|
|
GEDICHTEN
van Toon van den Bosch
MOEDER
Uw beeld dat mij in ’t harte bleef
| en nooit of nooit, zolang ik leef |
| daarin zal sterven; |
| m’n leven zou ’n zomer zijn |
| gans zonder zon en warmen schijn |
| moest ik U derven. |
Ik kom U steeds nog toegetreën,
| en U vertellen, U alleen |
| m’n kinderzorgen, |
| en al wat ik gebeuren zag |
| en al wat ik weer wachten mag |
| nog ied’re morgen. |
En troostend streelt Uw hand mij zacht,
| en sterkend Gij mij tegenlacht |
| niet op te geven. |
| Gij blijft m’n Moeder, ik Uw kind |
| dat elken stond Uw liefde vindt |
| door gans m’n leven. |
ZONDER TITEL
Ons kindeke,
| mijn vrindeke |
| en Moeders grootste schat. |
| Hoe wist gij, als ’n windeke |
| dat speelt in zonnig lindeke |
| dat ik U gaarne had? |
Mijn vrindeke,
| ons kindeke, |
| wat is jouw mondje speels, |
| jouw kleine tater toeteke |
| in het ondeugend moeteke |
| kan vleien soms zoo steels. |
Ons kindere,
| ons vrindeke, |
| wat staan jouw oogsk’ns licht |
| als kleine zonneballekes, |
| als reine hemelhallekes |
| in ’t lachende gezicht. |
Ons kindeke,
| ons vrindeke, |
| wat is jouw hartje rein. |
| Gij zijt toch ook Gods tempeltje | |
| En brengt ons op het drempeltje |
| Van waar de eng’len zijn. |
ZONDER TITEL
Met Uw eerste droevig schreien
| hebt gij ons zo zeer verblijdt, |
| klein onschuldig schamel popje, |
| ’t wiegje stond al lang gespreid. |
| Stukske leven van ons leven, |
| van je Moeder en van mij, |
| vrucht van onze grote liefde |
| zijt gij tweede in de rij. |
| Mochten wij jouw lijfje scheppen |
| wonderbaar, zo gaaf, zo goed, |
| God is het die door jouw zieltje |
| U op Hem gelijken doet. |
’t Is nu oorlog, lieve kleine,
| maar dat weet je immers niet, |
| vaders worden doodgeschoten, |
| ook het kind ontziet men niet. |
| ’t Leed stijgt dag’lijks nog naar hoger, |
| och, men weet de weg niet meer |
| naar de Waarheid, naar de Vrede, |
| naar den goeden Lieven Heer. |
| Laat jouw zieltje heel jouw leven |
| naar Hem buigen, kleine meid |
| wees voor Hem en al de and’re |
| tot het offer graag bereid. |
Moeilijk hoeft dit niet te wezen
| Als je op je Moeder lijkt, |
| Moeders’goedheid zal je helpen |
| Als je naar haar voorbeeld kijkt. |
| Maar om steeds omhoog te stijgen |
| ’t Is voorzeker ’n gena’ |
| daarvoor wij tesamen bidden |
| d’onvolprezen Maria. |
COMMUNIEDAG
O klokken zendt uw zuiver lied
| toch deze dag de daken over, |
| laat uw geleuid, als gouden lover, |
| slingerend om de kopjes slaan |
| van onze kleinen, die nu gaan |
| voor d’ eerste keer hun God ontvangen. |
Ik zie ze, stappend, vol verlangen
| door morgenstille straten gaan, |
| de blanke zieltjes rein gewassen, |
| met hartjes die van liefde slaan |
| gaan zij hun Koning nu verrassen, |
| waar grote mensen zijwaarts gaan. |
O kleintjes, als zovele lichtjes,
| als sterrekes in donk’re nacht, |
| wordt Gij met stralende gezichtjes |
| in onze huizen terug verwacht |
om met Uw reinheid ons te dekken,
| waar wij hier niet zo schuld’loos staan, |
| om onze harten weer te wekken, |
| de liefdevlam weer te doen slaan. |
BIJ DE PLECHTIGE HERINNERING VAN DE DOOPBELOFTEN VAN KOOSJE VAN DEN BOSCH, GEDAAN IN DE PAROCHIEKERK VAN ST. JAN DE DOPER TE OOSTERHOUT OP 15 MAART 1953
Je stem, Koosje, klinkt als ’n zonnige lach,
| Als de zingende klokken op ’n hoogtijdag. |
| Hoe jubelt ons hart, nu je zelf zeggen kan: |
| - Met jouw kleine stem in die grote St. Jan - |
| Ik geloof, Jezus, ik geloof in U. |
Wat is jouw vertrouwen op Jezus ons waard.
| Wat is er aan beters te vinden op aard |
| Voor Moeder en mij en je borgen er bij, |
| Nu je ’t zingt, als ’n lied in de mei: |
| Ik hoop, Jezus, ik vertrouw op U. |
Maar schoner nog is het de Liefde die wenkt;
| Nu gij blij enbewust Hem je hartje schenkt. |
| Wat Moeder en ik vóór je geboorte reeds deden, |
| Zingt gij nu uit heel je hartje mede: |
| Ik bemin, Jezus, ik hou van U. |
Vader.
