WikiZoeken:

Main.SideBar (edit)

Recent Changes Printversie Pagina Aanpassingen Wijzig Pagina
FEESTREDES

door Toon van den Bosch

1.(Vermoedelijk uitgesproken bij de bruiloft van Jan Gorissen en Betsie van den Bosch in 1943; fragment)

Vandaag feestdag van Betsie en Johannes.
De diensten zijn als op Allerheiligen.
Om half vier Lof met rozenhoedje voor de vrede.
Na de H. Missen en het Lof relikwie van de H. Cornelis.
Om half twaalf Familie voor de jonge meisjes; daar het vooral in deze tijd en voor deze leeftijd zo hard nodig is, verzoek ik de betreffende ouders hunne dochters naar de Familie te sturen.
A.s. Dinsdag vieren wij het feest van de H. Martelaren van Gorcum; de jaarlijkse processie naar Den Briel zal dit jaar wegens benzinegebrek geen doorgang kunnen vinden.
A.s Vrijdag zal het hoogwaardig Heer Deken zijn jaarlijkse visitatie houden in onze parochie; de parochianen die van deze gelegenheid gebruik willen maken om dit hoogwaardig Heer te interviewen worden hiertoe in de gelegenheid gesteld des voormiddags van 5 to 6 uur; gelieve sigaren mee te brengen.
Vandaag zal de derde schaal rondgaan voor de Cultuurkamer.

2.(Vermoedelijk uitgesproken bij de bruiloft van Harrie van den Bosch en Rie Rijnen op 13 juli 1944)

In den naam van den Vader en de Zoon en de H. Geest, Amen. Et iterum venturus est cum gloria judicare vivos et mortuos. Er zal geen steen op de andere blijven en er zal geween zijn en geknars der tanden. Woorden genomen uit Johannes de Doper op de bruiloft van Cafarnaum.

’t Is, beminde parochianen, glad tegen de gewoonte in, dat er op een geestdag zoals wij heden vieren, dat er op een feestdag die niet op zondag valt, gepreekt wordt. Gij zult u dan ook, mijne dierbaren, in uwe onnozelheid verwonderd afvragen, waarom uw herder hier vandaag voor u verschijnt om u vanaf deze plaats toe te spreken.

Velen uwer zullen wellicht niet verwacht hebben, dat ze ook deze morgen, onder de bezielende woorden van hem die voor uw eeuwig heil verantwoordelijk is, in de gelegenheid zouden worden gesteld ’n kwartiertje rustig te maffen, maar … Fiant aures tuae intendentes in vocem deprecationem meam, zegt Aida van Verdi: “Predik het woord, dring aan, gelegen of niet gelegen, weerleg, berisp, vermaan in alle lankmoedigheid en lering”.

Mijn veelbelezen parochianen, gij allen kent de boeiende geschiedenis van de zondvloed. Hoe ’t volk Gods ’t rechte pad verliet, hoe ’t zich overgaf aan afgoderij en ongerechtigheden en hoe tenslotte Jahweh, z’n lankmoedigheid ten einde, 40 dagen lang z’n regen stromen liet, zodat al wat leefde tenslotte de kop niet meer boven water kon houwen en verzoop.

Maar, mijne beminden, dan weet ge ook, ware het volk Gods op zichzelf gebleven, had dit volk zich niet met de kinderen der mensen vermengd, voorzeker, nooit zou het zover gekomen zijn. De kinderen der mensen waren schoon, ze waren rijk, zij baden zich in weelde, ze wentelden zich in wellust en ongerechtigheden, ja, in ’t slijk der aarde. En ’t uitverkoren volk werd door de weelderige wellust, en ze vermengde zich met de kinderen der mensen en wentelden zich samen in de modderpoel van slijk. O … mijn dierbaren!

’t Is in onze parochie niet zoals ’t was bij ’t uitverkoren volk van vóór de zondvloed? Vermengen ook nu de kinderen van ’t licht zich niet met de kinderen der duisternis, om zich in het slijk der aarde te kunnen wentelen.

