GEMEENSCHAPSGEDACHTEN
"Gemeenschapsgedachten" was een rubriek van Toon van den Bosch (onder het pseudoniem A.B.) in het Nieuwsblad voor het Kanton Oosterhout
N.b.: nog in opbouw
1. Gemeenschapsgedachten, april 1947 (?)
Het is al een paar maanden geleden, dat ik op een Zondagmiddag de K.R.O. Pater Zuure hoorde 'aankondigen en spoedig klonk zijn voor ons zo bekende gevoelige stem in de huiskamer. Natuurlijk sprak hij over de Missie. We hebben al zo dikwijls over de Missie horen spreken en iedere keer boeit het ons weer. Die middag echter heeft Pater Zuure meer gedaan, hij heeft ons een sprookje verteld dat mij zo heeft ontroerd, dat ik het mijn leven lang niet meer vergeten zal een sprookje, dat werkelijkheid is, en zo schoon, dat wij het onze kinderen moeten navertellen. Meer dan een mensenleeftijd geleden trokken er uit de landen rondom ons, en ook uit ons land, en ook uit Oosterhout, dappere jonge priesters naar verre vreemde landen. Maanden en maanden duurde de tocht. Zij trokken door landen waar de mensen een taal spraken die zij niet verstonden Zij klommen over hoge bergen. Zij voeren over wijde zeeën. Door dichte bossen ging hun weg dagen lang. Zij leden honger, zij hadden dorst. Woeste bergstromen moesten ze oversteken, en omdat er geen bruggen waren van rotsblok tot rotsblok springen om de overkant te bereiken. Maar zij telden geen vermoeidheid en geen pijn, zetten de tanden op elkaar en kwamen eindelijk in het land van de negers. Die negers kenden O. L. Heer nog niet en de duivel alleen was daar de baas. De Missionarissen vertelden de negers van O. L. Heer en waren heel goed voor de negers, vooral voor de arme negerkindjes. Langzamerhand leerden de negers God kennen en van Hem houden. Maar dat was natuurlijk de duivel niet naar de zin. Altijd was hij hier de baas geweest en hadden de negers naar hem geluisterd. Maar sinds die blanke Paters in dit zwarte land gekomen zijn, gaan hoe langer hoe meer negers van God houden jen luisteren niet mieer naar de duivel.Hij zwiepte met zijn boze tovenaars naar de Paters om hen te plagen en bang te maken. Maar de Paters verdroegen de plagerijen geduldig en werden niet bang, want God was bii hen. Na vele jaren waren er al heel veel negers en negerkinderen gedoopt en de duivel, die steeds maar bozer werd. zwiepte nog harder met zijn staart en riep alle tovenaars bij elkaar en stookte die op om met geweld de negers van God af te trekken. Vele brave negers werden nu met kettingen aan elkaar gebonden en in een donkere gevangenis geworpen. Als zij beloofden niet meer naar de Paters te gaan mochten ze weer vrij naar huis gaan. Maar die dappere negers wilde liever in de gevangenis blijven dan ontrouw worden aan O. L. Heer. Toen werden de tovenaars zó kwaad dat ze met knuppels begonnen te slaan en met gloeiende ijzers die arme negers vreselijk pijn deden. Maar het hielp allemaal niets. Liever vreselijk pijn lijden dan tegen die slechte tovenaars te zeggen, dat zij niet meer van O. Lieve Heer hielden. En als we nu voor in onze St. Janskerk naar de schilderij kijken die op de rechtermuur geschilderd is, dan kunnen we zien, hoe deze dappere negers op de brandstapel levend zijn verbrand omdat zij trouw bleven aan hun Katholiek geloof. Weer vele jaren later, toen het hier oorlog was, was het op zekere dag groot feest in dat negerland. De prachtige grote kerk in de hoofdstad van dat land stond te blinken in de zon. Duizenden negers waren daar op het grote plein voor de kerk samengedromd en keken met schitterende ogen naar de stoet, die midden tussen hen doortrok naar de ingang van de kerk. De negers rekten de halzen en gingen op de tenen staan om beter te kunnen zien. De vaders zetten de zwarte kroeskopjes op hun sterke schouders en wezen met blinkende ogen en fiere stem naar hun bisschop die in vol ornaat en omgeven door vele priesters plechtig voorbijtrok. Dan, opeens klonken de trommen. En voorafgegaan door de prinsen en de groten van het land, schreed waardig en fier, prachtig uitgedost, de koning van het land. De koning, die in het bijzijn van bisschop en prinsen naar de kerk trok om zijn koningschap, zijn land en volk aan Christus toe te wijden. Pater Zuure, ik heb de jubel in uw stem wel gehoord en begrepen, toen gij de woorden zei waarmede de koning, de toewijding deed. Die eenvoudige woorden van die negerkoning, hebben ook in ons hart een jubel losgeslagen, om de eer aan God gebracht, en het geluk van dat negervolk. Maar tegelijk met die jubel heb ik ook een schrijnende pijn gevoeld, om wat we ook hier konden hebben en niet hebben gewild. Ik heb gedacht aan wat grote denkers reeds jaren geleden hebben gezien, de opkomst van wat kort geleden nog heidenlanden waren en het verval van onze Westerse beschaving. Is de kerstening van die heidenlanden in zo korten tijd, geen machtig Gods wonder? Is het niet alsof God zich gehaast heeft daar zijn rijk te. vestigen omdat het .verval hier zich te duivelssnel voltrekt? Lopen wij niet met de angst voor het monster van de goddeloosheid in de ogen, dat monster, dat zich aandient als een positieve macht, maar in werkelijkheid niets anders is dan een leegte, een gemis aan Godskennis en liefde tot God. Het is dezelfde duivel die in de missielanden van heerser tot slaaf geworden is, die hier als een gemeen mon ster met ontelbare vieze poten overal peutert waar Godsliefde is, om zieke plekken te maken, waardoor onze Gods liefde uit wegsijpelt. Hoe zal men over ons spreken, over 50 of 60 jaar? Zal dan ook van ons gezegd kunnen worden dat wij die duivel ook hier hebben bedwongen? Of zal men aan de kinderen vertellen hoe wij, ondanks de waarschuwing van twee verschrikkelijke oorlogen ons zonder tegenstand hebben laten leeglopen van God? Dat zou verschrikkelijk zijn. Er is nog zoveel goeds in ons Brabant, nog zoveel Godsliefde in Oosterhout en zoveel mensen van goede wil. Waarop wachten wij toch om een openlijk en sterk verzet te vormen tegen dit brutaal opdringend heidendom? Is onze wil te klein? Is het werk te groot ? Maar zouden wij niet kunnen wat onze dappere mannen en vrouwen met Göds hulp in vreemde landen konden, een heidenvolk tot Godsvolk maken? Ook wij gaan aan de slag. Ook wij zullen door landen, itrekken waar de mensen ons niet begrijpen. Ook wij zullen eindeloze zeeën van oppervlakkigheid moeten oversteken, ook wij zullen bergen van hoogmoed en menselijk opzicht moeten overklimmen, ook onze weg zal voeren door dichte wouden van zingenot en zedenbederf, ook wij zullen staan voor de stroomversnellingen van de moderne vooruitgang en de rotsblokken van de techniek, ook hier zal de duivel wild met zijn staart slaan. Maar ook wij zullen hem rustig met Christus tegemoet gaan en met Hem overwinnen.
2. Gemeenschapsgedachten, juni 1947 (?)
Onze na-oorlogse tijd kenmerkt zich door een driftig zoeken naar de nieuwe basis en naar nieuwe vormen voor een gelukkige samenleving. Nog midden in de naweeën van een verschrikkelijke tweede wereldoorlog heeft onze Westerse beschaving eens en voorgoed ingezien dat zij hopeloos is vastgelopen, nooit bestond er meer eenstemmigheid op dit punt. Het tragische is echter, dat er wellicht meer dan ooit juist in onze tijd een ontstellende verdeeldheid bestaat in denken en willen ten opzichte van grondslag en vorm van de nieuw op te bouwen maatschappij. Dit kan ons geenszins verwonderen omdat het inzicht voor een maatschappelijke grondslag tenslotte altijd afhankelijk is van een bepaalde wereld en levensbeschouwing, terwijl onze tijd toch gezien moet worden als de kroon op het werk, het slotaccoord, de erfenis van een eeuwenlange vrijdenkerij met als feitelijke uitslag een verbijsterende verwarring der ideeën. In onze beschaving is de eenheid van denken over de waarde van mensen en dingen verloren gegaan en het is een kansloos spel der wereldgroten om uit de brokstukken van deze liberale erfenis een nieuwe maatschappij op te bouwen. Vandaar dat het geen vraag is naar herstel, maar een kreet om vernieuwing tot op de grondslag toe, een vernieuwing waarvan bestaan of ondergang van onze Westerse beschaving afhangt die geen eindeloos gedokter meer verdragen kan, hier kan alleen nog een vernieuwing uitkomst brengen die waarde en plaats van mens en leven in de enig uiste verhouding weet te zetten tot oorsprong en doel van al het geschapene dat is, tot God. De talloze inzichten betreffende de grondslag van de nieuwe samenleving zijn dan ook terug te brengen tot twee die lijnrecht met elkaar in strijd zijn, n.l. een Christelijke of communistische maatschappij, een maatschappij gegrond op God en Zijn wetten, en een materialistische, zonder God. De felheid van deze strijd voor het behoud van onze beschaving en de belangrijkheid van de uiteindelijke afloop kan ons moeilijk buiten het daadwerkelijke medestrijden houden, maar bovenal, hoewel van de persoonlijke invloed of de invloed van de kleinere gemeenschappen op dit wereldgebeuren nauwelijks iets te ervaren valt, staat het toch onomstotelijk vast, dat het inzicht der individuen en de in kleiner verband levende gemeenschappen het wereldinzicht bepaalt, evenzeer als het wereldinzicht als zodanig wederkerig een onvermijdelijke inwerkende kracht bezit ten opzichte van individu en kleine gemeenschap. En hier mee is de vraag gewettigd hoe Katholiek Oosterhout, als een fractie van het geheel, staat tegenover dit wereldomvattend probleem. Dat voor ons als Katholieke gemeenschap een op Christus, Zijn leer en wetten gegronde samenleving de enig uitkomst brengende is vraagt geen nader betoog. Voor ons die geloven dat Christus de Zoon van God is die gezegd heeft „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”, is het geen vraag meer naar het hoe, maar slechts een spontaan en doelbewust levendmaker van de leer, die terecht het evangelie, de blijde boodschap genoemd wordt, omdat zij allen van Godswege zekerheid verschaft aan de zoekende wereld de juiste waarde en verhoudingen te kennen van mensen en dingen. De vraag Christendom of communisme kan voor Oosterhout dan ook geen keuze zijn, maar alleen een zich verdiepen in de vraag of wij als Katholieke gemeenschap beantwoorden aan de verwachtingen die het Christendom als vaste basisvormende kracht voor de opbouw van een nieuwe samenleving in de wereld wekt. De beantwoording van de vraag of Oosterhout als Katholieke gemeenschap aan deze wereldverwachting beantwoordt of te meten naar het al ol niet aanwezig zijn in Oosterhout van een kleinere of grotere communistische partij, een communistische vertegenwoordiging in onze gemeenteraad of naar het aantal communistische stemmen bij een verkiezing ingebracht, zou doen blozen als we niet wisten hierdoor het wezen van het communisme schromelijk te miskennen. Het communisme immers, deze op louter stof gebaseerde levensbeschouwing, wordt zeer terecht door de Paus getypeerd als Goddeloos. Goddeloosheid nu is iets negatiefs en bestaat en kan alleen bestaan bij gemis aan Godsbesef en liefde tot God. In zoverre er Godsgevuldheid ontbreekt is er sprake van goddeloosheid, en zo is iedere vermindering van levend geloof winst voor het communisme. De vraag of' wij aan de wereldverwachting beantwoorden kan dan ook alleen gemeten worden naar de mate waarin wij ons Katholicisme beleven, naar de mate waarin wij het Evangelie die blijde boodschap levend maken in de wereld, in ons eigen leven. Onze hopeloos vastgelopen wereld snakt naar verlossing en zoekt naar een zekere grondslag voor de nieuwe maatschappij die alleen het Christendom geven kan. Laten we toch beseffen wat Oosterhout als Katholieke gemeenschap te doen staat, laten we toch dat -gene, wat we hier kunnen b'eluisteren in ernstige gesprekken en wat onze eenvoudige Oosterhoutse mensen uitdrukken door zorgvol hoofdschuddend te zeggen: „Waar gaat 't toch naar toe met onze wereld', laten wij dit omzetten in een blij en doelbewust leven, en zo zal Oosterhout het maatschappelijke vraagstuk dichter bij de oplossing brengen, want .slechts bij een radicale terugkeer naar Christus zal onze Westerse beschaving zich kunnen handhaven.