HUWELIJKSLIED OP DE TROUWDAG VAN HARRIE EN RIE
Is de gave van de schepping
| in z’n omvang ‘n geheim |
| waarvan wij noch doel, noch strekking |
| noch vertolkers kunnen zijn, |
dankend kunnen wij slechts loven
| Hem die alles gaf om niet, |
| waar in weelderige hoven |
| als bij uitstek schoon nog schiet, |
rode roos der reine liefde
| als een alomvattend zwerk, |
| die de zielenvezels kliefde, |
| drenkend alle mensenwerk. |
Liefde doet de harten binden,
| liefde maakt het kwaad weer goed, |
| liefde zal de sterkte vinden |
| om te offeren als het moet. |
Maar nooit zal men liefde vinden
| Hechter dan in Huw’lijksband, |
| waar de liefde saam doet binden |
| om in liefde hand in hand |
aan elkander weg te schenken
| en in liefde helend weer, |
| om aan anderen te denken, |
| liefde scheppend, meer en meer. |
VOOR MIJN ZWAARBEPROEFDE VRIENDEN FRANS EN ANNY LIGTVOET BIJ HET OVERLIJDEN VAN HUN DOCHTERTJE
O zieltje, dat met lichten voet
| ten paradijze snelt, |
| en ons verlatend zonder groet |
| het grote leed niet telt | |
| noch eenzaamheid. |
O zieltje, spelend in het licht
| van Gods aanwezigheid. |
| Uw streven was omhoog gericht. |
| Uw leven nauw’lijks strijd, |
| slechts hunkering. |
O zieltje, stoeiend voor Gods troon
| in mateloos geluk. |
| Uw luttel leven kreeg dit loon |
| als pure bloesempluk, |
| ’n liefdeblijk. |
O zieltje, liefdevol gegund
| is ’t eeuwig lichtfestijn, |
| in troost en levensvreugde kunt |
| gij ons daarboven zijn, |
| door Uw geluk. |
AAN MIJN VRIEND KEES, OP DE SCHOONSTE DAG VAN ZIJN LEVEN
Priestergrote witte weelde nu de vriend
| waarmee ik speelde aan het altaar staat. |
| Stamelstille hemelminne dauwt het hart |
| en laaft de zinnen aan deez’ priesterstaat. |
| Hier voor het verliefde hart geen nauw onbepaalde wegen |
| als voor het minnend lijf de enge ad’ren zijn. |
| Hier barst de knop. Hier gutst het bloed. |
| Hier flitst de schoonheid van Gods liefdemacht |
| in het breken van het brood. Hier boet het bloed |
| des Makers voor het maaksel Zijner handen. Och, |
| dat de wanden barsten van mijn hart, om bloed |
| voor bloed en liefde voor Gods minne te vergelden, |
| dat toch mijn onmachtsmart een liefdegave zij. |
| Mijn God, Gij hebt mij schoner gunst gegeven, |
| mijn vriendenhanden - als een leliekelk geweven |
| om ’s Meesters scham’le schuilplaats - heffend |
| met het Licht, mijn zondeschuld en groot verlangen |
| in het vergezicht van onbegrepen liefdewoon. |
| Zo maakt Uw liefde, God, mij het wachten tot een gunst, |
| zo toont Uw almacht hier de goddelijke kunst |
| om vriendenhanden tot een wel van levend water te |
| boetseren. Zo mogen wij Gods almacht eeren en |
| smeken met een goddelijk geweld om steun voor |
| broze mens’lijkheid. Zo mogen vriendenhanden |
| God gewijd U het offerlam ten hemel heffen |
| en danken voor ’t onsterfelijk Brood. |
| O Priestergrote witte weelde nu de vriend |
| waarmee ik speelde aan het altaar staat. |
| Stamelstille hemelminne dauwt het hart |
| en laaft de zinnen aan deez’ Priesterstaat. |
BIJ GELEGENHEID VAN DE EERSTE PL. H. MIS VAN PATER VAN RIJTHOVEN
O wat ligt Gij hier te pronken
| in m’n goeie Brabantsch land, |
| o m’n stadje, zo verzonken |
| tussen bosch en weideland. |
Wat kan mij de waanzin geven
| zooals men die elders ziet, |
| om naar groote stad te streven |
| waar de diepte hen verliet. |
Diepte van het Roomsche leven,
| zoo gekregen, zoo bewaard, |
| het kan mij van trots doen beven |
| te bezitten Uwen aard. |
Wéér hebt Gij ’n zoon geschonken
| aan de oude Moederkerk, |
| wéér ’n loot van oude tronken |
| ingeënt op heilig werk. |
Laat ons nimmer toch versagen
| hoe het met de wereld staat, |
| en desnoods ons leven wagen |
| als het om deez’diepte gaat. |
ZONDER TITEL
Ik zie U St. Janskerk, ontstaan in het brein
| van dappere ridders, die niet slechts in schijn |
| hun edele afkomst bezaten. |
| Als blijvende tolk van hun liefde voor ’t volk |
| zijt gij in de edele harten gegroeid |
| van hen die daden aan wardigheid maten. |
Ik zie U St. Janskerk, ontgroeien den grond,
| waar Oosterhout toen ook de kunst wel verstond |
| van meten en bouwen |
| door meesters en maten, die allen bezaten |
| de liefde voor ’t werk, en ’t bouwen van deez’ kerk |
| als ’n eer deden schouwen. |
Ik zie U St. Janskerk, in vlammen staan,
| De moeders zij drukken hun kinderen aan |
| Het angstige harte. |
| De mannen vol moed trotseren den gloed, |
| voor het hoogste goed, voor hun kerk |
| de dood in de vlammenzee tarten. |
Ik zie U St. Janskerk, in vreemde hand
| van menschen gescheurd van den Roomschen band |
| in weemoed verkillen. |
| Waar is nu Uw luister, nu vreemden hun duister |
| Geloof in Uw binnenste bracht? |
| Waar zullen wij nu onze Godshonger stillen? |
Ik zie U St. Janskerk, reeds eeuwen al staan,
| geslachten hebt Gij zien komen en gaan |
| met hun vreugden en zorgen. |
| Ik zie ze allen in lange rij, de een vermoeid, de ander blij |
| U ingaan, wetend zich in U, bij God geborgen. |
Ik zie U St. Janskerk, en bovenal
| Als hulde, den schepper van ons en van al |
| In eenvoud gegeven. |
| Spijts onze miskenning van Uwe erkenning |
| in hoogmoed, door woorden en daden verricht |
| en zwakheid bedreven. |
Ik zie U St. Janskerk, in machtige glorie,
| daar Gij hier toch staat als een sterke ciborie |
| waar God in U troont. |
| Laat lang ons nog brengen en ’t harte verzengen |
| van ons en de kinderen, in liefde tot Hem die midden ons woont. |
SCHOONHEID VAN DE EIGEN STREEK
Wat kan de schoonheid van de bloemen, van de bomen,
| van de lucht, het water, van het landschap komen |
| als ’n troost in het gemoed, |
| die de dagelijkse druk der zorgendingen |
| opheft, en d’ om brood gedraaide wentelingen |
| in de ziel verstillen doet |
| tot ze rimpelloos en willig en in vrede openligt |
| om de goede, gave schoonheid, die zich toont aan het gezicht, |
| in haar mildheid op te vangen. |
Gunst is ’t wel, om ook in verre vreemde landen,