Och, was ’t nog maar zo, bleef ’t maar bij gewoon slijk, maar … in onze dagen is ’t zó ver gekomen dat zich kruikezèkers met kaaischeiters gaan vermengen, nou … wentelden zich de mensen van vóór de zondvloed in ’t slijk der aarde, wat voor vuiligheid zal dan de vermenging van ’t huidige geslacht brengen om zich te wentelen? En dan ademen ze dezelfde lucht, die eertijds de grote held, ons Heilig Peerke Donders inademde.

Mijne geliefden! Zéker, het is natuurlijk dat geliefden elkanders gezelschap zoeken, zeker, maar … samen naar de kerk, samen naar huis, samen de boer op, samen met de beschuiten, samen lesgeven, samen in de regen, samen in de zon, samen, samen, samen, en dat alles nog voor er van samenzijn sprake is.

Maar mijn hartstikke blinde parochianen, begrijpt ge dan ’t woord van Antonius van Cherbourg niet: “Wie met ’t zwaard omgaat zal er door omkomen”. Dezulken, mijne beminden, gelijken op de mensen uit de parabel van den Heer, die z’n vrienden uitnodigde ten feestmaal. De een had ’n os getrouwd en kon daarom niet komen, de ander moest z’n nieuwe vrouw gaan proberen. Sámen zijn, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, samen zijn, en de Vestaklanten kunnen op hun agentje wachten.

Mijne teerbeminden, gij allen kent ’t woord van Lidwina van Aquino, dat zij stervende sprak: “Spreken is zilver en zwijgen is goud”. Zonder twijfel, er kan gezondigd worden door te zwijgen; er wordt gezondigd door te zwijgen, wanneer men zwijgt als men spreken moét. Maar … ’t roddelen, ’t lasteren en schelden heeft in onze dagen ’n omvang aangenomen als nog nooit tevoren, maar onthoud wel ’t woord van den Rijkscommissaris: “Gods molen maalt langzaam, maar fijn”. Dezulken die niet tijdig zwijgen kunnenworden reeds op deze wereld gestraft. Voor één woord, en dan is ’t eigenlijk nog niet bewezen.

Eigenzinnig, blind en halsstarrig willen ze aan de wereld en ’t vlees gebonden blijven, ze verdommen ’t gewoon om zich te bekeren. Is de wereld dan nog niet genoeg gestraft? Moeten er eerst dan nog erger dingen gebeuren? Och, mijne beminden, nog is ’t de tijd om u te bekeren, nog is ’t niet te laat om tot inkeer te komen. “Aber keine cultur von der Deutsche Reich” … leve de koningin … en er zal weer rust in onze harten wonen.

O gij kleingelovigen, wees niet bekommerd om wat ge zult eten of wat ge zult drinken. De vogels des hemels, zij zaaien noch zij maaien nieten toch, zij voeden zich tot verzadigings toe, al staan ze niet den godganselijken dag in de rij op ’t distributiekantoor, zij voeden zichzelf, alles in ’t zwart.

Mijne dierbare bezettelingen, ’t woord van onze aartsvader Peter Canisius: “Eigen haard is goud waard” heeft in onze dagen alle klank verloren. Waarlijk is ’t woord uit ’t boek der wijsheid: “’n Weinig tijds en ge zult mij zien en nog ’n weinig tijds en gij zult mij weerzien” is toch wel van toepassing op die parochianen die in ’n luttel spanne tijds tot driemaal toe bij je aankomen met ’t verzoek dat je bij de eerste blik op hun gezicht kan lezen, want ’t is ’n gewoonte geworden: help ons verhuizen? Van dezulken zegt de H. Bonaventura zeer terecht dat ’t bepleisterde graven zijn, van buiten ja lijken ’t sigaren, maar van binnen is ’t stank en verrotting.

Judex ergo cum sedebit quidquit latet apparebit nil in ultem remanebit. Zalig zij die vervolging lijden om der rechtvaardigheid wille, want zij zullen op den Ost hun woonplaats vinden.