3. Gemeenschapsgedachten, juni 1947 (?)
Gemeenschap en gemeenschapsgedachten zijn uitdrukkingen, die wij na de oorlog steeds meer horen en die hoe langer hoe meer worden begrepen aangevoeld en dat is een verheugend verschijnsel. Dat een dorp of stad als een groot gezin een hechte gemeenschap vormt wordt ook in Oosterhout hoe langer hoe duidelijker en wij kunnen deze gemeenschapsgedachte nooit genoeg bevorderen. Zoals in een gezin het gehele gezin met ieder lid meeleeft en mee lijdt zo ook dient dat in onze gemeente te gebeuren. Daarom verheugen wij ons in het succes dat ons gemeentebestuur heeft bij het voortdurend streven naar het verkrijgen van een bloeiende industrie in Oosterhout, zo leven wij mee met oze jongens in Indië en met onze missionarissen. Zo zijn de prachtige concerten van Aurora voor ons allen een gebeurtenis, hoe fijn vinden wij het, dat onze Nachtegalen zo heerlijk zingen, met spanning volgen wij de opgang van onze voetbal, onze Harmonie gaat weer vooruit en we leven mee, het Missieorkest zal..eerdaags weer aan de verwachtingen beantwoorden en al deze dingen gaan ons aan, zoals het wel en wee van een gezinslid het gehele gezin aangaat. Maar één ding moeten we niet uit het oog verliezen. Oosterhout ligt in 't hartje van Katholiek Brabant en is in merg en been een Katholiek stadje, en zoals het in een Katholiek gezin het hoogste geluk uitmaakt een echt diep Godsdienstig gezin te zijn, zo is het ook met het grote gezin Oosterhout. Niet alleen maakt deze godsdienstzin het hoogste geluk van een Kath. gezin uit, het is er ook fier op hiervan naar buiten blijk te geven en zo moet het ook met ons Oosterhouts gezin zijn. Juist dit in merg en been Katholiek zijn van onze goede stad moet de aantrekkelijkheid uitmaken voor iedere vreemdeling. Wanneer dan vorige week in dit blad ‘n artikel was opgenomen onder 't opschrift „Toerisme", dan is het ook zeker van zeer; groot belang ook deze mogelijkheid voor Oosterhout onder het oog te zien. Niet alleen omdat dit voor de welvaart van Oosterhout van grote betekenis kan worden, maar ook omdat wij vannarte graag aan vreemdelingen van het voorrecht in een mooie omgeving te wonen meedelen. Maar dan moeten we er ook voor zorgen dat die vreemdelingen in Oosterhout vinden wat ieder weldenkend vreemdeling in het hartje van Katholiek Brabant zoeken zal: een rustig vacantieoord, waar alles een echt Katholieke geest uitademt, dat alleen zal voor vreemdelingen de aantrekkelijkheid uitmaken. Van Oosterhout zal men niet anders verwachten. Tot slot in dit verband nog een practisch puntje. De lezers zullen zich nog wel herinneren, hoe in de eerste jaren van ons natuurbad „De Warande", niet alleen het bad maar ook het strand door een houten schot gescheiden was. Sinds enige tijd heeft men het houten schot van het strand vervangen door een afrastering van kippengaas. Ik meen niet de enige te zijn, die bij het zien van deze toestand onwillekeurig de indruk krijgt, dat men hier wel wil maar niet durft of omgekeerd, dat men wel durft maar niet wil, dat Oosterhout zich hier wel Katholiek wil uiten maar niet durft of andersom Me dunkt dat deze manier niet de juiste is om zich zelf te respecteren en door andere gerespecteerd te worden. Misschien is de oorspronkelijke afscheiding nog aanwezig, en anders zal er in de maanden die nog resten voor de Warande geopend wordt nog wel gelegenheid zijn om iets dergelijks bij elklaar te krijgen. Oosterhout, blijf je zelf en... wees groot.
4. Gemeenschapsgedachten, juli 1947 (?)
Ons vaderland staat in het teken van de opbouw, van het herstel. Hoe langer hoe helderder kunnen wij, nu de oorlogsstonn voorbij is, de schade gaan berekenen die deze oorlog ons berokkend heeft Van rijk welvarend zijn wij geworden tot 'n arm en hulpbehoevend land, 'n land dat al zijn krachten zal moeten inspannen om de gevolgen van vernieling en plundering te boven te komen, 'n land dat korte jaren geleden om zijn welvaart en onafhankelijkheid naar de ogen werd gezien en dat nu naar andere landen de hand moét - uitsteken om hulp en steun. De geweldige krachtinspanning die ons land tentoonspreidt om uit de ellende te geraken is niet in staat de indruk weg te nemen dat wij straat' arm geworden zijn. Maar niet alleen op materieel, ook op geestelijk gebied zijn de verliezen die deze oorlog ons bezorgd heeft enorm groot. De jarenlange dagelijks terugkomende zorg om het hongerspook uit de vingers te blijven, de jarenlange angst voor de willekeur van de bezetter, de angst voor het steeds dreigend oorlogsgeweld, de verbittering om het aangedane onrecht en de spanning van onze onmacht hebben ons vermaterialiseerd. De sabotagewoede tijdens de bezetting heeft ons degelijk inzicht in gezagsverhoudingen vertroebeld. De vorming van onze jeugd heeft stopgestaan, onderduikers en jonge mensen die in den vreemden zijn tewerk gesteld hebben alle normale vorming moeten missen en de teleurstelling die de bevrijding ons tenslotte in heel veel opzichten gebracht heeft, hebben er toe bijgedragen, dat ons volk ook geestelijk 'n flinke knak gekregen heeft. Het neemt echter niet weg dat deze verschrikkelijke tijd ook iets goeds gebracht heeft. Een van deze goede gevolgen is zeker 'n beter begrip van en 'n sterker ontwikkelde vaderlandsliefde. De vele mannen en vrouwen die alles, tot hun leven toe gegeven hebben voor het vaderland, de velen ook die dat vaderland verraden en verkocht hebben zijn als tot nieuwe levenwekkers geworden van onze vaderlandsliefde. In hen is 't ons weer duidelijk geworden dat het Vaderland een bezit is, waard om voor het behoud ervan te offeren en zelfs te sterven, 'n bezit dat men niet versjacheren kan zonder een zwaar misdrijf te begaan. In hen zijn d& helden en verraders uit onze vaderlandse geschiedenis en die voor ons dikwijls niet meer dan als legendarische figuren golden, weer levende werkelijkheid geworden. Door de verschrikkelijke lotgevallen^ maar vooral door de liefde van dé helden en het laffe van het verraad heeft het vaderland een grotere plaats in ons hart verworven. Deze nieuw ontwaakte vaderlandsliefde in ons te bewaren, te ontwikkelen, en tot een levende deugd te maken zal een streven zijn dat opbouw en herstel van ons verminkte vaderland ten gunstigste zal beïnvloeden.
Onze vaderlandsliefde zal echter geen vaste en blijvende voedingsbodem vinden alleen in 'n reeks geschiedkundige gebeurtenissen, de laatste gezamenlijk geleden lotgevallen, die voor ons 'n aanleiding waren onze verbondenheid sterker te voelen, zullen spoedig vervagen en de vaderlandslievende redevoeringen die er bij alle mogelijke nationale gebeurtenissen worden uitgesproken kunnen onze vaderlandsliefde even opkikkeren maar wanneer er geen andere bronnen waren om deze liefde in ons levendig te houden dan zou onze vaderlandsliefde spoedig alleen maar weer bestaan in het betalen van zo weinig mogelijk belasting en het onder de wapens gaan van onze jongens. Het is duidelijk dat wij iets meer nodig hebben dan alleen het weten dat we door allerlei historische gebeurtenissen een op elkaar ingestelde gemeenschap vormen. Het weten het met ons verstand beredeneren van onze verbondenheid is voor ons .mensen niet voldoende om onze liefde op te wekken voor het vaderland voor deze in eeuwen gegroeide gemeenschap. Meer dan uit al deze bronnen zal onze vaderlandsliefde moeten putten uit onze verbondenheid met land en volk zoals wij dat in het dagelijkse leven ervaren, daar zal niet alleen ons verstand maar ook ons hart 'n woordje meespreken en daar alleen zal verstand en hart samen pas tot, een echte liefde kunnen worden, daar in die tastbare aanraking met land-'en volk, in familie, vereniging en stad, daar komen we pas los uit ons isolement, daar spelen wij onze bescheiden maar verantwoordelijke rol, daar worden we van een opzichzelfstaand persoon tot gemeenschapsmens, daar worden wij vaderlanders.
