsnaam , nummer van de zaak , datum en sector ; - in elektronische vorm op de EUR-Lex website onder documentnummer 32006M4438 . EUR-Lex is het geïnformatiseerde documentatiesysteem voor de communautaire wetgeving . ( http : / / eur-lex . europa . eu ) --------------------------------------------------