Och zeker, scheiden doet pijn, ’t was toch wel goed bij de moffen, maar na lijden komt verblijden, zegt Pontius Pilatus. Och dierbare parochianen, ’t is zo goed bij tante Pita, ’t is zo heerlijk wanneer er in ’n rustige omgeving nog rustiger over je gekletst wordt, geen schrede kan gezet, gen woord geuit, geen zuch geloosd of heel den Ost heeft er weet van, om met den psalmist te spreken: “Men kent je zitten en je opstaan”.

Mijne dierbaren, ’n groot profeet is onder ons opgestaan, zal de roep zijn die klinkt door de Ostse dreven. Noch bij de Paters, noch bij de moffen onder van Beest, noch bij de Vesta of de luchtbescherming, noch in de bakkerij, maar op den Ost hebben ze rust gevonden. Want ook de mus vindt zich ’n woning en de tortel vindt zich ’n nest waar zij hare jongen legt.

Te ergo quaesumus: “Wie zich verheft zal vernederd, wie zich vernedert zal verheven worden”, zegt Mussolini en Mussert voegt hieraan toe: De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten zullen de eerste zijn”.

De hoogmoed, mediterende christenen, is de kunstmest voor alle ondeugden. Geen die er zich aan overgeeft zal staande blijven. Het betaamt de vrouw niet dat ze in de rookstoel van hare man plaatsneemt, doet ze dit toch en blijft ze volharden in de boosheid, dan zal deze daad, die een vernedering is voor den man, haar gevolgen na zich slepen.

Maar, beste man, laat u niet tot drastische maatregelen verleiden, gedachtig het woord van La Bohème van Puccini: “Draagt elkanders lasten”, dan zult ge eens het heerlijke woord uwer bevrijding vernemen. Kom vriend, ga hoger op, dan zult ge uw rookstoel bezitten in eeuwigheid.

Feestvierende broeders en zusters in Adolf Hitler. Gij allen kent ’t woord van Max Blokzijl: “Geduld overwint alles”en nóg: “Zalig zijn de zachtmoedigen van harte”. O, gij kent ze allen, die mensen, die ’n zekere tijd in hun jonge leven trachtend zijn naar ’n vrouw (o, neen, kijkt elkander maar niet aan, ieder heeft genoeg aan z’n eigen zonden), dat is de behaaglijke tijd voor de tandpastafabrikanten, want dan worden de tandjes gepoetst.

Mijne dierbare kinderen. Dat er gevreeën wordt is wel te verschonen, en dat er dan op z’n tijd ’n blauwtje gelopen wordt, ’t is te verstaan. Maar … dat deze arme dolers zich dan tenslotte nog in ’t ongelijk storten, dat is pijnlijk, dat is troosteloos, en ware ’t niet dat wij de troostende zekerheid hadden, dat er in den hemel meer vreugde zal zijn over één zondaar die zich bekeert dan over 99 rechtvaardigen, het ware niet te dragen. Laten we bidden voor deze ongelukkigen, want zwaar zal hun last te torsen zijn, maar troost u, weer welgemoed, gedachtig de troostvolle tekst die ik voor mijn predicatie koos: “Et iterum verturus est cum gloria judicare vivos et mortuos”: geen steen zal er op de andere blijven en er zal geween zijn en geknars der tanden.

Moge zij rust vinden voor hunne rusteloze zielen, nu, maar vooral na hun geduldig gedragen geluk voor eeuwig bij O.L. Heer in den schonen hemel. Amen.

3. (Uitgesproken in 1946 bij gelegenheid van de thuiskomst uit Amerika voor het eerst na twaalf jaar van Jan van den Bosch, kruisheer)

Vader, Heerbroer, en feestvierende aanwezigen. Aangezien de nieuwe bon voor feestredenaars nog niet is aangewezen zullen we ons vandaag nog moeten behelpen met surrogaat, ’n surrogaat waraan vanzelf de echte vooroorlogse aroom ontbreekt, ’n surrogat echter dat zo dich mogelijk het originele artikel tracht te benaderen.