| de schoonheid van de luchten, van de bergen, van de stranden, |
| die ons doen naar God verlangen, |
| te aanschouwen. Zelfs het lezen in de boeken |
| van die schoonheid, of het kijken naar de doeken |
| die met kunst geschilderd zijn |
| kan van weelde toch de mensenziel verrukken, |
| die steeds weer, en nog in overvloed kan plukken |
| van die schone medicijn. |
Maar veel groter gunst is ’t zeker, en gelukkig hij,
| die door wonderschone luchten boven vlakke wei |
| in z’n ziel een lied laat zingen, |
| en de kleuren van de bomen en de stille hei |
| of een eenzaam boerenhofke, en dan nog ’n hele rij, |
| nog wel duizend mooie dingen, |
| die hij in z’n eigen streek, die hij dicht bij eigen zorgen, |
| dicht bij eigen woning weet, als ’n gave, ied’re morgen, |
| dankbaar te gebruiken weet. |
Gepubliceerd in het Nieuwsblad van het Kanton Oosterhout
STILLE GEPEINZEN BIJ DE ONTBOMING VAN DE HAVENWEG
De trouwe waaiers van de weg, ze zijn geveld, ze zijn gevallen;
| door magistraten wil en hebzucht neergeploft en afgetakeld |
| weggesjouwd naar onbekende oorden. |
| Uw heengaan laat een leegte achter, fel en koud, die mij weemoedig stemt |
| en lang nog zal ik U gedenken. |
| Gij waart het sieraad van de weg. |
| Uw vroege bladerentooi kon toch zo zoetjes wuiven, |
| wanneer geheimnisvol de Lentewind u fluisterend bekoorde. |
| Hoe zoet wist gij de schaduw ons te schenken, |
| ons schuttend voor de felle zonnebrand. |
| Hoe wist gij woest als een getergde leeuw |
| met uwe weelderige takkenkop te zwiepen |
| om de Noordwester te weerstaan. |
| Gij waart het groene pad in grauwe eenderheid. |
| Hoe zullen wij uw milde lover, |
| de schoonheid van uw stoere stammenrei, |
| uw trouw ook missen, waarmee gij stond en staande bleef, |
| totdat geweld u nedervelde. |
Gepubliceerd in het Nieuwsblad van het Kanton Oosterhout
DEN EIKENBOOM
Er stao eenen eikenboom ergens op ’t laand,
| en hee daor al euwen gestaon; |
| geen meens hee den eikenboom daor geplaant, |
| dè heet er de machtige tuindershand |
| van ’s Lieven Heerke gedaon. |
| Hij is maoger en schraol |
| en z’n kruin is mar kaol, |
| mar z’n hout is hard als metaol. |
Breed hangen z’n takken al over ’t laand,
| toe tegen ’t Waolenlaand aon; |
| van Zeeland aaf, aon den waoterkaant, |
| toe Limburg, jao toe in Duitslaand pekaant, |
| toe tegen de Maoskaant aon … |
| Hij is maoger en kaol |
| en z’n kruin is mar kaol, |
| mar z’n hout is hard als metaol. |
En waait er de Noordenwend over ’t laand
| en raost op den eikenboom aon, |
| zo koud as ie is en zo guur en astraant, |
| den eikenboom wiggelt nie los naovenaant, |
| hij hee al wel erger deurstaon … |
| Hij is maoger en schraol |
| en z’n kruin is mar kaol, |
| mar z’n hout is hard as metaol. |
Soms komt er ook volk uit de stàd op ’t laand
| en ziet er den eikenboom staon; |
| nen boom mee zo’n vruchtjes? ’t Is eeuwige schaand! |
| En ze willen ‘m villen of steken in braand |
| en vallen brutaol op ‘m aon. |
| Hij is maoger en schraol |
| en z’n kruin is mar kaol, |
| mar z’n hout is hard as metaol. |
Eenvoudig en fier is den boom daar geplaant
| en taai heet ie d’ euwen deurstaon; |
| de brabantse taol van ’t brabantse laand, |
| gegroeid op wè klaai, veul haai en veul zaand, |
| die roeide nie uit! - Verstaon ?! |
| Z’is wel maoger en schraol |
| en taomelijk kaol, |
| mar open van klaank - royaal. |
BERKENBOOMPJES
Ze staan al zo lang langs het wegske te staan,
| Te staan, en alleen maar te staan. |
| Ik ben er zo vaak al langs henen gegaan, |
| Maar zelden nog stil blijven staan. |
Ze staan er zo tenger, de kruin vederlicht,
| Zo rank en zo rillig, zo donker en licht. |
| ’n Oosterse prent op het eerste gezicht, |
| Maar meer nog een zuiver Gezelle gedicht. |
ZONDER TITEL
Waar kort nog stoere bomen stonden
| ligt nu slechts week omwoelde grond |
| vol kuil en put, waar stam in stond |
| en bosgediert’ hun nesten vonden. |
Beschut door tak en welig loof
| voor felle wind en regenvlagen, |
| waar nauw’ ontwaakt’ en moegedragen |
| zon haar lauwe stralen schoof. |
Gekoesterd in het vale licht
| in stille rust van bosgeluid, |
| waar koekoek roept en vogel fluit, |
| soms even schiet ’n zonneschicht. |
Bij d’ eerste bons is het begonnen
| en plof na plof was val na val |
| van stam na stam, totdat ze al |
| gerijt en naakt lagen te zonnen. |
Gerukt zijn uit haar weeke grond
| de woest en gril gevormde stronken |
| die bloed en levenssappen dronken |
| waaruit het stoere leven spoot. |
En trillend ligt ge nu te gloeien
| in fel gestoken zonnebrand, |
| de gure bamesvlagen aan uw rand |
| geen weerstand vindt noch boeien. |
Het vlijmend staal ligt al gereed
| om klievend door uw grond te kerven. |
| Waarom die zoete rust te derven? |
| Waarom dit fel en bloedig leed? |
O grond, als straks de zaaier komt,
| in Uwen schoot de kiem doet strooien |
| en wacht dan na de vorst op dooien, |
| met de lente weet ge waarvoor g’ u kromt. |
De zomer zal uw halmen rijpen
| ’n weelde zal het zijn voor oog en hart, |
| als na dit dragen, bang en hard, |
| g’ Uw gouden last geeft voor het grijpen. |
ZONDER TITEL
Nog zie ‘k de vonk die uit Uw ogen straalden,
| Het gouden licht dat uit Uw kijkers blonk, |
| Als wij te samen door de velden dwaalden, |
| De zon ons weiger nog haar stralen schonk; |
| Z’n laatste luchtreis had de leeuwerik gedaan, |
| De merel jubelend z’n tak besprongen, |
| De krekel piept’ en in de verte kind’ren zongen, |
| ’t Zijn klokkenklanken die zó uit den hemel slaan; |
’n Kleurig kind, dat zacht Uw boezem streelde;
| Zo droegt’ ge blank en goud en blauw en rood, |
| Ons veldbouquet, in tere moederweelde, |
| De zon daarop haar laatste stralen schoot. |
| G’ en hebt van mijne mond toen stil gestolen, |
| En ’t zingend lied uit mijne ziel gehoord, |
| Zo stil was d’ avond - door geen gerucht gestoord |
| En klonk ‘t “Moederke” bij dikke stam verdoken. |
6 augustus 1943
ZONDER TITEL
