Main.SideBar (edit) |
DE BUNGALOW VAN ALFRINK
![]() Ongeduldig vraagt de Heer Scholtens waar de koffie en de koekjes blijven. Uiteindelijk zorg ik daar maar zelf voor alsof ik thuis ben. Ik laat hem het werkstuk van Cockie over heeroom zien en het reünieboek uit 1998. Hij is onder de indruk van de aandacht die in de familie wordt gegeven aan heeroom en verbaasd over de hoeveelheid brieven en foto’s die wij nog over hem hebben. Het doet hem zichtbaar goed ook zelf aandacht te krijgen. Hij wil mij dan ook alles vertellen. Daarvoor gaat hij terug in de tijd, naar Theodorus van Celles, die bij Hoei een kasteel had met een gracht er om heen. Nu is dat staatsbezit. Theodorus trok in de tiende eeuw als kruisvaarder naar het H. Land. Net als de zouaven later gingen jongens uit Nederland en België als soldaat mee, te voet of te paard, en meestal ook hun gezinnen. Jaren waren ze weg. Velen keerden niet terug. Als ze al niet omkwamen vestigden ze zich ginds ver. De slag bij Lepanto leverde het Kruis de overwinning. Velen zagen dit als door God gegeven. In heel Europa leidde dit tot een verschuiving ten gunste van Kerk en Christendom. Theodorus was getrouwd, maar ook priester. In zijn kasteel vormde hij met een groep jongens een clubje die een spiritueel leven leidden. Daar is de Orde van de Kruisheren uit ontstaan, zonder constitutie of regels. Ze leidden een goed geestelijk leven. Vanuit Hoei hebben ze zich over België en Frankrijk verspreid. Ze stichtten verschillende kloosters, allemaal gelegen aan een rivier. Het vervoer vond in die tijd vooral per schip plaats. ![]() Waarom is de Heer Scholtens, zoon van een kleine koffiebrander in Groningen, kruisheer geworden? Een oom van moederszijde (moeder kwam uit Overijssel) was kruisheer in Maaseik. Die oom kwam wel eens op visite. Door toedoen van die oom kwamen allerlei boekjes en folders in huis, die Scholtens als jongen verslond. Ook andere orden, zoals de paters van de H.H. Harten uit Ginneken, voerden in die tijd vurig propaganda om jongens te winnen voor een religieus leven. Scholtens moest ook contributie ophalen voor de missie. Vader Scholtens had op zolder een altaartje gemaakt waar de jonge Scholtens de mis opdroeg. Moeder maakte kazuifeltjes. Zijn broertje speelde misdienaar. Voor de communie werden pepermuntjes gebruikt. Als er een pater op bezoek kwam zat Scholtens hem met open mond aan te gapen. Dat was wat hij wilde: priester worden. Op 21 augustus 1919 vertrok hij naar de paters van de H.H. Harten in Grave, naast het blindeninstituut. Maar al op 4 december 1919 brandde het internaatsgebouw af. De jongens konden maar amper ontsnappen aan de vuurzee. In hun hansopje stonden ze op straat. De mensen uit Grave vingen de jongens op. P&C reed de volgende dag voor met een vrachtauto vol nieuwe jongenskleren. Er zat niets anders op dan terug naar huis te keren. Daar wachtte de mulo. De familie verhuisde naar Apeldoorn om een nieuwe koffiebranderij te beginnen. Na een paar maanden keerde Scholtens terug naar het internaat van de paters, nu in Simpelveld. Daar werd hij ziek van heimwee. Zijn oom beval toen aan naar de kruisheren in Uden te gaan. Daar kon je een priesteropleiding volgen zonder je nog vooraf te binden aan enige orde. De latere bisschop van Bandung, kruisheer Goemans was toen in Uden rector. ![]() In Uden was net een groot gedeelte klaar van het nieuwe collegegebouw met slaapzalen en een studiezaal. Het collegeleven daar beviel heel goed. Na Uden is Scholtens naar St. Agatha gegaan voor een jaar noviciaat. Je kreeg dan al je habijt aan. Intussen was hij ook de eerste kruisheer met een auto. Na St. Agatha volgde drie jaar Zoeterwoude waar pater Van Lieshout filosofie doceerde en de jonge kruisheren hun geloften aflegden. Terug in St. Agatha was er nog een jaar theologie. Op 15 juli 1932 is Scholtens tot priester gewijd. Zijn eerste H. Mis heeft hij opgedragen in de Mariakerk in Apeldoorn. Hij herinnert zich nog het grote feest met witte limousines. Na het feest ontving iedere nieuwgewijde kruisheer een brief over zijn bestemming. Die moest je in je kamer openmaken na eerst op je knieën het Veni Creator te hebben gebeden. Daarna mocht je naar buiten en het aan iedereen vertellen. Er waren verschillende bestemmingen: als leraar in Nederland (daar had Scholtens de pest in), als missionaris naar Congo (waar later 24 kruisheren zijn vermoord) of als parochiepriester naar Indonesië. Tot zijn grote verrassing werd het Amerika. Op 28 september 1932 stapte hij samen met kruisheer James Ballemans uit Dongen op de boot. Het wordt nu tijd voor een rondleiding door de bungalow. Paus Johannes Paulus II is er in 1985 geweest ter gelegenheid van een Eucharistisch Congres. Scholtens woont er nu zes jaar. Hij is er vooral ontevreden over dat zijn boeken zijn verdwenen toen hij uit Amersfoort weg moest. Zijn voorland is het klooster in Uden. Daar worden de laatste kruisheren verzorgd. ![]() ![]() De kruisheren hadden vanaf 1920 een moederhuis