Dierbare aanwezigen, het is vandaag mijn taak Uw aller tolk te zijn en enkele woorden te wijden aan de thuiskomst van onze Jan, ik mag enige gedachten ontwikkelen bij zijn 12 ½ jarig priesterfeest om hem tenslotte van onze dankbaarheid te getuigen voor de hulp die wij vanuit Amerika, die wij zeker ook mede door zijn zorg hebben ontvangen.

Het is nu 13 jaar geleden, wij herinneren het ons allen nog zo goed, wij kunnen het ons nog zo gemakkelijk voorstellen, hoe een van ons, hoe onze Jan preister werd gewijd, die intense en intieme vreugde in ons gezin om de hoge uitverkiezing van een uit hetzelfde nest waarin ook wij thuishoren, dat stille geluk van Jan, van ons allemaal, maar vooral van onze goede ouders in dat jaar tussen de priesterwijding en zijn vertrek naar Amerika.

Hoe herinneren wij ons die laatste weken voor zijn vertrek, waarin ieder uurtje van samenzijn zo kostbaar was, die weken waarvan de onuitgesproken pijn van het scheidingsoffer ons allen steeds zal bijblijven als een herinnering van edelmoedige offerbereidheid van onze goede ouders vooral. De dag van het vertrek, de eerste berichten over zijn reis, zijn nieuwe thuis in Amerika, de eerste foto’s, och, we leefden zo mee met onze eigen missionaris en wij wisten dat ook zijn gedachten nog zo dikwijls in Oosterhout vertoefden.

Twaalf jaren is dit alles geleden, twaalf jaren die lang hebben geduurd en toch snel verleefd zijn, twaalf jaren waarin zo heel veel is gebeurd, waarin we lange tijd zelfs geen berichten van elkaar hadden, maar waarin we in gedachten en gebed steeds zo nauw verbonden waren, ja juist in die dagen zal het ook Jan vergaan zijn als ons, onze gedachten waren meer bij elkaar dan ooit.

Het was ook in die tijd dat O.L. Heer onze goede moeder bij zich heeft geroepen, wij die het voorrecht hadden moeders goedheid te ervaren tot het laatst, wij die het heilig afsterven van onze goede moeder als een dierbare herinnering altijd bij ons zullen dragen, wij zullen ons ook steeds herinneren hoe wij juist toen onze Jan bij ons in ons midden wisten, hoe moeders laatste blik met ons ook Jan, haar verre priesterjongen, omhelsde.Wij hebben met Jan samen de pijn gevoeld bij het bereiken van de droeve tijding van moeders schone dood en met hem en voor hem gebeden, terwijl we wisten dat Jan in zijn eenzame smart voor ons, voor vader vooral, zijn priestergebed naar den hemel stuurde om kracht en troost en God zij dank hebben wij die troostende kracht gekregen.

Hier is niet de bedoeling hier vandaag uit te wijden over al datgene wat hier is gebeurd tijdens de Duitse bezetting, wij kunnen hier volstaan met er op te wijzen dat naarmate de druk, de spanning, de angst, het gebrek ons deel werd, onze gedachten meer en intenser bij Jan waren, wij wisten dat hij in onrust was om ons en wij konden hem geen berichten sturen om hem gerust te stellen en hem op de hoogte te brengen met de gunstige afloop.

Och, was niet onze eerste gedachte bij het einde van de oorlog, nou is er kans dat Jan gauw thuis komt en wij wisten het, Jan dacht precies hetzelfde. Met welk een ontroering en blijheid hebben vader en wij allemaal de voorlopige berichten, het definitieve bericht van zijn thuiskomst gevierd, en we wisten dat Jan stond te trappelen om thuis te komen.

Jan, wij hebben hier geen feestcantates ingestudeerd, de harmonie zal er niet bij te pas komen, maar onze harten hebben wij wijd open gezet om jou in het oude nest te ontvangen, om van jouw vakantie, die een onderbreking is van een zwaar en eenzaam werk in een ver vreemd land, een feest te maken van welverdiende koesterende rust en liefde. Jan, Moeder is in den hemel en Moeder viert in den hemel dit feest met ons mee, Moeder, wiens leven het was om ons blij en gelukkig te zien, zal gelukkig zijn …

4. (?)