Mocht ik de beelden die mijn ziel beroeren
| en klaar en helder voor mijn ogen staan, |
| mocht ik ze bindend in m’n woorden snoeren |
| om als geluk naar anderen te gaan. |
Mocht ik den wilden woordenstroom bestemmen
| die recht uit ’t harte mij ten kele springt, |
| z’n woest en ongebreideld bruisen remmen |
| en rustig leiden zo mijn ziele zingt. |
Ik zou dan zingen mijne schoonste zangen
| van bos en veld en zon, van mensenmin |
| en leed en hardheid en hun groot verlangen. |
Ik liet de wilde winden gieren, liet de spin
| met kantwerk sieren, bovenal zou ’k vieren |
| Hem die alles ’t aanzijn gaf en zin. |
ZONDER TITEL
Zoetjes vallen zachte vlokjes
| rits’lend uit de wolken neer, |
| trotse huizen, schaam’le hokjes, |
| alles blank bedekkend weer. |
Gist’ren nog d’ omploegden akker
| doods en stil te slapen lag, |
| zonneflitsen slaan nu wakker |
| blinkend licht in winterdag. |
Om deez’ schoonheid, ons gegeven
| om dit blanke bruiloftskleed |
| door Uw mildheid, ons geweven, |
vallend uit ’n hemelspleet,
| God, om ’t mensenhart te laven, |
| dank, voor deze blanke gave. |
DE DRUMBAND
Och stakker toch,
| Hoe zielig staat ge aan de kant |
| Als allen lopen, hand in hand, |
| De zelfde weg. |
| En mode ment. |
O achterlijk mens,
| Die de maat van de massa mist, |
| Wiens hart niet slaat |
| Op de rythmische maat |
| Van de Band. |
Juli 1952.
KERMIS
Met drenzend draaiend orgelgeluid
| met schetterend kleuren geblekker |
| springt lijk ’n ondeugend kwakende puit |
| de kermis, in ’t rustig gemekker. |
Opeens, voor hen die geen tijd verstaan,
| de kleintjes, wie ’t wemel geweld |
| de angstig verwonderde hartjes doet slaan, |
| de kermis, tóch anders dan Moeder verteld. |
Maar maanden bekeken door ’t jeugdige bloed
| met heimelijk liefdesverlangen, |
| bij kussen en kozen en samenzijn doet |
| de kermis, Vaders toezicht niet bangen. |
Wel heeft ze rimpels in ’t voorhoofd gegroefd
| Van rijk gezegende paren, |
| Voor graag gegunde vreugde hoeft |
| de kermis, ’n kostbaar zorgelijk sparen. |
En sukkelend kleffend, maar éne keer
| gaan ook de Oudjes nog kijken, |
| en fel herleven de beelden weer |
| van kermis, of jaren flitsen lijken. |
Met dreunend draaiend orgelgeluid,
| met schetterend kleuren geblekker, |
| komt als ’n woelig lustige guit |
| de kermis, in ’t rustig gemekker. |
MOEDERDAG
Hoe zal ik beginnen, de Moeders van ’t dierbaar gewest
| de Moeders van Brabant m’n loflied te zingen? |
| De roem der historie verkondt reeds haar glorie, | |
| slechts luttele taal mij nog rest. |
Die eeuwen, van schamel gewin uit den karigen grond,
| het gezin hebt gehandhaafd in ’t Brabantsche land, |
| vertrouwen op God in de harten geplant. |
| Het geloof onzer vad’ren |
| stroomt nóg ons door d’ad’ren. |
| Dank, Moeders van ’t Brabantse land. |
Want, wat niet den strijd van de mannen vermocht,
| toen plakkaten ons sarden, | |
| het geloof ook verstarde, |
| hebt Gij, trouwe Moeders, in eenvoud gewrocht. |
Deed Gij niet de kinderen hun knieën bukken
| en telkens het Kruis op hun voorhoofd drukken! |
| O, Moeders van Brabant, Gij hebt ons bewaard |
| En in ons de liefde voor Brabant gebaard: |
| de liefde voor ’t land, en de trouw aan de Kerk, |
| O, Moeders van Brabant, het is toch Uw werk. | |
SINT WILLIBRORD
| O levensverwekker Willibrord, die het gewest |
| dat mij zo dierbaar is gekerstend hebt, |
| Uw zielendorst gelaafd hebt en gelest |
| aan onzer vad’ren ongeënte zielen; |
| ons danklied zij U toegewijd |
| na eeuwen nog, o zaaier Gods. |
| De vruchten van Uw moeizaam eerste werken |
| staan schitterend lichtend op de Rots, |
| die naar Gods woord |
| geen tijd vermag te slechten. |
’t Was donker, eindeloos droef en kil
| in onze lage landen. |
| Geen licht dat in die dagen viel, en ied're wil |
| weer huiverig deed stranden |
| bij ’t hun'krend leven zoeken voor de ziel; |
| die went'lend om en om in dode stof |
| het leed niet dragen kon, en snikkend viel |
| te voet en bracht den goden lof. |
| Maar ’t dierst gebrachte godenoffer |
| gaf nog geen licht, geen troost, |
| want ieder offer was 'n bron geboord |
| die satans’macht deed zwellen, |
| die bor'lend opspoot, als 'n drekfontein |
| de geile lustengolf deed snellen, |
| die handen bitter op de zielen woog. |
| Geen troost bij ’t onbarmhartig stervenswonder, |
| 'n loze vraag, het strijden iedere dag, |
| 'n pijnlijk, onbegrepen leven baren |
| waarvan men doel noch uitkomst zag. |
‘t Bleef donker, eind'loos droef en kil
| in onze lage landen |
| todat Gij, Godsgezant uit Rome’s Til, |
| gedreven van de Britse stranden |
| het woord van lichtend leven bracht. |
Langs 't vers geplante Kruishout lekte,
| door Uwe Priesterwoorden stil en zacht, |
| het Bloed dat ons ten leven wekte. |
En bouwend steen na steen aan Christi Kerke
| op deze dierb’re drasse grond, |
| al kampend met het Beest, dat al z’n vlerken slaande |
| met het Kruis de strijd aanbond; |
| hebt Gij dan Wodans’macht gebroken |
| en Christus’leven hier geplant, |
| schier ontevreden, voor ontstoken |
| was een reine liefdebrand |
| die, dag'lijks dagen aan de kimme |
| lichtend opsteeg over ’t land, |
| die 't Al doorwarmdeen bij ’t klimmen |
| klom tot aan de Hemelrand. |
O, dankbaar, Willibrord en Vader,
| en minnend wat Gij t' erven gaf |
| zal Brabant U steeds als 'n kader |
| strijdend volgen, tot in ’t graf. |
ZONDER TITEL
Mijn hart is als ’n dicht omheinde hove
| Waar elk geluid zijn eigen weerklank vindt. |
| Hoe droef is ’t lied der welgebaande wegen |
| Hoe innig schoon het waaien van de wind. |
Het spampende geweld om grond te winnen
| Dat dof en dodend doordreunt in mijn hof |
| Dreigt dag op dag de stilte te verstikken, |
| Een moeizaam vechten tussen geest en stof. |
De duizendwerf versterkte stem der leuze
| Die luid en dwingend eigen denken wondt, |
| Zij mag dan velen licht en leiding geven, |
| ’t is mij het bassen van ’n hese hond. |
Ik ben alleen en toch, wij zijn met velen.
