Gemeenschapsgedachten, 14 mei 1949
Woensdagavond 20 April heeft onze Harmonie in de zaal van St. Jan een prachtig concert gegeven, waaraan het koperkwartet van het concertgebouworkest uit Amsterdam zijn medewerking verleende. Meer dan (het klein aantal) toehoorders in de zaal hebben het bestuur, directeur en leden van de Harmonie opgemerkt, hoe prachtig de Harmonie speelde, en het moet voor hen wel een bijzondere voldoening zijn geweest dit vast te stellen. Het is niet mijn taak een nabeschouwing over dit concert te geven, maar zij, hebben zeker opgemerkt, hoe hun spel vooral aan toon- en klankvorming en beheersing gewonnen heeft. Er moet wel hard gewerkt zijn deze winter, om deze vooruitgang tot stand te brengen. Algemeen wordt dé culturele waarde van de Harmonie voor Oosterhout erkend, maar door velen wordt toch deze betekenis en waarde heel vaak gezien alleen, of in hoofdzaak, als zou de Harmonie het „paradepaard" zijn, dat bij voorkomende gemeenschappelijke feestelijkheden de zank dient op te luisteren. Zonder twijfel bezit onze Harmonie als zodanig een grote betekenis, maar deze kant van de zaak bepaalt toch maar een klein en zelfs min of meer bijkomstig gedeelte van haar culturele betekenis voor Oosterhout. Wanneer wij zo'n concert meemaken dan denken wij in de eerste plaats aan de voorbereiding voor dit concert, aan het instuderen van de uit te voeren werken. Wij weten echter maar al te goed, dat het geven van een dergelijk concert heel wat meer vraagt. Om tot een dergelijke prestatie te komen is jarenlange studie nodig, individueel en gezamenlijk. Het vraagt niet alleen een jarenlange technische studie, maar in niet mindere mate een algemene muzikale ontwikkeling, die niet zal nalaten op de algemene culturele ontwikkeling van deze instrumentalisten een grote en blijvende invloed uit te oefenen. De studie en het beoefenen van de muziek is immers niet alleen een geestelijk hoogstaande ontspanning die ons een grote vreugde en troost kan zijn in het dikwijls harde leven van iedere dag, het staat ook vast dat het beoefenen van deze kunst inzicht geeft en belangstelling wekt voor literatuur, schilderkunst, toneel enz., kortom de mens openstelt voor een intense schoonheidsbeleving, waardoor het leven aan rijkdom wint en de beoefenaar uit de oppervlakkige massa omhoog getrokken wordt. Voor bestuur en leden van onze Harmonie behoeft dit niet meer gezegd te worden. Zij weten dit uit ervaring. Vele ouders, jeugdleiders en opvoeders in Oosterhout echter, die al hun krachten inspannen en er alles voor over hebben, om de hun toevertrouwde jonge mensen ook culturele vorming te geven begrijpen nog steeds niet altijd, dat wij in Oosterhout in onze Harmonie op dit gebied een vormingsinstituut bezitten als geen ander. Uit persoonlijke ervaring kan ik getuigen van de grote dankbaarheid van mensen die op mijn raad in de Harmonie gegaan zijn. Ik geloof, dat vele opvoeders nog te weinig inzien, wat een onschatbare dienst zij bewijzen kunnen aan de jonge mensen, die zij onder hun hoede hebben en die wat hun ambities betreft daarvoor in aanmerking komen, door hun de weg naar de Harmonie te wijzen, terwijl zij nog onder hun leiding staan. De culturele ontwikkeling van deze jonge mensen is dan voor jaren, ja voor heel hun leven verzekerd. Nog lang nadat zij de jeugdbeweging verlaten hebben zullen zij hiervan de vruchten plukken en degenen dankbaar zijn, die hun de weg gewezen hebben naar deze onuitputtelijke bron van schoonheid en van levensvreugde.
Gemeenschapsgedachten, 16 juli 1949
Verchristelijking van het openbare leven
Naar de mate waarin een bepaalde gebeurtenis beantwoordt en afgestemd is aan wat er leeft in de volkswil, naar dezelfde mate zal zij in staat zijn de gemoederen in beweging te zetten. Vandaar dan ook, dat met het initiatief om in Oosterhout een openbare plechtige H. Sacramentsprocessie te houden in onze Oosterhoutse gemeenschap een snaar is aangeslagen, waarvan de trillingen weldadig-duidelijk merkbaar geweest zijn. Een gebeurtenis als deze spreekt ons aan tot in het hart en is in staat rijke en schone gedachten bij ons op te wekken.