Ons vaderland is het geografisch gegroeide, het vaderland van de landkaart. Ons vaderland is ook het constitueel gegroeide, het Koninkrijk der Nederlanden met als hoofd onze geerbiedigde en roemrijk regerende Koningin. Ons vaderland is ook het land van onze Nederlandse families, dorpen, steden, streken en provincies. Meer dan met het vaderland van de landkaart, meer dan met het Koninkrijk der Nederlanden wéten en voelen wij ons verbonden met het vaderland van familie, stad en streek. Daar leven wij eerst als Nederlanders, daar geeft het vaderland ons alles, daar geven wij ons aan het vaderland, daar leeft de liefde tot ons land. In deze kleine kring wordt onze liefde tot het land geboren, hier wordt onze liefde tot het land tot 'n tastbare werkelijkheid. Met vele banden weten wij ons aan het grote vaderland gebonden, maar aan het kleine stukje land, aan het stadje waar wij geboren zijn waar de goedheid van de mensen en de schoonheid van de streek ons het schone leven hebben geopenbaard, waar wij onze eigen aard en ons rijk geloof als een goede gave met de Oosterhotftse lucht en de Oosterhoutse spraak hebben ingedronken, aan dat stukje vaderland zijn wij met onverbreekbare liefdebanden, verbonden. Nederland nu wordt "gevormd en is samengesteld uit evenzovele dorpen, steden, streken en provincies, ieder met de eigen aard en die samen het vaderland zijn, verzaakt een van deze delen aan eigen aard, dan verliest het vaderland daarmee een van zijn elementen waaruit het is opgebouwd. De liefde voor het vaderland gaat langs familie, stad en streek naar het grote vaderland en naarmate wij onze stad en streek liefhebben zullen wij ook de echte vaderlandsliefde bezitten, de liefde die voortkomt en gestuwd wordt door het hart, de liefde die levend is door de tastbare verbondenheid met land en volk. Deze liefde spreekt veel sterker dan het kennen van onze historische verbondenheid. Het bewaren van de liefde voor onze stad, het bewaren van onze eigen Oosterhoutse aard is een zaak van waaarachtige vaderlandsliefde want een verwateren van eigen aard vindt zijn oorzaak in en heeft tegelijkertijd tot gevolg 'n vermindering van liefde voor geboortestad en streek en is verlies voor het vaderland omdat het vermindering van vaderlandsliefde is en waar geen liefde is kan niets dat groot is tot stand komen en toch; Ons vaderland staat in het teken van opbouw en herstel, er moet gebouwd en hersteld worden op stoffelijk en geestelijk gebied en wie zal zeggen dat dit werk, dat toch in werkelijkheid hierin bestaat dat Nederland van een straatarm afhankelijk land tot een welvarend onafhankelijk land moet. worden, wie zal zeggen, dat dit geen groot werk is, groter en zwaarder misschien dan er een in onze geschiedenis aan te wijzen is. Dat we materieel meer dan ooit van anderen afhankelijk zijn is erg, en zal de materiële opbouw en het herstel zeker niet eenvoudiger maken, maar dat wij er voor 'n belangrijk gedeelte ons geestelijk eigene bij ingeschoten zijn is 'n nationale ramp. De vermindering van onze geestelijke zelfstandigheid brengt vermindering van vaderlandsliefde, terwijl juist nu ons land de liefde zo hard nodig heeft, want zonder grote liefde zal er geen groot werk tot stand komen. De Nederlander is altijd nuchter en zakelijk geweest; nooit echter materialist, integendeel, onze kracht is het altijd geweest 'n godsdienstig volk te zijn, al was het geloof in verschillende streken dan ook verschillend. Nederlands' grootheid en zelfstandigheid kan in de toekomst alleen hierin bestaan, dat het als 'n klein, maar groot-gelovig land zal staan tussen het communisme enerzijds en het materialistisch humanisme anderzijds. Daar gaat het om. Slaagt Nederland hierin dan zal Nederland als klein land 'n grote roeping in de wereld vervullen en zijn zelfstandigheid verzekeren, slagen wij hierin niet dan zal ons land, ook zelfs bij het bereiken van 'n grote materieële welvaart, als 'n volkomen waardeloze prul door een van deze geestesstromingen worden opgeslokt en wellicht voor altijd van het wereldtoneel verdwijnen.
Dat Oosterhout als Katholieke gemeenschap hier voor ons Vaderland een belangrijke rol krijgt toebedeeld is duidelijk. Dat ons geestelijk eigene, onze waarachtige godsdienstigheid ook mede door de gebeurtenissen van de laatste jaren belangrijk geleden heeft, zal niemand in twijfel trekken en daardoor is het diepste wezen van onze eigen Oosterhoutse aard in gevaar gebracht, daardoor zijn we bezig onszelf los te weken van de dierbare grond onzer vaderen, wij zijn aan het ontaarden en onze liefde voor het land aan het verkwanselen voor wat klatergoud. Het bewaren en verstevigen van onze eigen Roomse, Oosterhoutse aard is 'n gemeenschapszaak waaraan niemand zich onttrekken kan en waardoor wij allen onze vaderlandsliefde tot 'n levende werkelijkheid kunnen maken, tot zegen van Oosterhout en redding van ons Vaderland.
5. Gemeenschapsgedachten, juli 1947 (?)
Wanneer wij op een warme zomerdag 't Wilhelminakanaal naderen aan de Bred. weg en wij begeven ons op de z.g. Hoge brug dan wordt ons oor getroffen door 'n geroezemoes van blije, door het watervlak van de Warande weerkaatste stemmen dat met het naderen aanzwelt tot een waar vacantieklankbeeld en wij voelen ons aangetrokken aan te sluiten bij deze van water, zon en boslucht genietende mensen. Onze Warande is dan ook een schoon natuurbad, mooier en groter dan er in verre omtrek te vinden is en wij zijn er trots op dat er ieder jaar meer vreemdelingen de Warande bezoeken; en toch moet er naar aanleiding van de gang van zaken in de Warande iets van mijn Oosterhoutse hart. Wat is nu het geval ? Terwijl ik me ieder jaar verheug over de uitgroei van de Warande, over het steeds drukker wordend bezoek ook van buiten heb ik de minder aangename ontdekking .gedaan dat ik me ook ieder jaar in onze Warande, minder behaaglijk, minder op mijn gemak, kortom, minder thuis gevoel. Er is dan ook sinds het begin heel wat veranderd. Toen wij in het begin, bij de opening van de Warande als zwemliefhebbers van het Kanaal naar de Warande verhuisden was het b.v. in de herenafdeling verboden anders dan in 'n volledig badcostuum te verschijnen. Wij vonden dat heel gewoon en het werd algemeen gedaan tot de bezetting kwam en de Duitsers ook de Warande de clandisie gunden en ook hier duidelijk toonden hun opvattingen uit heel andere bron te putten dan wij hier in Oosterhout. Zij brachten ons . het „Duitse" broekje, en we vonden het ongegeneerd. Al spoedig echter waren er vreemdelingen en ook vlugge Oosterhouters die deze mode overnamen en op het ogenblik is 'n volledig badpak bij de herenafdeling 'n hoge uitzondering en men vindt er hoofdzakelijk 't geïmporteerde broekje en ... we vinden het nóg ongegeneerd. In het begin 'van de Warande was niet alleen het dames- en herenbad maar ook het. strand door 'n houten schot gescheiden en wanneer ik mij na de vervanging van dit houten schot door kippeagaas niet meer zo thuisvoel in onze Warande dan vindt dit zeker zijn oorzaak hierin, dat ik het als Oosterhouter nooit gewoon zal vinden onze vrouwen en meisjes in badcostuum te bezichtigen, evenmin als het voor een hoogstaande Katholieke vrouw of meisje ooit gewoon zal zijn zich in badcostuum in het openbaar voor mannen en jongens ten toon te stellen. Zulke dingen kunnen we allen gewoon gaan vinden ten koste van ons schaamtegevoel. In het kleuterbad en het speelstrand voor de kleintjes was het in het begin voor volwassenen en grotere jongens en meisjes verboden in badcostuum te verblijven. Op het ogenblik is dit stukje Warande zó dat het moeilijk van 'n gemengd strand te onderscheiden is. Wij moeten deze zaken onder het oog durven zien. Oosterhout als Katholieke gemeenschap heeft zich over deze zaken rekenschap te geven. Ik weet heel goed dat het meedoen aan dit zomervermaak en zeker het exploiteren van een bad- en strandgelegenheid ons al Katholieken dagelijks voor grotere problemen stelt, problemen die voortvloeien uit het feit dat de» wereldopinie over het bad en strandleven met ontstellend grote sprongen steeds meer afwijkt van onze eeuwenoude en eeuwigdurende dezelfde blijvende Katholieke opvatting, maar we moeten er ons ook rekenschap van geven dat de zedenverwildering van onze tijd, als 'n onheilspellend trillende naald op de barometer van, de geschiedenis, steeds dichter naar het einde van onze beschaving wijst. Wij kunnen ons in dodelijke angst .of onverantwoordelijke onverschilligheid voor dit einde als stomme dieren meelaten drijven in deze onheilbrengende stroom, intussen ons geweten sussend met uitvluchten waarin we zelf niet geloven „met zijn tijd meegaan", „de bredere kijk op de dingen", of „om erger te voorkomen”, maar we moeten er ons dan ook rekenschap van durven geven dat wij ons Katholicisme tot 'n caricatuur maken, dat wij bezig zijn 'n gevaarlijke barricade op te werpen tegen de bereiking van ons eigen levensdoel en dat van onze kinderen en dat wij voor de zieke wereld, in plaats van het zout der aarde 'n smakeloze massa van laffe onverschilligheid zijn. Wij moeten eerlijk durven zijn. Ik ben er van overtuigd dat in onze Warande met de vervanging van het houten schot door gaas tussen het dames- en herenstrand in letterlijke en figuurlijke zin het hek van de dam is gedaan en dat deze daad als een eerste afwijking moet worden beschouwd van het principiële begin. ledere geregelde bezoeker van de Warande heeft kunnen vaststellen dat in het eerste kippengaasseizoen onze Oosterhoutse badgasten van weerskanten slechts schoorvoetend deze nieuwe afscheiding naderden en het helemaal niet gewoon vonden elkaar van dichtbij in badcostuum te bezichtigen, terwijl op dit ogenblik het geklis tegen de gaas waarlijk geen verheffend schouwspel biedt. Wat mij echter ernstiger voorkomt is, dat ik hier geen toestand beschrijf, maar dat er voor ieder die niet blind is in onze Warande een duidelijk waarneembare jaarlijks voortschrijdende ontwikkeling plaats vindt die, mits een radicale terugkeer naar het principiële begin onvermijdelijk tot een toestand leiden moet die voor Oosterhout ontoelaatbaar is. Men is duidelijk bezig aan beide zijden van deze belachelijke gaas een zodanige druk uit te oefenen dat het, gezien de ontwikkeling van de laatste jaren, dom. zou zijn te geloven, dat de verantwoordelijke persoon, of personen die, om welke redenen dan ook kouden besluiten het hout door gaas te vervangen, deze ontwikkeling zullen kunnen tegenhouden. En hiermee heb ik over deze belangrijke zaak mijn Oosterhoutse hart uitgesproken. Misschien wordt er tegengeprutteld, misschien dat men schouderophalend dit geschrijf naast zich neerlegt, misschien ook zal Oosterhout begrijpen wat onze goede stad tot eer en zegen strekt, ik weet het niet, maar wel weet ik dat zonder 'n spoedige en radicale terugkeer van onze Warande naar het principiële begin, de „bredere" opvatting het zal winnen van onze eigen en onveranderlijke Katholieke, dus Oosterhoutse opvatting, dat het zonder deze radicale terugkeer onmogelijk zal zijn de ontoelaatbare toestanden aan het Kanaal dé kop in te drukken en dat zonder deze terugkeer Katholiek Oosterhout zijn steentje zal bijdrages om het monster van de zedenverwildering te helpen onze beschaving tot de grond te vernietigen. Oosterhout blijf je zelf en .... wees groot.
