WikiZoeken:

Main.SideBar (edit)

Recent Changes Printversie Pagina Aanpassingen Wijzig Pagina
ALS EEN GROTE GENADE

Herinneringen van Toon van den Bosch aan de eerste ontmoeting in de jaren dertig met zijn vrouw, 5 augustus 1947

De meest verre herinnering die ik aan je heb, is een van die beelden die als ’n momentopname in mijn hoofd zitten van gebeurtenissen en ogenblikken uit het verleden, flitsen die vastzitten in het geheugen en op ieder ogenblik als uit ’n kaartsysteem kunnen worden tevoorschijn gehaald, steeds en altijd eender en zonder enige verandering.

Ik zie je op die afbeelding voor het huis van Frencken van de Arendstraat naar de Keiweg gaan met twee of drie kinderen aan de hand en het groene baretje fel schuin boven een paar lachende kijkers, terwijl ik mezelf aan de overkant van de straat in tegenovergestelde richting tussen een paar vrienden zie wandelen, ’n hand jongensachtig opgeheven om je te groeten. Dit is de eerste keer dat ik jou gezien heb. Ik weet niet hoe lang daarna de bewuste Gouden Bruiloft van Ernst in onze straat gevierd is, de Bruiloft waar wij elkaar hebben ontmoet en het feest is begonnen, maar wel weet ik dat ik pas veel later, misschien pas toen we al lang en breed man en vrouw waren die eerste ontmoeting in mijn geheugenarchief ontdekt heb.

De ontmoeting in de poort bij Terneldeli, waar gij heel druk doende was met de andere buurmeisjes kleurige slingers te maken voor de versiering van de Kloosterstraat, kan ik me nog goed voor de geest halen, maar het echte feest is pas begonnen diezelfde avond toen we samen een brief hebben gepost. Ik weet precies hoe we samen gegaan zijn, de woorden die wij tegen elkaar gezegd hebben zou ik niet meer weten te vinden, maar het waren verlegen en onhandige woorden, woorden waardoor we elkaar onze verwondering moesten meedelen over de onbegrijpelijke wonderbare maar zekere zekerheid van onze liefde voor het leven.

Pas later heb ik mij er rekenschap van gegeven dat ik die avond zonder de minste twijfel was dat nu een nieuw en wonderbaar leven ging beginnen, ook voordat mijn eigenlijke verlegen jongensvraag of gij mijn meisje wilde zijn beantwoord was. Pas later heb ik het kunnen ontleden, maar op dat ogenblik heb ik het gevoeld. Het orkest was aan het preluderen. Uit verwarde klanken van het stemmende orkest, die voor de toekomst de volle schoonheid van een reine levenssymphonie beloofden klonken reeds in korte roepen de lokkende fluit en lievende hobo, een rustig wijs fagot gefrasel en een cellostreek die pijnlijk naar nog schoner smeekt.

Een paar dagen later is het orkest pas aan de schone symphonie begonnen. ’t Was een mooie zomeravond dat we na de korte kennismaking in het portaaltje van het huis in de Kloosterstraat waar mijnheer en mevrouw waren uitgegaan ons eerste stille samenzijn beleefden. Wat kan een kleine ruimte wijd zijn. Wat kan een klein portaaltje tot een wereldwijde lusthof worden waar God ons zelf zijn gaven geeft. Zo heb ik jou van het eerste ogenblik af gezien, dankbaar aanvraard en bewaard naar mijn beste krachten, als een bijzondere gave van O.L. Heer, als een grote genade.

Hoe zal ik ooit deze allerschoonste avond kunnen beschrijven, onder woorden kunnen brengen wat ik toen heb gevoeld en hoe gelukkig ik toen was. Hoe ik recht uit Gods hand ’n rozenknop te beminnen kreeg die voor mij, daar was ik zeker van, als een reine bloem vol weelde openbloeien zou. Gij was niet het eerste meisje waarmee ik scharrelde, twee, misschien drie waarmee ik begonnen ben, maar dan was er nooit dat zekere, dan was het alsof ik zelf een keus maakte met alle verantwoording en risico voor mezelf, terwijl ik jou, mijn kleine meisje, van O.L. Heer gekregen heb, zoals God persoonlijk aan Adam zijn Eva gegeven heeft, de vrouw, mijn levensgezellinneke zonder meer als een antwoord op het vragen van mijn eenzaam hunkerend hart evenals bij Adam.

Ik stond in dat portaaltje bij jou zoals Adam gestaan zal hebben in het aards paradijs bij het eerste samenzijn met zijn gebedsverhoring die God voor hem gemaakt had, het wonder, de Vrouw, het geheimzinnige, het reine, het broze, het schone, het tere, het zachte, het goede, het grootste wonder “mijn eigen Vrouw”. De schone symphonie was al begonnen, de zuivere klanken stoeiden elkaar achterna, verwachtingsvolle melodieën strengelden zich dooreen, maar het duidelijke hoofdmotief van onze levenssymphonie zou pas op het einde van de avond klinken.

Tijdens de feestdagen in onze straat had je met mijn oudste zuster en ‘n paar andere buurmeisjes bij ons thuis ’n bakske gedronken. Daar was het dat de twee liefste wezens van heel de wereld elkaar voor de eerste keer samenvonden, mijn Moeder en gij mijn kleine meisje en vanaf het eerste ogenblik heeft Moeder van jou gehouden. In het portaaltje werd lang en breed van dat bezoek gesproken en zonder dat gij of ik er ons rekenschap van gaven, onbewust voelden we dat we er ieder een Moeder gingen bijkrijgen.

Ik vertelde over de mijne en Vader en al de anderen, mijn werk, mijn liefhebberijen en vrienden en in zoet vlaams ging het over Beveren in het Waasland, over jouw goede Moeder en Vader, over broers en zusjes waarvan ik die avond pas voor de eerste keer hoorde maar die de mijne werden. De stille, emotievolle zomeravond, het zoet gepraat over thuis, je was toch nog zo jong en wekenlang was het weer geleden dat je thuis geweest was, deden je stem trillen en ge moest moeite doen om niet aan het schreien te gaan.

Inmiddels was het stilaan tijd geworden om afscheid te nemen en daar stond me jouw onhandige bleke jongen met zijn groot hart voor die kleine vrouw, zijn klein meisje, met het zoete bewustzijn in zich dat hij nu het recht had haar voortaan tot hulp en steun, tot troost en leiding te zijn en, vrouwkelief, in al m’n onmacht hoor ik het mezelf nog zeggen, het was er uit voor ik ’t begreep, maar het moet wel recht en diep uit m’n jongenshart zijn gekomen: “Mag ik jou ’n kruiske geven?”. Hier klonk eindelijk uit al de schone klanken het rijke hoofdmotief.

En dit is het troostvolle hoofdmotief uit onze rijke levenssymphonie gebleven. En ik heb die avond door jou gelukkig blinkende kijkers recht in den hemel gekeken en er God de Vader goedkeurend zien knikken en er nog blinkende sterrekes gezien die me toen zo diep ontroerd hebben, maar waarvan ik nu pas weet dat het de zieltjes van onze kinderen waren.

Breda, St. Ignatiusziekenhuis, 5 augustus 1947.

Wijzig Pagina - Pagina Aanpassingen - Printversie - Recent Changes - WikiHulp - WikiZoeken
Pagina gewijzigd op 04 november 2004 om 17:27