| De pijn van allen waait m’n hofke in. |
| Ik weet mijn hart, mijn liefde, schaars te delen |
| En troost verwachten heeft zo zelden zin. |
’n Wachtend waas hangt over alle dingen.
| Het schoonste zegt nog niet het schoonst te zijn. |
| Ik weet dat ergens eeuwig engelen zingen |
| En dat ik dáár alleen eerst thuis zal zijn. |
DIE VIEL VOOR HET VADERLAND
't Is niet de druk van ’s vijands wrede klauw
| Die mij het beelden van Uw beeld belet, |
| Noch kan het donderend gekraak der wereldbinten |
| ’t Fluisterend lied, dat stervend g’in m’n ziele zet |
| Verduisteren of verjagen, nooit of nooit! |
| Het haatfestijn der volk’ren gaat voorbij |
| En laat slechts laffe schaduw op de landen |
| De lauwe bloedsmaak in den mond, van U en mij. |
| Maar ’t beeld van Hem die op de wallen stond, |
| Die ’t ijs’lijk oorlogsmonster kende |
| Dat sluipend nadersloop en sprong - |
| Die vast en staande bleef en zich liet schenden |
| Tot Hij viel, beschermend nóg den grond |
| Waarvoor hij leed en gaf en stierf ten ende. |
| Hij viel niet! Neen! Hij staat er nog! |
| ’n Licht in ’t duister wereld wenden. |
| Al plette haat en woest geweld U log |
| Het lijf, dat ’t hartebloed den grond bespoot, | |
| De wilde haat kan wel Uw lijf verwinnen |
| Bloedend neerslaan, moed en trouw. |
| Geen moordend wapen toch verzinnen, |
| Waardoor Uw liefd’ ooit sterven zou. |
21 juli 1943
VERTROUWEN
Hoe licht het door de wereld heen
| in allerhande tinten, |
| ook nu nog, als in ver verleën |
| als eindeloze linten. |
Die stond aan stond van ’t mensenhart
| doen aan elkander binden, |
| en dag aan dag, in vreugd’en smart |
| de rust doen wedervinden. |
Vertrouwen van het prille kind
| bij ’t eerste stappen wagen, |
| de grijsaard het vertrouwen vindt |
| zijn ouden dag te dragen. |
De bruid, in ’t leven dat zich biedt,
| de schipper in z’n schuit, |
| en wordt het dan beschaamd of niet, |
| steeds weer ’n nieuwe spruit |
ontspringt het rusteloze hart
| en doet de toekomst lichten, |
| al is het heden nog zo zwart, |
| vertrouwen doet ons richten. |
OVERPRODUCTIE
De trieste nodigheid de leste korrel brood
| met kinderen te delen, die barre nood |
| door mensenmoedwil uitgebraakt |
| onpasselijk van hoogmoed zwelgen, - |
| is nu gedaan en op ’n end geraakt. |
Goddank, na lang en vurig hopen, ach God
| tenminste hier bij ons, als ongetelden ’t lot, |
| door ons zo uitermate droef doorstaan |
| in vele landen nu nog zwaarder dragen |
| waar zij hun hongerdagen gaan. |
d’Onnozele bete broods als goudgewicht gewogen
| is nauwelijks brood voor brood en onvermogen – |
| den overvloed die God ons gaf | |
| te delen naar rechte mensenmaat – |
| drukt reeds de zondenberg af. |
ZONDER TITEL
Men kent de weelde niet van ’t goed geborgen zijn,
| Voor boze tijd’lijkheid geen eindeloos geborgenheden, |
| Geen uur dat pijnloos sterft, maar altijd eindigt met ’n bede |
| Om klaarheid en waarachtigheid voor allen levensschijn. |
Men kent de weelde niet van ’t in de verte waren,
| Hoe schoner schouwspel, schaam’ler lust op ’t end, |
| Verbroken, weg, vervlogen waar men zich ook wendt, |
| Geen glimp meer van wat achter schijn moet klaren. |
Als blinden die in licht en dag verloren lopen,
| Als wezekes in ’t prilste van hun pijn, |
| Als levenbouwers die gedoemd tot sloop en |
| Afbraak van hun eigen broze leven zijn. |
Zo doeloos dolend, derven zielen ongeteld
| Het Licht, dat duizend zonnen in den schaduw stelt. |
1 november 1943
ZONDER TITEL
’t Almachtig Woord schiep al wat is,
| en niet te zien of zichtbaar, ’t is |
| van zon tot schaduw, welgemaakt, | |
| en alles weer den schepper raakt |
| tot lof, die ’t schepsel Hem toch geeft |
| omdat het schepsel is, en leeft. |
En heel alleen en zonder maat,
| te groot om uit te beelden, staat |
| den ongebonden mensenwil, |
| der scheppings pronkstuk en de spil |
| waarrond de levens kunnen draaien, | |
| in God te haten of te paaien. |
5 februari 1943
DE BOODSCHAP VAN DEN ENGEL GABRIEL AAN MARIA
Dit is het uur, in het begin bepaald,
| dat Gabriel ter aarde daalt, |
| vanuit de lichte hemelzalen de donk’re wereld zoeken gaat |
| om groetenis te brengen aan ’n Maagd, die staat |
| als eenzaam heilig in de tijd |
| aan ons beloofd, bij de geboorte van de spijt. |
In deze liefdesstond, te Nazareth
| de Maagd haar vreugde vond om in gebed, |
| ook deze dag, haar simpel werk te verrichten, |
| vervuld van liefde tot haar God, en levend in de vergezichten, |
| door vromen mond aan haar geleerd, dat God Z’n Zoon naar ons zal zenden, |
| ons terug van duisternis naar licht zal wenden. |
Als plots, de lucht vervuld van zoete geuren, in blinkend licht
| de Bode Gabriel voor Haar verschijnt, en Haar bericht |
| dat God, de Heer en Albehoeder, |
| Zijn Dochter groet, Zijn Bruid en Moeder. |