6. Gemeenschapsgedachten, juli 1947 (?)
Verchristelijking van het openbare leven
Naar de mate waarin een bepaalde gebeurtenis beantwoordt en afgestemd is aan wat er leeft in de volkswil, naar dezelfde mate zal zij in staat zijn de gemoederen in beweging te zetten. Vandaar dan ook, dat met het initiatief om in Oosterhout een openbare plechtige H. Sacramentsprocessie te houden in onze Oosterhoutse gemeenschap een snaar is aangeslagen, waarvan de trillingen weldadig-duidelijk merkbaar geweest zijn. Een gebeurtenis als deze spreekt ons aan tot in het hart en is in staat rijke en schone gedachten bij ons op te wekken.
Toen en thans
Onwillekeurig worden door deze gebeurtenis onze gedachten getrokken naar toestanden in het verleden, naar priesters en leken, die in de ontwikkeling van het katholieke leven van ons vaderland en ons gewest nooit genoeg gekende en door ons te waarderen dingen hebben tot stand weten te brengen, waarvan wij nu de vruchten plukken. Meer dan een terugblik op het verleden echter, wekt deze gebeurtenis gedachten bij ons op, 'n mijlpaal te zijn, een concreet punt in de ontwikkeling van het katholicisme in Nederland en Brabant dat ons tastbaar zeker wijst, om in aansluiting op hetgeen door onze voorouders met grote offers is bereikt, verder te werken aan de verchristelijking van het openbare leven, de roeping van ons Katholieken van deze tijd, een roeping die wel anders, maar niet minder groots is dan hetgeen onze voorouders te vervullen kregen. Veel zou hierover te zeggen zijn en het verdient onze volle belangstelling. Maar meer nog dan de rijke gedachten die zich rondom deze gebeurtenis aan ons opdringen, is de H. Sacramentsprocessie zelf een groot feest geweest voor onze Oosterhoutse gemeenschap. Wanneer er een waarheid is van ons geloof, die tot in het diepst van onze ziel verankerd ligt, dan is het zonder twijfel de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament des Altaars. Dit is het brandpunt van ons geloof en van ons leven. Christus zelf is in de H. Sacramentsprocessie plechtig door Oosterhouts' straten gedragen. Hij is er gegaan langs onze huizen, langs onze zorgen en onze vreugden, langs ons leven van alle dag. De Meester was daar. En zoals eertijds het. volk van Palestina toestroomde naar waar Hij kwam, zo ook zijn wij gegaan om de God-mens te begroeten en zijn wij met de rozenkrans in de hand met Hem mee getrokken. Ook hier, zoals toen, is Hij al weldoende rondgegaan. „En wij hebben u zo nodig Heer. Maar groot is ons geloof. Als we slechts de zoom van Uw kleed mogen aanraken zullen wij genezen zijn." Wij hebben gebeden, vurig en met vertrouwen.
Ons gebed
O Jezus, ook wij hier in Oosterhout zijn kinderen van onze tijd. Het is zo moeilijk om tegen de stroom op te roeien. Het kost ons zoveel inspanning om niet door de materialistische geest te worden meegesleurd. Heer, help ons hier in Oosterhout dat kinderlijke, rotsvaste geloof en diepe godsdienstzin te behouden die toch steeds onze grootste rijkdom waren. Gij ziet het Heer, nu Gij door onze straten gaat, hoe Oosterhout aan het groeien is. Wij danken U daarvoor, want wij houden van onze stad. Laat het een groeien zijn tot Uw eer en onze zaligheid. Strek in deze plechtige ommegang Uw zegenende hand uit naar onze vaders en moeders, die nu met groot geloof en kinderlijk vertrouwen met al hun zorgen tot U komen. Zegen onze kleintjes die wij bij U brengen, die de vreugde van ons leven zijn en die ook Gij zo uitermate lief hebt. Geef overvloedige zegen Heer, wij smeken het U met aandrang, aan onze jonge mannen, de vaders van morgen. Zij willen zo goed, maar zij hebben het zo moeilijk. Zegen vooral ook onze jonge meisjes Heer, waarvan er steeds meer zijn die werken op kantoor en fabriek en die daardoor in een sfeer moeten leven die uiteraard zo weinig geschikt is om in hen die vrouwelijke deugden tot ontwikkeling te brengen, die wij in onze Moeders van morgen meer dan ooit nodig zullen hebben. Bescherm ook onze jongens in Indonesië en stel de vaders en moeders gerust, die toch voortdurend over hen in angst en zorg zitten. Zegen ook onze zieken en allen Heer die in groot verdriet zitten, laat het niet tevergeefs zijn wanneer zij in groot vertrouwen hun handen naar U uitstrekken. Wij willen U Meester, in deze eerste plechtige ommegang onze hulde brengen, nederig maar fier U vergezellen op deze tocht door onze straten, als onze Heer en Koning U volgen nu Gij Oosterhout plechtig bezoeken wilt als bewijs van Uwe mateloze liefde voor ons. Want groot is de eer en de gunst die ons nu te beurt valt, nu Oosterhout zijn God en Heer plechtig in het openbaar ontvangen en huldigen mag. Ontvang dan op deze dag onze nederige hulde Heer, recht uit ons Oosterhoutse hart, tot meerdere eer en glorie van Uw naam en tot zegen van geheel onze Oosterhoutse gemeenschap.
7. Gemeenschapsgedachten, augustus 1947 (?)
Wij kennen allen in eigen omgeving van die Katholieke gezinnen waar zo'n echt fijne Katholieke sfeer heerst. Niet alleen de verhouding van de gezinsleden onderling, het gezinsleven zelf heeft daar een bijzondere bekoring maar ook uiterlijk, in woning in handel en wandel treft ons 'n goedheid en blijheid die al bij een eerste kennismaking weldadig aandoet. Oosterhout heeft goddank nog zeer veel van deze gezinnen en wij vinden ze zowel bij maatschappelijk minder welvarende als bij hen die in een maatschappelijk betere en gunstiger positie verkeren. Het is een sfeer die, door allen die het gelijk kennen haar in eigen gezin te bezitten, als 'n kostbaarheid wordt beschouwd die voor niets van de wereld gemist zou willen worden en zij die deze sfeer niet in eigen gezin hebben kunnen brengen zien er bij de anderen naar met heimwee en soms met afgunst. Deze echt Katholieke sfeer in 'n gezin is dan ook een rijk bezit en een van de voorwaarden voor 'n gelukkig gezinsleven. Vanzelfsprekend kan deze sfeer alleen maar bestaan bij een werkelijk diep beleefd geloofsleven. Dat is het cement waaruit dit geluk wordt opgebouwd. Maar toch is het weer niet zo dat daarmee alle voorwaarden voor het verkrijgen van deze sfeer vervuld zijn. Het brengen van de ware Katholieke sfeer in het gezin is 'n levenskunst, 'n levenskunst die wij op de grondslag van een diep godsdienstig leven onszelf slechts moeizaam, bij voortdurende oefening en bij een blijvende zorgzaamheid eigen kunnen maken. Hoe schoner en kostbaarder iets is, des te meer moeite zal het kosten het tot stand te brengen. Hoe fijner iets is hoe brozer ook en voor gevaarlijke invloeden van buiten meer bevattelijk. Heeft men deze sfeer met veel moeite tot een gezinsbezit weten te maken dan zal er steeds ook een doelbewust en zorgzaam streven moeten zijn om deze kostbaarheid te behouden, te versterken en er met grote zorg over te waken. Het is niet de eerste keer dat ik op deze plaats Oosterhout met 'n gezin vergelijk en inderdaad is het ook zo dat wij met vele banden met elkaar verbonden zijn, op elkaar aangewezen en dagelijks samen leven, als in 'n gezin. Ook deze keer mag ik deze vergelijking gebruiken, maar dan wel heel bijzonder wil ik Oosterhout niet alleen als een op elkaar ingestelde gemeenschap zien maar als een Katholieke gemeenschap, en aldus vergelijken met 'n Katholiek gezin. Er hangt de laatste tijd in Oosterhout iets in de lucht van wat ik 'n voorjaarsstemming zou willen noemen. Wanneer men zich van jongsaf-an voor het Oosterhoutse gemeenschapsleven heeft geïnteresseerd en er 'n levendig aandeel aan heeft gehad dan voelt men het zo tastbaar dat er iets te gebeuren staat, zoals wij dat zo heerlijk ondergaan in het vroege voorjaar, dan voelen wij nu hoe Oosterhout als het ware in de knop staat en dringt en stuwt om uit te botten, dan voelen we zo duidelijk merkbaar die ingehouden drang om uit te groeien naar een volle zomerweelde. Mede door omstandigheden die voor 'n belangrijk gedeelte buiten onze Oosterhoutse gemeenschap liggen wordt het toch hoe langer hoe duidelijker dat onze stad ’n groeiperiode tegemoet gaat die wellicht van grotere omvang is dan wij nu nog kunnen vermoeden en wij zouden geen Oosterhouter zijn als wij deze mogelijkheden niet met grote vreugde zouden begroeten en onzelf geheel en al wilden inzetten om mee te werken deze mogelijkheden tot groei en zegen van Oosterhout te gebruiken. Hoe zou het ook ander kunnen. Evenals in 'n gezin al de gezinsleden met het wel en wee van het gezin meeleven, evenals heel het gezin zich verheugt wanneer de toekomst er goed uitziet, wanneer er mogelijkheden zijn om zich omhoog te werken en vooruit te komen, zo ook kan er geen Oosterhouter zijn die voor de gunstige omstandigheden die zich op dit ogenblik voor onze stad voordoen onverschillig blijven kan. Dat Oosterhout 'n Katholieke gemeenschap is en als een groot Katholiek gezin waarin deze te verwachten grote veranderingen te gebeuren staan kan voor ons niet anders dan 'n reden zijn om ons vanuit Katholiek oogpunt op deze veranderingen te bezinnen. Evenals 'n vader en moeder in 'n Katholiek gezin bij ingrijpende veranderingen in het gezin niet zo maar kalm afwacht welke invloed deze veranderingen op de sfeer in het gezin hebben zal, maar zich doelbewust tot taak stellen de veranderingen zodanig te benutten dat er de Katholieke sfeer door wordt versterkt en er toch zeker voor zullen zorgen van hun fijne gezinssfeer alle nadelige