in Onamia (Minnesota) met één novice. Al rond 1870 waren de kruisheren meegetrokken met de eerste stroom emigranten uit oost-Brabant, maar die onderneming was mislukt. Rond 1910 trok een nieuwe stroom boeren naar Amerika. Ze kregen geld van de Staat en sloegen aan het ontginnen. De eerste bomen die werden gekapt waren nodig om een huis te bouwen. Het was allemaal heel moeilijk, maar terug konden ze niet meer en geld hadden ze niet. Op verzoek van de bisschop trokken ook de kruisheren weer naar Amerika. De boeren woonden in dorpjes in een straal van 50 tot 100 kilometer van het moederhuis. Elk dorpje vormde een parochie onder het gezag van de bisschop van Lincoln. Scholtens voelde zich daar gedumpt. Het viel hem geweldig tegen, zo primitief als het er was. Na korte tijd kwam de generale overste Holman op visitatie. Hij was de eerste kruisheer die ook weer terugreisde. Holman verplichtte de Amerikaanse kruisheren in gemeenschap te gaan leven. Daarom werd een klooster en een school gebouwd met dollars die bij de boeren bijeen werden geschraapt. De boerengemeenschap had zich intussen al enigszins opgewerkt. Het bouwwerk, ontworpen door een Hollandse architect, kreeg Amsterdamse trapgeveltjes. De school begon met 4 jongens. Geen van de kruisheren had een onderwijsbevoegdheid. Het viel allemaal erg tegen. ![]() Intussen hadden de kruisheren voor één dollar een tweede huis gekocht in Hastings, Nebraska. Het was een landgoed met een voormalig nonnenklooster, waar een orkaan het dak van af geblazen had. Drie kruisheren, onder wie Scholtens, kregen de opdracht daar een communiteit te beginnen. Het klimaat was er heet, regelmatig waren er windhozen. Het was een toestand tot en met, vindt Scholtens nu nog. Aanvankelijk verstonden ze ook geen Engels. Het duurde wel een jaar voordat je dat onder de knie had. Als priesteropleiding stelde het niets voor. Scholtens heeft toen met de vuist op tafel geslagen. Na een jaar mocht hij terug naar Onamia. Hij is daar toen leraar klassieke talen geworden. Onamia werd een goede school, vergelijkbaar met het college in Uden. De meeste studenten waren van boerenafkomst en moesten ’s zomers thuis mee oogsten. Er was dan drie maanden geen school. Die tijd gebruikte Scholtens vijf jaar lang om naar de universiteit te gaan, eerst in Chicago, een dag en nacht in de trein, en later in South Bend. Dat deed hij samen met heeroom. Samen waren ze dan in de kost. Op de campus troffen ze veel soortgenoten die allemaal de zomer gebruikten om hun bevoegdheid als leraar te verwerven. Ze hadden er iedere dag les. Scholtens vond heeroom een “man met hart”. Niet dat ze veel met elkaar optrokken, want ieder volgde zijn eigen vak. Wel lazen ze elkaars brieven en maakten samen plannen voor de aanpak in Onamia. Na vijf jaar ontvingen ze op dezelfde dag uit handen van een latere kardinaal hun brevet, Scholtens ’s ochtends, heeroom ’s avonds na een door hem gegeven pianoconcert. Op den duur spraken de kruisheren uit Nederland gewoon Engels onder elkaar. Ze veramerikaniseerden en namen ook de Amerikaanse nationaliteit aan. Ze werden in alle opzichten dus Amerikaan zonder gevoelens van heimwee. In 1948 is Scholtens op vakantie naar Nederland gekomen en op de school van de kruisheren in Amersfoort leraar geworden. Ze konden daar wel een bevoegde kracht gebruiken. Heeroom ging toen terug, naar Fort Wayne. Scholtens is toen van hem gescheiden en heeft geen contact meer met hem gehad. Heeroom was ook meer bevriend met kruisheer Ballemans. ![]() We praten nog even over het leven op het college in Uden in de jaren twintig. Scholtens kan zich heeroom of ome Harrie uit die tijd niet herinneren. Je hield je in Uden eigenlijk alleen met je eigen klas bezig. Je had toen chambrettes waar je alleen ’s nachts verbleef en als je ziek was. Als dat er wat ernstig uitzag werd je door broeder Karel op de ziekzaal gelegd. In mijn tijd was dat allemaal nog zo, inclusief broeder Karel. In de kapel had je toen stoeltjes om op te knielen. Regelmatig klapte een jongen daarmee voorover. Les had Scholtens onder andere van de Heren Linnebank (Nederlands), Van Hout en Van der Lans (Latijn) en Van Gennep (Grieks). Ik heb ook nog Latijn van een (oud geworden) Van der Lans gehad. Op de momenten van recreatie moest je vooral in beweging zijn. Op de cour draaide je rondjes met de klas, overdag werd er veel gevolleybald. In het koor werd gezongen, ’s avonds werd er gebiljart en gekaart, op zondag waren er de padvinders. Uit het verhaal van Scholtens maak ik op dat het leven op het college in Uden in de jaren vijftig weinig verschilde van dat in de jaren twintig. Je zou kunnen zeggen dat de tijd tientallen jaren stil heeft gestaan. Zo heb ik mijn tijd in Uden ook ervaren: als een stilstaande vijver. Des te harder kwam de omwenteling van de jaren zestig over de kruisheren heen. En Heeroom: hij heeft in dit verhaal hoogstens even om het hoekje gekeken. Met de bekende plagerige blik van hem, denk ik. Rijen, 6 april 2004. |