| En Gabriel, gewend aan hemels licht, durft niet te schouwen |
| in ’t aangezicht van de Gezegendste der vrouwen. |
In diepe deemoed neergebogen, ontsteld in iedere vezel van haar reine ziel,
| sprak nu Maria, diep bewogen, Haar fiat, nu het God beviel |
| Haar uit te kiezen, de Vrouw te zijn, |
| wiens voet het hels serpent den kop zal pletten, en hemels rein |
| de deuren open zetten van ’s hemels pracht. |
| O Moeder zoet, de eeuwen hebben U verwacht. |
MARIA BEZOEKT HARE NICHT ELISABETH
Zooals de zon in prille lentemorgen de dag verblijdt,
| de vale aarde kleurt, en boodschapt als ze verder schrijdt |
| hoe dezen dag ons licht en warmte brengen zal, |
| zoo gaat Maria door het stille dal |
| haar nicht Elisabeth bezoeken. |
En licht en vlug en vol verlangen om het geluk, zo groot
| dat Z’heeft ontvangen in haar maagdelijken schoot |
| aan d’oude nicht, als eerste uit te zeggen, |
| en in die late vruchtb’re ook neer te leggen |
| haar geschenk, haar schoonste zelfgeweven doeken. |
Wijl Zacharias’ vrouw Elisabeth in ’t hofke toeft,
| de geuren van de bloemen, van de lente proeft; |
| als plots z’in lichte draai bij fellen brem |
| Maria ziet, die haar van ver reeds groet, met blijde stem, |
| wat ’t kind in haren schoot gezuiverd op doet springen. |
“Te klein is ’t hart om m’n geluk te bergen, o zuster toch!
| Nu Gij als Moeder Gods in ons gezin wilt komen, delen nog |
| ons dak, ons helpen wilt en stutten, ook den dag |
| dat ik ons kindje baren mag! |
| O laat ons toch te saam ’n danklied zingen!”. |
En jub’lend zingt de frisse mond der Moedermaagd
| het lof en dank en liefdelied, tot Hem die z’onder ’t harte draagt, |
| haar Heer en God, wiens almacht ’t al doet beven, |
| maar in dit stille hofke toch wil geven |
| de mildheid van het Paradijs … |
KERSTNACHT
Maria is met het avondmaal gereed gekomen.
| De stal die geurt van soep en vers gebakken brood. |
| St. Jozef haast zich nu de gaten nog te dichten. |
| Maria neemt het kindergoed op hare schoot. |
’t Is nu kerstavond en de wereld ligt te wachten.
| De stad is ver, en ver de drukte van de baan |
| Waarlangs de kooplui met hun zwaarbepakte dieren |
| Met hun kamelen en de grauwe ezels gaan. |
Hoe triestig was het toch, geen nachtverblijf te vinden.
| Maria was zo moe, St. Josef t’ende raad. |
| Men zag de nood, men wilde wel, maar zond hen toch |
| Van d’een naar de ander. Ge weet hoe zoiets gaat. |
Totdat een herder, buiten d’overvolle muren,
| Wanneer de nacht hen donker te bespringen scheen, |
| Met weinig woorden naar de warme schuilplaats wees |
| Voor vee en herders, in dit barre land van steen. |
’t Is alles stil nu in de stal. Slechts hoorbaar nog
| De klank van kralen, schuivend in Maria’s handen. |
| St. Josef dekt het vuur, dat in dit stille uur |
| Zijn laatste spichtig spel speelt op de wanden. |
De nacht valt als een nieuw begin op Beth’lems velden.
| Rondom de stal waait weer de paradijswind aan. |
| Een huiver-stille wacht op gouden klokkeklanken - |
| Een hemels liefdelied komt in de sterren staan. |
Een zingend-zoet geluid wekt Josef uit zijn slaap.
| En wéér roept nu Maria zacht hem bij de naam. |
| Hij richt zich schrijlings op. ’t Is midden in de nacht. |
| “Och Josef”, zegt ze stil, “’t Is tijd om op te staan”. |
In deze Kerstnacht is ’t Kindje dan gekomen.
| Och zie, hoe blij de kleine Moedermaagd het kust. |
| - Ze moesten ’t zelf gesneden wiegske achterlaten - |
| Maar zie, hoe zacht het Jezuskind in ’t kribje rust. |
De stille stal wordt van een wierookgeur vervuld.
| Als eersten staan zij beiden bij het Kind gebogen. |
| Als eerste, die het Godsgeheim in het Kindje zien |
| En luisteren zij als ’t engelenkoor komt aangevlogen. |
Want boven Beth’lem zijn de luchten fel gaan lichten.
| Het Hemels koor is dicht bij d’aarde opgesteld. |
| Het heerlijk lied klinkt op de velden, dat van God’s eer |
| En aan ons mensen van een nieuw begin verteld. |
December 1954
OPDRACHT VAN JEZUS IN DE TEMPEL
Geen groot geraas van bekkens en bazuinen
| Klinkt van het Tempeldak, als Jesse’s Tak |
| Het heiligdom wordt ingedragen. |
| Geen priesterschaar in feestkledij, dat stijf |
| Van goud en stenen staat, zal op de maat |
| Van harp en trom de Heiland schragen. |
De God van (de) Sinaï; de God die vrees verwekt,
| Kan zich verstaanbaar maken, als donders kraken |
| En de berg beeft, als winden loeien. |
| De lang Verwachte wordt hier niet verwacht. |
| De eenvoud van Gods liefdedaad is niet in staat |
| Het trotse mensenbrein te boeien. |
Zoals de wet het vraagt gaan zij ten tempel
| Zo bemind, Maria met het Kind, |
| Sint Jozef die de duifjes draagt. |
| Zoals de Moeder deed is nooit het Lam |
| Door preisterhand geheven. Zo blij gegeven. |
Nooit heeft een offer zó behaagd.