invloeden verre te houden, zo ook dient Katholiek Oosterhout bij zijn groei en ontwikkeling die voor de deur staat, doelbewust te streven naar het bewaren en verdiepen van de Katholieke sfeer in onze goede stad. Met doelbewust streven naar het bewaren en verdiepen van de Katholieke sfeer in Oosterhout bedoel ik dan, om het heel duidelijk te zeggen en geen gelegenheid tot verkeerd begrijpen te laten, dat ieder Oosterhouter in het openbare leven en zeker al wat daar leiding geeft: ker al wat daar leiding geeft: Raad van Advies, besturen van alle verenigingen op elk gebied, zich ten doel stellen het bevorderen en bewaren van deze Katholieke sfeer in onze stad en hiervan niet alleen 'n welomschreven programmapunt maken, maar 'n actiepunt dat boven aan de lijst staat en als leiddraad dient bij al hun werken. Voor sommige, vooral ouderen zal deze gedachte misschien niet zo ineens als 'n normaal geval worden beschouwd, dat is te begrijpen, de liberale inslag van 'n versleten, van 'n verschimmeld tijdperk is hiervan de oorzaak. Onze tijd is nu eenmaal de wormstekige vrucht van het voorbije liberale tijdperk waarin de verleking van het openbare leven gepreekt werd en waarvan we nu nog de duidelijke gevolgen moeten dragen. Zeker, wij hebben de Kerk en priesters alls eerste verzorgers van het godsdienstig leven, maar evenals vader en moeder in het gezin zo ook is het de taak van al wat in onze Katholieke gemeenschap leiding geeft die eigen Katholieke sfeer te scheppen die onontbeerlijk is voor 'n waarlijk bloeiend Katholiek leven. Wij zijn Oosterhouter genoeg om de grote belofte van de toekomst voor onze stad met vreugde te begroeten, om te dromen van een groot en belangrijk Oosterhout. Maar we zijn teveel Oosterhouter om het te wagen deze grote toekomst in te gaan zonder ons te verzekeren dat de Katholieke sfeer in ons grote Oosterhoutse gezin bewaard zal blijven. Wij moeten kinderen van onze tijd durven zijn, wij moeten met beide benen on de grond durven staan en dan zal ’t ons niet moeilijk vallen in te zien dat we niet op dezelfde voet voort kunnen gaan dan we dat enkele tientallen jaren deden en wat het bewaren van de Katholieke sfeer betreft, Gods water maar over Gods akker laten lopen. Wil Oosterhout zichzelf blijven, wil Oosterhout ook tijdens en na een snelle groeiperiode zichzelf blijven, wil Oosterhout altijd en in merg en been ’n Katholieke stad blijven dan dienen wij ook 'n open oog te hebben voor de gebeurtenissen van onze tijd, dan kunnen wij ook gemakkelijk inzien dat onze tijd niet meer te vergelijken is met de tijd van enkele tientallen jaren terug. Toen was de invloed van buiten zo klein en kwam. zo traag onze Oosterhoutse gemeenschap binnen, dat Oosterhout in die tijd zich daartegen niet openlijk hoefde te verzetten en beschutten om zichzelf te blijven. In deze tijd, in onze tijd is dat. anders geworden. De verbazingwekkende verfijning van het verkeerswezen heeft de wereld zo klein gemaakt dat wij er ons dagelijks over verwonderen. Door pers, film en radio staan wij in dagelijks verkeer met mensen en levensbeschouwingen van heel het land, van ver over de grenzen, ja van andere. werelddelen. Ook al zijn wij maar eenvoudige Oosterhoutse mensen, wij zijn toch genoeg kinderen van onze tijd om deze ontwikkeling ten volle te waarderen . maar het zou dwaas zijn ons er door te laten verblinden. Enerzijds is het duidelijk dat de invloed van deze ontwikkeling op onze .Oosterhoutse mensen ieder afzonderlijk en op ons openbare leven veel diepgaander en sterker is dan wij over het algemeen wel denken en anderzijds dat deze invloed van buiten voor veruit het grootste gedeelte 'n zijdelingse of rechtstreekse aanval betekent op ons Oosterhouts eigene., op eigen aard, of het dan komt in naam van de menselijkheid en bedekt onze Katholieke sfeer vertroebelt of rechtstreeks van het Goddeloos communisme. Deze dingen niet te zien of te doen alsof ze van weinig betekenis zijn, geen op deze omstandigheden ingesteld beleid voeren om onszelf te blijven, zou gelijk zijn met 'n langzame maar zekere poging tot zelfmoord van ons Katholiek Oosterhout. Maar dat willen wij niet en dat zal nooit gebeuren. Wij zullen eensgezind werken aan 'n groot en belangrijk Oosterhout maar bij al ons streven om Oosterhout groot te maken zal het steeds onze eerste zorg zijn om - en wij zullen dat bewust, duidelijk uitgesproken en programmatisch doen - ons Oosterhouts eigene, die fijne Katholieke sfeer in Oosterhout te bewaren en meer levendig te maken. Zoals onze mooie Katholieke gezinnen de parels zijn van onze goede stad, zo willen wij Oosterhout maken tot een parel onder de Nederlandse steden. Oosterhout blijf je zelf en .... wees groot.
8. Gemeenschapsgedachten, oktober 1947 (?)
Het is wel 'n algemeen erkende stelregel dat het verkrijgen, behouden en vooral ook het levendig maken van 'n bepaalde levensbeschouwing zeer sterk beïnvloed wordt door het milieu, de omgeving waarin men leeft. Hoe de mensen met wie wij in aanraking komen denken en doen heeft onvermijdelijk 'n grote invloed op ons eigen denken en handelen. Hoewel in beginsel ons handelen bepaald wordt door ons persoonlijk denken, door onze persoonlijke levensopvattingen, toch staan ons handelen en spreken niet zonder meer los van denken en doen van de kring van mensen waarmee wij samenleven. Er zijn in iedere gemeenschap nu eenmaal zaken die men algemeen aanvaardt of die als niet geoorloofd worden beschouwd, dingen die men kan doen en weer andere die niet kunnen gebeuren zonder inbreuk te maken op de in 'n bepaalde gemeenschap geldende gebruiken, iedere gemeenschap houdt er zo haar eigen gebruiken op na, gebruiken, waaraan zich allen die tot deze gemeenschap behoren als door 'n ongeschreven wet gebonden weten en waaraan in dit gemeenschapsverband niemand zich kan onttrekken zonder heel de gemeenschap in wanorde en opspraak te brengen. Voor buitenstaanders zal het niet altijd gemakkelijk zijn sommige gebruiken in bepaalde gemeenschappen te begrijpen en te waarderen, maar bij nadere beschouwing zullen we altijd tot de conclusie komen dat deze gebruiken, dat die ongeschreven wet van wat hoort en wat niet, bewust of onbewust door een bepaalde levensopvatting geïnspireerd is, terwijl we, vooral in kleinere gemeenschappen als familie, werkgemeenschap of vereniging tevens niet zelden in deze ongeschreven wet het karakter en aard van het hoofd en deelnemers in deze gemeenschap kunnen onderkennen. Ook in grotere gemeenschappen als stad, streek en land vinden wij zo'n ongeschreven wet, die ook hier haar grond vindt in de levensopvattingen en mede bepaald wordt door aard en aanleg van die bepaalde stad of streek en die wij dan de publieke opinie of openbare mening noemen. Deze openbare mening is uiteraard in verschillende steden en streken verschillend omdat, zoals we reeds hebben gezien deze publieke opinie bepaald wordt door levensopvatting en aard, terwijl levensopvatting en aard van steden en landen nu een maal heel verschillend kunnen zijn. Dat echter de openbare mening in iedere gemeenschap 'n grote macht betekend is wel boven elke twijfe verheven. Overal en altijd brengtt 't zich niet storen aan de openhare mening moeilijkheden mee. Deze ongeschreven wet heeft in iedere gemeenschap meer betekenis en invloed op de gang van zaken en voor de goede orde dan de geschreven wet. De publieke opinie zouden wij het gemeenschapsgeweten kunnen noemen, dat vrijwel dezelfde eigenschappen bezit dan het gewone geweten. De openbare mening is 'n gevoelig instrument dat ons steeds waaarschuwt gepast te spreken en te doen. De openbare mening is 'n fijnbesnaard instrument dat dieper grijpt in het gemeenschapsleven dan wij peilen kunnen en daarom ook waard met zorg bespeeld te worden en er 'n ogenblik onze gedachten mee bezig te houden. Want ook in Oosterhout, is de openbare mening 'n factor van diep ingrijpende betekenis voor onze Oosterhoutse gemeenschap en wellicht nog meer dan voor vele andere steden omdat wij hier het voorrecht hebben, 'n gemeenschap te zijn die vrijwel geheel Katholiek is, terwijl in de meeste plaatsen de bevolking is samengesteld uit mensen die verschillende en dikwijls zeer uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige levensopvattingen huldigen, waardoor in die steden de openbare mening, die toch hoofdzakelijk door de levensbeschouwing wordt bepaald, als het ware bestaat uit de som van de verschillende levensopvattingen en uiteraard niet anders dan slechts de oppervlakte raken kan, kan de openbare mening in Oosterhout, om de eenheid van levensopvatting, veel dieper en inniger zijn en niet uitsluitend algemeen menselijke inzichten bevatten maar geheel aangepast aan de Katholieke levensbeschouwing van onze stad ook een uitgesproken Katholieke openbare mening zijn. Dit is 'n voorrecht dat wij nauwelijks genoeg kunnen waarderen wanneer wij ons bewust zijn dat wij en onze kinderen in deze specifiek Katholieke openbare mening 'n voorsprong bezitten op ontelbare steden waar de openbare mening soms verre van Katholiek genoemd kan worden. Zij is voor het godsdienstig leven van ieder van ons 'n waardevolle beschermster. Deze Katholieke openbare mening zal ook mede 'n middel kunnen zijn om, temidden van een vermaterialiseerde wereld, de Katholiciteit in Oosterhout te bewaren, mits wij onze openbare mening zuiver