Regeling der diensten.

Maandag:
Kwart over 5 opening der kerk met klaroengeschal van sleutels in het sleutelgat.
Om 6 uur kinder- en babymis
Om 9 uur hoogmis op het hoogaltaar waar de hoge mannen zullen plaatsnemen.
Om 10 uur sluiten van het octaaf der offerblokken in de kerk.
Dinsdag:
Tweede dinsdag der week. Afgezette heiligendag.
Eerste H. Mis om kwart over 5 zonder evangelie.
Om 6 uur voor de boegschuttersgilde. Onder deze H. Mis schietgebeden en schietoefeningen. De heren leden worden nogmaal dringend verzocht diep in hun zak te schieten. ’t Ronde kanaal dient voor ’n soepé; vorig jaar kon de saus niet betaald worden.
Om 7 uur doopmis met suiker. Peter en meter worden verzocht een builtje muisjes mede te brengen, voor de koster.
Om 10 uur gelezen H. Mis met zang. Na de credo herhaling van Pietje Krombek die zijn vrouw verloren heeft en tot heden toe nog niet heeft teruggevonden.
’s Middags om 8 uur Lof voor de dopelingen die alle verzocht worden het Tantum Ergo mede te zingen in 8 porties.
Woensdag:
Dien dag beginnen alle H. Missen om 5 minuten over 5.
Om 7 uur vertrekt de processie naar Scherpenheuvel.
Donderdag:
Niets te melden.
Vrijdag:
Aswoensdag. De H. Missen als gewoonlijk. Onder de H. Mis van 6 uur zonsverduistering.
Om 7 uur voor meester Schoenmakers die een lopend oor heeft.
Om 10 uur hoogmis en wel onder uitvoering van de vierstemmige potpourrie van Jan Kwik. De misdienaars worden verzocht niet in hun neus te peuteren en van de wijn af te blijven. Na het evangelie ophaling van en voor de koster. 
Dit sermoen zal worden uitgezonden door pater Zwartoor van de witte keizers op de korte golflengte.
Dit jaar zal niet net als andere jaren door de meisjes van de boerinnenbond een lied worden gezongen, omdat verleden jaar velen dachten dat de koster vermoord werd.
’s Middags om 4 uur kruisweg, behalve de 7e statie die nog bij de schilder is.
Zaterdag:
Is het jaargetijde van W. Uffel die nog leefde voor haar dood en nu in de hemel is, wat ze wel verdiend heeft wel te verstaan.
Om 9 uur voor de H. Antonius voor de verloren zaken en gelden terug te krijgen. Verloren hetzij op de beurs hetzij met kaarten of met duiven. Duivenmelkers worden verzocht hunne korven goed te sluiten. Laat de duiven niet gaan vliegen.
Om 12 uur is er een lijkmis, tenminste als er een lijk is, zoniet dan zal de koster daarvoor fungeren.
Om 2 uur dopen van een tweeling. Deze moeten vergezeld gaan van twee bakers, daar het ooit gebeurd is dat de een tweemaal gedoopt werd en de andere niet.
Op aanvraag van de boeren zal dien dag de melk in de kerk gedoopt worden.

Deze week zullen er negen geboorten zijn, 3 jongens en 4 meisjes, samen 12 in getal. Zie hier de diensten van deze week.

5. (?)