Slechts Simeon’s stem begroet het Heil
| Der wereld - lang verwacht - de volle kracht |
| Der liefde in dit Kind verborgen. |
| Slechts zuivere deemoed mag dit lied verstaan, |
| De tempel ziet noch hoort. Maar ieder woord |
| Wordt in Maria’s hart geborgen. |
2 februari 1955
DE DANS VAN SALOME
De slanke hand uit blanke mouw gestoken
| zoekt tastend gouden voet van kristallijnen kelk, |
| de lichten zijn al aangestoken |
| en schieten kaatsend gulden stralen elk |
| in d’argeloos geheven dronk. |
| En peinzend, proevend, welgezind om wijds vertoon |
| en ’t vlijen van de groten, om wufte lonk |
| van deze vrouwen, blikt Herodes van zijn troon |
| de welverzade gasten over, bedwelmd welhaast |
| van goede spijs en wierookwalm en wijn – |
| met vorstelijke overdaad geschonden, die nog verbaasd |
| deez’gasten, die steeds feestend zijn. |
| ’t Gegons van ’t loze woord, stilaan verstild, |
| verdrongen door het eerste harpenklinken |
| dat naderkomt, en licht en mild, |
| ontlokt aan speeltuig die van goud en stenen blinken, |
| als koele wind om hete slapen waait, |
| en nu Herodes met z’n hovelingen |
| door zoete klanken om de aandacht paait |
| van ’t ranke kind Salome, dat op de buitelingen |
| zweeft der sprankelende harpentonen. |
| En ’t frisse lentekind, het danst en danst, |
| en ’t zwierig went’len bloost de bleke konen |
| van vorst Herodes, die ’t gitte kopje, wit omkranst |
| met blanke rozen, als ’n bloem op ranke stengel |
| op en neer en zijwaarts ziet bewogen gaan |
| door ’t gouden tonenspel, en ’t licht in hem, alsof ’n engel |
| midden zwavel zwang’re lucht komt staan. |
| “Bravo Salome, g’hebt den koning wel behaagd, |
| Uw schone dans heeft mij veel lust gegeven, |
| Het zij Uw recht, m’n kind, dat gij nu vraagt |
| Uw loon voor ’t geen den koning mocht beleven. |
| Wel vrienden, zaagt g’ooit schoner dans. |
| Vraag vrij, vraag veel, al is ’t m’n halve kroon, |
| Opdat Uw koning met z’n hovelingen thans |
| Op koninklijke wijs zijn dank betoon”. |
| Wijl ’t juichen van de mannen niet verstomt |
| en begeleid door valse vrouwenblikken |
| ijlt dan Saloom’ naar waar haar Moeder stond |
| om nu met haar deez’vorstengunst te wikken. |
| “O Moeder, help me toch in deze vreugd, |
| nu ’s Konings gunst mij is gevallen, |
| opdat ik kiezen zal wat mij nog heugt |
| als wangunst ’t leven mag vergallen”. |
| “M’n kind, wilt gij van ’s Konings gunst verzekerd zijn, |
| zijn liefde zo voor U als mij al blijvend ondervinden, |
| gij kent den mens die onder vrome schijn |
| de band, die ons in felle liefde heeft doen binden, |
| verbreken wil, die ons geluk belaagt. |
| O kind, zijn blode taal doet mij de rust ontrukken, |
| Vergeefs heb ik hem voor den rechterstoel gedaagd, |
| Want band noch boei heeft hem doen bukken. |
| Zolang die radde tong in dat gebonden lijf |
| Herodes’majesteit en onze eer kan kladden, |
| Die wilde borst den goeden vorst steeds vast en stijf |
| Weerstreeft, alsof wij zelf geen inzicht hadden, |
| Zolang kan liefd’en rust ons deel niet zijn. |
| Deez’dag, Salome kind, zij wel geprezen. |
| Uw schone dans en lichte schijn |
| van Uwe schoonheid hebben ons gewezen |
| weg en baan in ’t rusteloze zoeken, |
| slechts schooiers eeuwig zwijgen kan nog winnen |
| wat te verliezen staat, ga dan verzoeken |
| en beken de vorst dat gij wilt innen |
| zijn beloft’ in d’afgekapte kop van den profeet”. |
| Verbijsterd om de wrede vraag, in ’t volle feestgeroes, |
| Johannes hoofd, van hem die hij zo heilig weet, |
| Als tuim’lend van het hoogste licht, vanuit z’n felle roes |
| in naakte werk’lijkheid, kan hij de vraag niet vatten, |
| geen schilfer schuld is hij in deze man bewust, |
| de druk op zijne kroon na deze moord is niet te schatten, |
| nooit zal hij zijne koningsmacht door zulk ’n lust |
| ten spot van eigen hart en koningskroon verkrachten. |
| Maar fel belicht nu, kerend van z’n peinzenreis, |
| Ziet hij en kind en gast in spanning wachten |
| Op ’t wederwoord, en of het hart verkild in ijs |
| Ziet hij den terugweg afgesneden. |
| Zijn woord, z’n koningswoord dat hem belet |
| te luist’ren nog naar hart of rede, |
| wat dwaasheid als hij nu toch redt |
| ten koste van zijn eer, het leven |
| van den man die zijne dagen laakt. |
| Met groots gebaar en zonder beven |
| alsof dit woord hem niet meer raakt, |
| klinkt zijn bevel, dat men zal geven |
| wat ’s konings woord te kiezen gaf, |
| het edel, jong en sterke leven |
| dat het om ’s werelds lust begaf. |
ZONDER TITEL
Traag lekken de vlammen reeds lang aan het kruis,
| om dat kruis met z’n Last te verteren. |
| Het kruis, ter verlossong geplant in den grond |
| van de wereld, wiens hoogmoed dit heil niet kon eeren. |
Van ’t planten van ’t kruis, op den drassigen grond
| van d’hoogmoedige wereld, die de strijdkreet vondt; |
| vrijheid, de leus die na roepen nog klinken bleef, |
| en fel, als ’n wind uit de hel, d’ontredderde wereld steeds verder verdreef |
| van ’t teeken der vrijheid, het kruis. |
Tot heden de vlammen der hartstochten slaan,
| de haat en de hebzucht op toppunten staan. |
| Waar God wordt gelasterd, het kruis wordt miskend, |
| de wereld in hoogmoed naar d’ondergang rent. |
Maar ’t Beest kan wel rukken, het kruis zal niet bukken,
| al rukkende rukt het zich dieper toch weer, |
| spijts hebzucht en zinnen, het kruis zal het winnen. |
| Ten oordeel buigt d’aarde in deemoed zich neer. |
PINKSTEREN 1943
Het Leven zelf is opgestegen
| naar ’t eigen Vaderhuis. |
| Wij kruipen moeizaam langs de wegen |
| En zwijm’len onder ’t zware kruis. |
Met Hem, was ’t lichter lasten dragen.