weten te bewaren en de aanval die zij momenteel te doorstaan heeft weten af te slaan. Het is opmerkelijk hoe Oosterhout ondanks 'n geraffineerde vijf jaar lange propaganda van het Nazidom, de Nationaal Socialistische, ideeën niet heeft willen aanvaarden, terwijl het de Humanistische ideeën, die met de bevrijding, als 'n bevrijdingsgave van over zee uit Engeland en Amerika over ons zijn gekomen zo gemakkelijk accepteerde, hoewel ook deze ideeën evenmin in overeenstemming zijn met de onze als het de Duitse waren. De openbare mening in Oosterhout heeft zich onder invloed van deze meestal bedekt heidense invloed van over zee al sterk laten veranderen, zodat wij hier in onze Katholieke stad in alle lagen van de bevolking, over huwelijk, kinderzegen, trouw, eerlijkheid e.d., meningen kunnen horen verkondigen die niets meer met onze Katholieke opvatting te maken hebben, Iedere voorstelling van de bioscoop, is druk bezocht, hoewel er toch hoofdzakelijk films worden gedraaid die door en voor mensen zijn gemaakt wiens levensopvatting verre van Katholiek, ja meestal modern heidens genoemd moet worden. Hele zwermen kinderen drinken Zondag op Zondag dit langzaam maar zeker werkend vergif in, waaruit we zouden moeten concluderen dat er ook leel wat ouders zijn die er schijnbaar geen bezwaar in zien dat hun kinderen op deze manier aan eigen Kaholieke sfeer onttrokken worden. De gang van zaken in onze danszalen is vrijwel dezelfde zoals wij die kunnen zien in plaatsen waar de openbare mening verre van Katholiek is. De opvattingen bij onze jeugd over verkering zijn niet zelden al zo doodgewoon heidens (modern zegt men dan) dat wij niet zonder reden ons hart vasthouden voor de toekomst van Oosterhout. Ik heb zo de indruk dat wij ons, zonder dat wij het eigenlijk wilden, door deze na-oorlogse geestesstroming van over zee hebben laten overdonderen en dat er. in Oosterhout, ondanks het meedoen met deze heidense mentaliteit eigenlijk wel niemand is die niet inziet dat wij bezig zijn ons zelf ongelukkig en belachelijk te maken. Het is toch voor ons zachtjesaan wel duidelijk dat het gebral en de kermisachtige propaganda voor een z.g. materialistische, een louter menselijke levensopvatting niets anders is dan een armzalig gedoe om 'n schreinende levensleegte te bedekken. Zouden wij aan dit klatergoud in de plaats stellen van onze eigen kostbare Katholieke levensovertuiging? In ieder Oosterhouts hart leeft diep het verlangen naar het rijke roomse leven en het zou tegen onze eigen wil zijn wanneer wij deze Katholiciteit prijsgaven. Daarom dienen wij de openbare mening, dat machtig instrument met vaardigheid te bespelen want het is vooral langs de openbare mening dat de Humanistische ideeën langzaam maar zeker binnendringen in onze Oosterhoutse gemeenschap en tegen onze wil en soms ongemerkt ons trachten te laten leeglopen van God. Het moet in Oosterhout niet langer mogelijk zijn dat onze eigen mensen door het verkondigen van aan onze Katholieke gemeenschap oneigene ideeën de sfeer, de publieke opinie verpesten. Dat is afbraak. Dat is laf meelopen met 'n troep blinden die hun eigen ongeluk tegemoet rennen, dat is verraad aan zichzelf en aan onze Oosterhoutse gemeenschap. Oosterhout blijf je zelf en .... wees groot.
9. Gemeenschapsgedachten, 8 november 1947
PRO en CONTRA over de coördinatie van het Oosterhoutse culturele leven
Vorige week vermeldden wij een ingezonden stuk „Gemeenschapsgedachten" te hebben ontvangen. Wij laten dat hieronder volgen, onder verwijzing naar de repliek van de redactie.
Gemeenschapsgedachten
Reeds maandenlang wordt er in dit blad geschreven over en propaganda gemaakt voor coördinatie van het Oosterhoutse culturele leven. De laatste tijd wordt er zelfs geklaagd over het uitblijven van resultaten op dit gebied naar aanleiding van deze ongetwijfeld goed gemeende voorstellen ten behoeve van ons Oosterhoutse culturele leven. In dit artikel zij het mij vergund mijn persoonlijke inzichten betreffende bedoeld streven uit een te zetten, in de hoop hierdoor deze mensen 'n beetje over hun teleurstelling te kunnen heenhelpen. Mij persoonlijk verwondert het geenszins dat op deze goedgemeende en ogenschijnlijk prachtige voorstellen hoegenaamd geen enkele reactie van het Oosterhoutse culturele leven is gevolgd. In de eerste plaats, omdat gesproken wordt over coördinatie, wat letterlijk betekent en waaronder we ook verstaan: samensmelting, eenwording, en ten tweede, omdat voorgesteld is deze eenwording tot stand te brengen en de dan ontstane eenheid verder te doen leiden door mensen, die nu buiten het Oosterhoutse culturele leven staan, door z.g. buitenstaanders. Zonder twijfel zou er door coördinatie op financieel en organisatorisch gebied voor ons culturele leven heel wat tot stand te brengen zijn, organisatievermogen en geld zijn voor het Oosterhoutse culturele leven twee bestanddelen die gewicht in de schaal werpen, maar zeker niet de enige en zelfs niet de voornaamste. 'n Culturele vereniging bestaat uit mensen, mensen die in de vereniging niet alleen verstand en geld geven, maar hart en ziel, hun goede wil en liefde, offer, vriendschap én talenten, 'n Culturele vereniging is geen cultuurmachine en het Oosterhoutse Culturele leven geen cultuurfabriek. 't Is niet juist, de waarde en betekenis van 'n bepaalde culturele vereniging of van het Oosterhoutse culturele leven in z'n geheel te meten naar de prestatie's die geleverd worden, 'n Vereniging of het eigen culturele leven is niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats voor de gemeenschap van betekenis in zoverre van hetgeen zij brengen te genieten valt. Veel en veel belangrijker is het opvoedende en vormende vermogen van de culturele vereniging voor hen die er 'n werkzaam aandeel in hebben. Vele mensen hebben hier de zin van de schoonheid leren verstaan, het schone leren kennen en beminnen en er geestelijk 'n onbetaalbare schat in gevonden. Het zelf beoefenen van de kunst vermooit en verrijkt het leven, het voedt op naar steeds groter schoonheidsverlangen, veredelt het leven, veredelt de mens, en daar zit de eerste en grootste waarde ook van het Oosterhoutse culturele leven. Pas na deze waarde komt de prestatie. Iedere gezonde culturele vereniging zal natuurlijk naar op zo hoog mogelijk peil staande prestatie streven, toch staat het beoefenen van de kunst op zich hoger dan het bereiken van 'n bepaalde prestatie. Vandaar dan ook dat 'n vereniging, 'n groep mensen die samen 'n bepaalde tak van kunst beoefenen veel meer is dan 'n kunstmachine. Was dit niet het geval en ging het alleen of in hoofdzaak om hetgeen er tenslotte aan het publiek kan worden voorgezet dan moesten we alle geliefhebber eigenlijk als 'n sta in de weg beschouwen voor de ware kunst en deden we beter moeite en geld, dat nu voor het eigen culturele leven wordt besteed, te gebruiken om er alleen maar prima beroepswerk voor in de plaats te brengen. Als wij de uiteindelijke prestaties van ons Oosterhoutse culturele leven als nummer één beschouwen, dan kan ik het me ook voorstellen dat men het een grote vooruitgang zou noemen het Oosterhoutse culturele leven te maken tot „de N.V. Oosterhoutse Cultuurfabriek", onder topleiding van buitenstaanders, maar dan kan dit plan ook alleen maar door buitenstaanders worden geopperd, mensen die alleen de buitenkant van het Oosterhoutse culturele leven kennen en het dus alleen maar kunnen beoordelen naar hetgeen alleen maar voor 'n buitenstaander te kennen is, mensen die geen flauw vermoeden hebben van de naoorlogse moeilijkheden die heel het culturele leven meemaakt en die deze moeilijkheden met.'n enkel fors gebaar willen oplossen door coördinatie. Wij zien dit zelfde streven ook in groter verband. Denken we slechts aan het radiovraagstuk Ook hier heerst deze coördinatiewoede, met als enig resultaat, dat de naoorlogse opbouw en ontwikkeling van ons radiobestel hopeloos wordt geremd en nu ziet men langzaam maar zeker, dat men beter gedaan had de buitenstaanders buiten te laten staan, 'n Buitenstaander is onbevooroordeeld en, dat is 'n groot voordeel, maar ook hier zullen het ook over het algemeen wel.de bekende beste stuurlui aan de wal zijn. Vanaf de wal lijkt het navigeren soms helemaal verkeerd en onbegrijpelijk, omdat men noch het materiaal kent waarmee gevaren wordt noch het vaarwater. Wij weten het allemaal, er is veel te doen, er is heel veel te doen en er wordt ook heel veel gedaan, 't Oosterhoutse culturele leven bouwt en zoekt nieuwe vormen en zal deze zonder twijfel ook vinden, maar wat dit zoeken ook zal uitbrengen, ik ben er van overtuigd dat alleen uit en door het Oosterhoutse Culturele leven zelf dit nieuwe zal tot stand komen, dat buitenstaanders met coördinatieplannen 'n gezonde, natuurlijke groei slechts belemmeren en dat het voor 't Oosterhoutse culturele leven van zeer groot belang is, dat de Oosterhoutse culturele verenigingen 'n eenvoudig contact leggen, waarin, met behoud van ieders zelfstandigheid, gestreefd wordt naar 'n samenwerking en overeenstemming, die voor ieder van hen en voor geheel het Oosterhoutse culturele leven van groot belang zal zijn. Overal, en ook in Oosterhout gaat men hoe langer hoe gemakkelijker genoegen nemen met surrogaatcultuur. Het zelf beoefenen van de kunst raakt steeds meer in het gedrang. Bergen met geld worden er uitgegeven aan