Den Adam

‘n Kier, dat d’n Hiere God met z’nne mispeleere stok ien sönne jardin-paradise promenierde, zeet 'm baai z’n eigen' zelvers: laat iek ‘n kier maoke ‘ne mens. Viet 'nnen handvol klei ende formierde daovan ‘ne poepe. Viet ‘m ‘nne mondvol smoor uit z'n paaip ende bloas die ien de neus van de poepe. Hadsjie gaddoeme, monsieur Adam. ende den Adam waor gemaakt.-

Als na enige tijd den Hiere God ien z’nne jardin terugkamp, zag em daar den Adam zitte, mee z'nne kop tussen z’n handen, En den Hiere God zeet: awel manneke wat ies datte? wat hedde gij? - Ende den Adam zeet: awel m’n Heere God, iek gevuul me zoe allienig; awel, kande Gij nog nie ie zoen dingske moake, net galaaik iek. – Allee, mee ‘n bietje variaotia zunne; afaain Gij begrept datte wel; zo’n dingske waor iek me mee kan amuziere zunne. Ah,ah, manneke ies.’t datte waor gij oep pijst. Zeit 'n bietje veurzichtig jong, maor ja, as gaai datte ger wielt, zal iek datte veur ou geried maken. Leg doe te.slaopan in de kerspoer.-

Ende den Adam slaopte oep z’nne ruug in de kerspor. Asdan kamp den Hiere God aon z'n oer; Adam gaai slaopt toch echt he? Maar den Adam zeet nikske nie. En veur den twiede keer: Adam gij slaopt toch echt he? - Maor den Adam dee vroem gienne smoel. Ende veur den draaide kier (‘t was datte veur de grootaaid van d’ operatie zunne): Adam gaai slaopt toch echt he manneke? Den Adam vloeg oeveraaind: allee 'm’nnen Hiere God, Gij maokt er ’n grappeke van. As ikke nie geslaopen had, adde iek toch wat gezaaid zunne. Ah koest manneke, ties datte zoe nie gemmend he, alle, legd oe te slaopen, ende 't zal naor oew goesting zaain. -

Ende den Idam slaopte vroem. Asdan heet den Hiere God genomme ‘ne rieb uit den Adam z’nne oarbonaat, ende heet daorvan geformierd ‘ne neie poepe. Oejoeie, dat waor ’n appartigheid. ‘t Waor om in extaotie te geraoke. ‘n Koppeke, en ’n laaifke oem te waotertande. Viet ‘m vroem 'ne mondvol smoer uit z’n paaip ende blaos die in de neus van de nieeuwe poepe. Hadsjie gadoemme, madammesel Eva; ende Eva waor ook gemaokt.

Met ‘ne ander ienspektie zag den Hier God asdat er waor geplukt van zn schoen bellefleurkes. Amai amai, dat heet den Adammet den Eva gelapt. En ‘m stampte oep den grond dat den hiele paradaais trembleerde. En ‘m riep: Adam, waor zeide gaai? Maar den Adam zee nikste nie. – En veur den tweede kier: Adam waor zeide gaai? - Maor den Adam dee vroem genne smoel. - Ende veur den draaide kier, ien den uiterste colere: Adam waor zaide gaai gadoemme. Asdan zeet den Adam: amaai, m’nnen Hiere God, iek en zoenne groete schaam, iek waog ‘t nie te veurschaain te komme. Iek staon ier achter ‘n busselke omdat iek gene pantalon aon em. En dan riep den Hiere God: Eva waor zei doek gaai? - Moar Eva waor ielegaans van der stukke. - En veur d'n twiede keer: Eva, waor zeide gaai? Maar Eva dee vroem gene smoel. Ende veurden draaide kier: Eva war zei doek gaaigaddoemme? - De blaorkes tremblierden ende Eva zeet: Ajaai m’nne Hiere God, iek staan ier achter ‘t busselke, bij m'nnen man. Iek em zoenna grote schaom. Iek waog ’t nie te veurschaain te komme oem dat iek gienne chemische enveloppe om em. –

Asdan gieng den wijsvinger van den Hiere God as ne kolossale richtiengwaaizer en ‘m zeet: awel Adam, oem datte gaai dat gedaon hebt manneke dalde gaai ien ’t zweet oews aonschaains oew brood verdienen. Ende gaai Eva zal de kienekes koepe ien de groetste grimassele. En nouw m’nnen oef uit, dagoeme.

Wijzig Pagina - Pagina Aanpassingen - Printversie - Recent Changes - WikiHulp - WikiZoeken
Pagina gewijzigd op 23 december 2004 om 20:30