| Nu scholen wij in angst bijeen. |
| Hoe kunnen wij de wereldslagen |
| dragen, zonder Hem, alleen? |
“Geen wees zal ik U achterlaten,
| de Vader U toch zenden zal, |
| de Geest, de stut in alle staten |
| die levend in U werken zal”. |
O kom, O Geest, vergloei ons hart,
| opdat we liefde kunnen zaaien, |
| die duivel lust en wereld tart. |
| Laat in ons Pinkstervlammen waaien. |
MARIA TEN HEMELOPNEMING
Reeds lang zijn de fluiten en tuba’s gepoetst.
| De snaren der citers op reinheid getoetst. |
| Met geurige bloemen, van donker tot licht, |
| die haastige eng’len uit hemeltuin halen, |
| wordt nu nog ’n feestelijke boog opgericht |
| om straks Jezus’Moeder binnen te halen. |
Nog heugen de eng’len het vorige feest,
| het was toen ter eere van Jezus geweest |
| die opsteeg, na mateloos Goddelijk bukken, |
| maar ver overtreft nu deez’feestelijke tooi |
| en zelden zal het zo heerlijk nog lukken, |
| want nooit was ’t Maria, Zijn Moeder te mooi. |
Daar klinkt reeds het zingende wiekengewuif
| van eng’lenvleug’len, die als wit zijden huif |
| Maria beschermend naar d’hemelpoort dragen. |
| De Maagdelijke Moeder, het schepsel, dat God |
| in Zijn Enigheid telt onder magen, |
| de sleutel der menschen op ’t hemelse slot. |
En bij jubelende klanken van ’t engelenkoor
| schrijden Vader en Zoon en Bruidegom door |
| de gangen van stralende engelenrijen |
| om Maria t’ontvangen in het hemels oord. |
| O, laten wij allen met hen ons verblije |
| die staan nog in ballingschap buiten de poort. |
ALLERHEILIGEN
Weer laat Moeder ons gedenken
| ’t feest der zaal’ge zielenrei, |
| hun ter eer, het maakt ons blij, |
| dit naar ons van boven wenken. |
Wie zal d’ongetelde noemen
| in de eeuwen aangeland, |
| wonend in het Vaderland, |
| die den Ongeschap’ne roemen? |
Met de velen die wij weten,
| man en kind, van elke eeuw, |
| prille maagd en heil’ge weeuw, |
| d’onvermoeden niet vergeten. |
Mens als wij, door moeizaam klimmen
| klaut’rend op het smalle pad, |
| lust bedwingend, liefdeszat, |
| stijgend naar de Oosterkimme. |
Stapelplaats van Gods genade,
| Ziel voor ziel en aller ziel, |
| Winst, van ’t bloed dat lekkend viel |
| Op de berg, als purp’re wade. |
O Gij alle, heil’ge zielen
| Zijt getrokken door den Zoon, |
| Maar Uw hunk’ren naar zijn woon |
| Deed Uw wil in deemoed knielen. |
Oktober 1942
CHRISTUS KONING
De wereld ligt haast leeggebloed
| en barstensrijp van overmoed |
| zoekt zij den ondergang te stuiten |
| in barre loochening en muitend |
| op te springen tegen stalen wal |
| die God, de Koning van het Al, |
| in ied’re mensenziel doet bouwen. |
O wereld, zal het droef aanschouwen
| van Uwen laffen diepen val |
| U niet tot les zijn, moet dan al |
| verrottend eerst ten onder gaan |
| voordat ge nederig weer op kunt staan |
| of zoekt ge door Uw zondendaden |
| de Majesteit van God te schaden? |
Te laat is ’t wereld om ’t goed te doen;
| wanneer bij fel geschetter der klaroen |
| de Mensenzoon, de Souverein der volken |
| de Heerser, stralend op de wolken, |
| het laffe mensdom, kond doet van Zijn kracht, |
| dan zal de grootste menselijke macht, |
| de laagste hoogmoedsdaad toch zinken |
| in het niet bij deze nooit begrepen glans. |
O Kiningsmoeder, wil ons thans
| door Uwe voorspraak wedergeven, |
| dat al ons werken, wil en streven, |
| door Koningswet van Uwen Zoon gericht, |
| tot rust en vrede op de wereld |
| en tot Zijn glorie wordt verricht. |
DE ENGELBEWAARDERS
Tuim’lend zijn de afgezanten,
| minnaars van den Heer, |
| ’s mensen zuiv’re bloedverwanten, |
| afgedwarreld, op ons neer. |
Louter geest, aan ’t vlees gebonden
| naar Gods goede wens, |
| door Zijn liefde zo gevonden |
| voor den zwakken mens. |
Thuis bij God, Zijn Wezen kennend,
| Hem aanbiddend in het koor, |
| is Hij ons tot steun, ons mennend, |
| leidend de gevaren door. |
Blijvend aan ons vastgeklonken,
| ‘t hemels’ aan ’t aards’ geboeid, |
| delen wij in ’t Godlijk lonken |
| als Hij voor Gods aanschijn stoeit. |
|