cultuurloze filmcultuur en de ouders maken er zonde van, geld uit te geven om hun kinderen in de gelegenheid te stellen zelf een of andere vorm van kunst te leren beoefenen en ze weten niet, dat ze hun kinderen hierdoor een grote schat voor het leven onthouden. Wat doen we zelf om de kinderen in aanraking te brengen met de kunst ? Och er is toch nog zoveel te doen, te veel om hier neer te pennen. Wat zou het weer 'n stap in de goede richting zijn, wanneer deze goedmenende buitenstaanders, in plaats van onvruchtbaar aan de kant te blijven sputteren, met hun kunstzinnige capaciteiten, met hun nieuwe ideeën mee kwamen bouwen aan het eigen Oosterhoutse culturele leven. Tot slot nog 'n kort woord over L.I.S. Toen L.I.S. werd ten doop gehouden heb ik me bijzonder verheugd. Hier werd 'n werk begonnen dat in 'n werkelijke Oosterhoutse behoefte voorzag. In Oosterhout immers kennen we geen vereniging, die zich speciaal ten doel stelt het eigen Oosterhoutse culturele leven en het beroepswerk aan te vullen, en toch is dit voor onze stad en zeker niet in het minst ter bevruchting van ons eigen culturele leven van het grootste belang. Wel hebben in het verleden en ook nu nog verschillende verenigingen in deze belangrijke dingen gedaan, maar van een geregelde organisatie kon uiteraard geen sprake zijn. Wanneer nu L.I.S. dit werk wilde gaan ter hand nemen en (wat voor Oosterhout van zeer groot belang is) op Katholieke grondslag, dan kon dit niet anders dan onze volledige instemming hebben. Reeds in het eerste winterprogram echter is L.I.S. 'n zijweg ingeslagen. Door het veel te grote aantal avonden welke L.I.S. geeft, is het volledig L.I.S. lidmaatschap niet meer te verenigen met een normaal meeleven met het eigen Oosterhoutse culturele leven. Hieruit moet noodzakelijkerwijs volgen dat L.I.S. niet kan uitgroeien tot een voor Oosterhout belangrijke vereniging, waarmee zij zichzelf schaadt, waardoor haar bevruchtende invloed op het Oosterhout.se culturele leven tot 'n minimum beperkt blijft, waardoor zij eer een concurerende dan bevruchtende invloed op het Oosterhoutse culturele leven uitoefent en waardoor zij tenslotte, in plaats van 'n samenbindende factor in het Oosterhoutse culturele leven te worden, zolang gewurmd heeft tot zij tussen de andere culturele verenigingen een voor Oosterhout onbelangrijke en voor zichzelf ‘n moeizaam te handhaven plaats heeft verworven. Dit is buitengewoon jammer. Hier is met de prachtigste mogelijkheden op onverantwoordelijke wijze geprutst. Niet dat het de bestuurderen van L.I.S. aan activiteit of kennis ontbrak, trouwens men heeft L.I.S. reeds na het eerste winterprogram op de gevolgen van haar handelen gewezen. Ik kan het niet anders zien, dan dat hier het Oosterhoutse element ontbrak, dan dat hier aanwezig was juist het tegenovergestelde van het soms zo gesmade chauvinisme, of om 't anders te zeggen, hier stond men bevooroordeeld tegenover 't Oosterhoutse culturele leven en de verschillende culturele verenigingen, waarvan de waarde en betekenis zo niet ontkend dan toch schromelijk onderschat is, 'n onvruchtbaar, ziekelijk beginsel waar op geen gezonde vereniging gebouwd kan worden. Oosterhout heeft behoefte aan 'n vereniging die, op katholieke grondslag, datgene wat Oosterhout zelf op cultureel gebied brengt, en wat uiteraard amateurswerk is, aanvult met eerste klas beroepswerk, 'n vereniging die Oosterhout in staat stelt in aanraking te komen met de schoonste kunstwerken en de grootste kunstenaar, maar deze aanvulling dient rekening te houden met de werkelijk bestaande behoeften en mogelijkheden. Aleeen al uit financieel oogpunt is het reeds onmogelijk om naast en buiten het eigen culturele winterprogram 'n volledig winterprogram te brengen van peperduur beroepswerk, afgezien nog van het feit dat dan dit winterprogram het eigen program in de wielen rijdt. Wil deze aanvulling financieel uitvoerbaar zijn en ter bevruchting van het Oosterhoutse culturele leven tot haar volle recht komen dan zal zij een bescheiden en op de werkelijkheid afgestemde aanvulling dienen te zijn. Wil L.I.S. blijven bestaan, wil L.I.S. iets voor Oosterhout gaan betekenen, dan dient zij zich te bepalen bij het in Oosterhout brengen van hoogstens twee schone culturele gebeurtenissen per winterprogram. Dan alleen kan L.I.S. voor het Oosterhoutse culturele .even van grote bevruchtende betekenis worden, omdat dan heel Oosterhout mee kan doen en ook zal doen. Pas nadat L.I.S. enkele iaren bewezen zal hebben in deze Oosterhout werkelijk bestaande behoefte te kunnen voorzien zullen er voor L.I.S. nog schone mogelijkheden te over zijn om haar dienende en bevruchtende taak voor het Oosterhoutse culturele leven uit te breiden. Maar al haar mooi en goed bedoeld werk zal mislukken, wanneer 't niet op ‘n gezond beginsel berust, wanneer het niet berust op dienen en aanvullen van het Oosterhoutse culturele leven. Als Oostërhouter en L.I.S.-lid loop ik van harte dat L.I.S. haar standpunt, om naast en buiten het eigen Oosterhoutse clturele leven ‘n vrijwel volledig winterprogram te brengen zal opgeven en zich zal gaan bepalen bij het brengen van 'n prachtige basis van het eigen Oosterhoutse culturele leven in de vorm van één of twee grote culturele gebeurtenissen. Hieraan heeft Oosterhout behoefte, Oosterhout zal het waarderen en dit kan financieel ook uitvoerbaar zijn.
REACTIE van de redactie op Gemeenschapsgedachten
Wie met aandacht onze artikelen gevolgd heeft over het culturele leven in Oosterhout, zal met groot genoegen, zij het niet steeds onverdeelde instemming misschien, elders in dit blad de beschouwingen lezen,. beter nog: eerst gelezen hebben, van A.B. Hij breekt een lans voor het beoefenen der cultuur, en terecht; want op zichzelf schenkt dit een groot en beschaafd genot, en bovendien is het hét middel om meer intens te kunnen leren genieten.van 't geen anderen bieden. Het beoefenen der Kunst heeft voor ons altijd meer dan één aspect gehad: In de eerste plaats het zuiver culturele genot, en het genot, dat de kleine gemeenschap, de mensen, die met ons, samenwerkten, boden; want het gezelschapsleven, uitvloeisel van ons samen-oefenen, was onverbrekelijk gebonden aan dat oefenen, en natuurlijk ook aan de uitvoering, het zich confronteren met de buitenstaanders, die nog niet blind en doof gerepeteerd waren als wij, en dus, met meer frisse kijk op onze prestaties, vaak tot oordelen en veroordelen beter in staat .waren dan wijzelf. Het genot school dus ook in de gezonde, opbouwende critiek van degenen, die wij naar hun mening vroegen, of die ze ons spontaan gaven, en die natuurlijk steeds een selectie uit het publiek of uit deskundigen vormden, terwijl ook courantenbeschouwingen door bevoegden steeds welkome bevestigingen van of correcties op onze eigen mening vormden. Ze waren niet slechts een streling, of een onaangename prikkeling, maar getuigenissen van een gewaardeerd meeleven met ons pogen; en daarom tevens een genot, dat bovendien de grote betekenis had een gunstige invloed uit te oefenen op oiïze wil tot volhouden en beter doen, en daardoor tot hoger prestaties leidden, die weer hoger genot schonken. Juist het onderling bespreken van de reacties op onze prestaties was waardevol voor ons hoger stijgen op de culturele ladder, gaf ons enerzijds een voldoend zelfvertrouwen en dwong anderzijds tot gepaste bescheidenheid, beide voorwaarden voor beter doen, voor nieuw of voortgezet streven naar meer schoonheid. Het beste middel om steeds meer te bereiken was echter wel de leiding van personen, die stukken boven ons stonden, van gestudeerde, en artistiek aangelegde mensen, die in staat waren ons op onvolkomenheden en fouten te attenderen, die door een enkele verduidelijking, door aanwijzing van verbanden, die ons ontgingen, door het attent maken op bijkomstigheden en hoogtepunten, en door hun persoonlijke inspiratie ons 'n kennis bijbrachten, en bij ons een gevoel ontwikkelden, die wij geheel misten, of dat slechts embryonaal aanwezig was. Zo kwamen wij, tegelijk met de oefening, door analiseren, door de beschouwing der onderdelen, tot een onvermoede en steeds schoner synthese, waarmee wij anderen verblijdden, maar die wij zelf het meest genoten in zodanige mate, dat zij ons na lange jaren nog een gelukkige herinnering is. Maar die leiders waren geen beterweters, geen verblinden, die meenden zichzelf genoeg te zijn. Integendeel, hoe gerechtvaardigd en beproefd hun zelfvertrouwen was, zij kenden hun eigen onvolmaaktheden, zij wisten, dat ook zij blind en doof gerepeteerd raakten, en dus ook zo vertrouwd met onvolkomenheden en fouten, dat zij ze zelf niet meer opmerkten. En wanneer wij dan straks voor een, voor een gioot deel bevoegd publiek optraden, of, slimmer nog, in wedstrijd met anderen, voor een zeer deskundige jury, dan werd meestal tevoren een der zake kundige Uitgenodigd, soms meer dan één, om zijn nog onbevooroordeelde mening te mogen vernemen; en wij kunnen zeggen, dat dan vrijwel steeds bleek, dat de uitnodiging geenszins voor niets had plaats gehad. Deze wijze van doen heeft culturele successen gehad, die, zonder, aanwending ervan, nooit bereikt hadden kunnen worden, maar ze heeft ook een cultureel genot geschonken aan ons, beoefenaars, dat wij nooit hadden gesmaakt, wanneer wij, ons zelfgenoeg, de „buitenstaanders" hadden genegeerd Zeker, het kwam in eerste instantie en hoofdzakelijk op ons aan, maar de „buitenstaanders" waren een onmisbaar element bij onze opbouw, het hoger opvoeren van onze prestaties. Het spreekt vanzelf, dat wij heel wat opstaken ook door het beluisteren van andere, betere en minder goede, verenigingen, waarmee wij actief samenwerkten of passief contact zochten, alsmede van hen, die solistisch naast en met ons optraden. Er is ook een andere wijze van cultuurbeoefening, alleen of in klein verband. Helaas wordt daaraan te weinig gedaan. Er zijn zeer enkele beoefenaars van het pianospel, sporadisch treft men 'n zangtrio of kwartet aan, en nog sporadischer een instrumentaal dito. Er schuilt een zeker genot in die liefhebberij, maar culturele waarde heeft ze toch vaak niet, omdat ze te dikwijls gebaseerd is op onvoldoende aanleg en opleiding, en meestal op 't gemis van leidinggevende critiek. Ze is gewoonlijk te veel beoefening, en te weinig gericht op hoger prestaties, ze is daardoor te veel klein genot en te weinig opvoedend. Waarom wij bovenstaande schreven? Omdat A.B. o.i. te geringe waarde hecht aan „buitenstaanders", de cultuurbeoefening teveel tot liefhebberij wil maken zonder „dwarskijkers", teveel aandringt op het zich afsluiten en te weinig op het tot hoger prestatie aanzetten door bekwame leiding en opbouwende critieken. Zeker, hij is journalistiek handig genoeg om niet alle waarden te ontzeggen aan “buitenstaanders” en aan prestaties, maar in zijn artikel komt toch zoveel geringschatting ervan naar boven, dat hij uit angst voor de „cultuurmachine" schijnt aan te sporen tot het andere uiterste: de culturele pure liefhebberij in isolement. Wat daarvan het gevolg is - zo de door hem aangegeven weg wordt bewandeld - blijkt genoeg op uitvoeringen, van buurt- en andere verenigingen, waar vaak meer cultuur- en smaakverkrachting dan cultuurbevordering te constateren valt. Platvloerse, en dus z.g.n. cultuur, ook cultuur die zich niet weet te verheffen, die hoogstens op 't zelfde lage niveau blijft, achten wij geen weldaad, voor niemand. Cultuurbeoefening moet cultuurbevorderend zijn en dus ook betere prestaties in de hand werken, anders mist ze een gerechtvaardigd en noodzakelijk doel, waartoe toch zeker ook te rekenen is het zich op hoger plan stellen der beoefenaars als cultuurmens. Zonder terug te komen op onze in de aanhef bedoelde artikelen menen wjj toch te moeten herhalen, dat juist de coordinatie bevorderlijk is om een ongewenst isolement tegen te gaan. Juist het zich met elkaar meten en het elkaar steunen, ook door critiek, het aanvaarden van goede leiding, organisatorisch en kunstzinnig, het elkaar wederzijds beïnvloeden leidt tot hoger cultuur, wat de beoefening der cultuur in de door A.B. aangegeven zin allerminst in de weg behoeft te staan, we zouden zeggen: integendeel. Maar met een coordinatie, zoals hij die verstaat, zouden ook wij ons niet kunnen verenigen. Hij „vertaalt" het woord trouwens verkeerd. Coordinatie is geen samensmelting, éénwording, maar samenschikken, nevenschikken, samenordenen, met de klemtoon op ordenen. Doch daardoor ontstaat geen unie, geen eenheid, maar een vorm tot samen overleggen, samenwerken, onder handhaving van ieders zelfstandigheid. Zo hebben wij 't gezegd, en zo hebben wij 't bedoeld; wat zeer uitdrukkelijk uit de samenhang onzer artikelen blijkt. Dat die coordinatie niet slechts cultuurbevorderend is, maar ook organisatorisch en finantieel baten afwerpt, is een bijkomstig, maar daarom niet te veronachtzamen voordeel. Wat A.B. schrijft over L.I.S. zouden wij onbesproken kunnen laten, omdat 't geen onderwerp van bespreking onzerzijds vormde. Toch willen wij er iets van zeggen. In hoofdzaak gaan wij met zijn critiek accoord. Maar dat van een soortgelijke vereniging „hoogstens twee schone culturele gebeurtenissen" worden geëist, in een heel seizoen van omstreeks zes maanden, is toch wel wat erg aan de zuinige kant. Cultuur omvat meer dan Kunst met een hoofdletter, al is deze reeds zeer veelzijdig. Maar eis is. natuurlijk, dat iedere voordracht op zich van prima kwaliteit is, en daar onbrak nogal wat aan. En dus ook aan de organisatie, die meer ervaring vroeg dan kon worden opgebracht. Wij hebben, dank zij ons „chauvinisme", groter behoefte aan hoogstaande en dus bevruchtende cultuurprestaties van beroepsmensen dan we zelf inzien, dan de over-, overgrote meerderheid van ons volk beseft. Daarin ruim te voorzien is o.i. de taak van L.I.S., gelijk ze dat ook is voor verenigingen als „Katholiek Leven" b.v. Maar tot de erkenning van die behoefte kunnen wij pas meer algemeen komen, wanneer wij zelf de cultuur op steeds hoger plan gaan beoefenen, en elkaar daarnaast meer organisatorisch .gaan helpen, m.a.w. coordineren. Zonder deze zal ook L.I.S. een ledenarme en derhalve geldarme vereniging blijven, die zich, in 't gunstigste geval, noodgedwongen op een zeer beperkt actieterrein zal moeten terugtrekken. Wat L.I.S. nu alleen doet, moeten wij via L.I.S. samen doen, en dan zijn de mogelijkheden direct anders, finantiëel ook voor ieder afzonderlijk.
En hiermede wordt de discussie over pro of contra gesloten.
10. Gemeenschapsgedachten, december 1947 (?)
Vorige week zagen we Kribbegast weer eens op z'n best. Wanneer er te helpen valt of iets recht te zetten, is hij er als de kippen bij. Zo heeft Kribbegast zich dan ook gehaast de mening recht te zetten van enkele mensen, die menen dat St. Nicolaas niets met dames van doen heeft. Dit in verband met de aanwezigheid van enkele hofdames bij de inhuldiging van de heilige bisschop. Men zegt wel eens „haastige spoed is zelden goed". Zo heb ik dan ook hier de indruk dat Kribbegast, in zijn haast om recht te zetten, wellicht meende, dat hij hier het best kon helpen door met grote haast iets over St. Nicolaas uit zijn duim te zuigen. Dat St. Nicolaas heel oud is, wisten we reeds vanaf onze prilste jeugd. Dat Kribbegast echter beweert dat St. Nicolaas bisschop was in een tijd dat een bisschop tegelijkertijd wereldlijk vorst was, kan wel een bewijs zijn dat Kribbegast een fantasierijke duim en een krachtig zuigvermogen bezit, maar dit fabeltje heeft toch niets te maken met wat men over St. Nicolaas als historisch vaststaand lezen kan. St. Nicolaas was bisschop van Mira in Klein Azië en stierf op 6 December 345 of 352. Vast staat verder dat hij tijdens de vervolging van Diocletiaan in de gevangenis geworpen en weer in vrijheid gesteld is bij de troonbestijging van keizer Constantijn in 313. Eveneens komt zijn naam voor op de lijst van de bisschoppen welke op de Kerkvergadering van Nicea in 325 aanwezig waren. St. Nicolaas leefde dus in de eerste helft van de 3e eeuw. Zou Kribbegast nu werkelijk geloven dat er in die tijd bisschoppen bestonden die tegelijkertijd vorst waren? Dit zou een te haastige conclusie zijn. Ook de organisatoren van dit feest kunnen zich bij de critiek op deez fraaie, maar zinloze en on-Oosterhoutse vertoning niet beroepen op het uit-de-duim-gezogen fabeltje, van St. Nicolaas in verband te brengen met middeleeuwse toestanden en hofdames. Daarom, hoewel Kribbegast de raad geeft niet te veel critiek op dit geval te leveren, omdat hij vreest dat St. Nicolaas anders wel eens niets zou kunnen brengen, heb ik het er toch maar op gewaagd zijn raad in de wind te slaan. Ook Kribbegast leeft in de verwachting van veel goeds te ontvangen van St. Nicolaas, hoewel hij toch heel goed zal weten dat de Heilige Man steeds voor „duim-zuigertjes" een dreigende vinger omhoog steekt.
Kribbegast beantwoordt A. B.
Toen Kribbegast de laatste aflevering van Het Kanton in handen kreeg en het doorbladerde, viel zijn oog op de kop „Gemeenschapsgedachten". Waar Kribbegast de week tevoren een artikel onder dezelfde kop met veel interesse gelezen had, begon hij ook deze keer met veel gretigheid te lezen om. dan tot het besef te komen, dat het tegen niemand anders gericht was dan tegen hemzelf. Sjonge, sjonge, wat nu te antwoorden op een dergelijke goed-gefundeerde aanval? Inderdaad, Kribbegast zijn duim is het zuigen waard en er is ook al heel wat uit die duim gezogen, maar om nu die duim er van te beschuldigen in verband met een zo'n hooggeplaatst personage als St. Nicolaas, dat lijkt welhaast op een affront jegens die goede heilige man! De gevolgen zijn dan ook niet uitgebleven ... De Sint heeft inderdaad niets voor 't duimzuigertje gebracht ... De Sint zelf had het geschrijf onder de kris-krasjes niet opgemerkt, maar sociaalvoelend mens als hij is, had hij wel Uw artikel onder die sociale kop gelezen en zo zult U tot in den eeuwige dage het besef met U mee moeten dragen, dat door Uw schuld een. arme pennenlikker, die niets trachtte te doen dan het figuur van de Oosterhoutse Sint te redden, van alle cadeaux verstoken bleef en hete tranen schreidde. Dit lijkt Kribbegast wel het akeligste gevoel, waarmede een sociaal voelend mens, die de gedachten van de gemeenschap, dus sociale gedachten, onder woorden brengt, kon rondlopen. Evenwel beste heer A.B., de Sint heeft gezegd voor Kribbegast volgende week nog even extra terug te komen om dan zijn cadeau zonder hofdames te komen brengen. Dit doet hij - St. Nicolaas -, doch dit in vertrouwen, en Kribbegast hoopt, dat U als man van eer dit niet verder zult vertellen, omdat de Sint het gezelschap van die hofdames au fond toch niet zo ongezellig vond !