Toen en thans
Onwillekeurig worden door deze gebeurtenis onze gedachten getrokken naar toestanden in het verleden, naar priesters en leken, die in de ontwikkeling van het katholieke leven van ons vaderland en ons gewest nooit genoeg gekende en door ons te waarderen dingen hebben tot stand weten te brengen, waarvan wij nu de vruchten plukken. Meer dan een terugblik op het verleden echter, wekt deze gebeurtenis gedachten bij ons op, 'n mijlpaal te zijn, een concreet punt in de ontwikkeling van het katholicisme in Nederland en Brabant dat ons tastbaar zeker wijst, om in aansluiting op hetgeen door onze voorouders met grote offers is bereikt, verder te werken aan de verchristelijking van het openbare leven, de roeping van ons Katholieken van deze tijd, een roeping die wel anders, maar niet minder groots is dan hetgeen onze voorouders te vervullen kregen. Veel zou hierover te zeggen zijn en het verdient onze volle belangstelling. Maar meer nog dan de rijke gedachten die zich rondom deze gebeurtenis aan ons opdringen, is de H. Sacramentsprocessie zelf een groot feest geweest voor onze Oosterhoutse gemeenschap. Wanneer er een waarheid is van ons geloof, die tot in het diepst van onze ziel verankerd ligt, dan is het zonder twijfel de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament des Altaars. Dit is het brandpunt van ons geloof en van ons leven. Christus zelf is in de H. Sacramentsprocessie plechtig door Oosterhouts' straten gedragen. Hij is er gegaan langs onze huizen, langs onze zorgen en onze vreugden, langs ons leven van alle dag. De Meester was daar. En zoals eertijds het. volk van Palestina toestroomde naar waar Hij kwam, zo ook zijn wij gegaan om de God-mens te begroeten en zijn wij met de rozenkrans in de hand met Hem mee getrokken. Ook hier, zoals toen, is Hij al weldoende rondgegaan. „En wij hebben u zo nodig Heer. Maar groot is ons geloof. Als we slechts de zoom van Uw kleed mogen aanraken zullen wij genezen zijn." Wij hebben gebeden, vurig en met vertrouwen.
Ons gebed
O Jezus, ook wij hier in Oosterhout zijn kinderen van onze tijd. Het is zo moeilijk om tegen de stroom op te roeien. Het kost ons zoveel inspanning om niet door de materialistische geest te worden meegesleurd. Heer, help ons hier in Oosterhout dat kinderlijke, rotsvaste geloof en diepe godsdienstzin te behouden die toch steeds onze grootste rijkdom waren. Gij ziet het Heer, nu Gij door onze straten gaat, hoe Oosterhout aan het groeien is. Wij danken U daarvoor, want wij houden van onze stad. Laat het een groeien zijn tot Uw eer en onze zaligheid. Strek in deze plechtige ommegang Uw zegenende hand uit naar onze vaders en moeders, die nu met groot geloof en kinderlijk vertrouwen met al hun zorgen tot U komen. Zegen onze kleintjes die wij bij U brengen, die de vreugde van ons leven zijn en die ook Gij zo uitermate lief hebt. Geef overvloedige zegen Heer, wij smeken het U met aandrang, aan onze jonge mannen, de vaders van morgen. Zij willen zo goed, maar zij hebben het zo moeilijk. Zegen vooral ook onze jonge meisjes Heer, waarvan er steeds meer zijn die werken op kantoor en fabriek en die daardoor in een sfeer moeten leven die uiteraard zo weinig geschikt is om in hen die vrouwelijke deugden tot ontwikkeling te brengen, die wij in onze Moeders van morgen meer dan ooit nodig zullen hebben. Bescherm ook onze jongens in Indonesië en stel de vaders en moeders gerust, die toch voortdurend over hen in angst en zorg zitten. Zegen ook onze zieken en allen Heer die in groot verdriet zitten, laat het niet tevergeefs zijn wanneer zij in groot vertrouwen hun handen naar U uitstrekken. Wij willen U Meester, in deze eerste plechtige ommegang onze hulde brengen, nederig maar fier U vergezellen op deze tocht door onze straten, als onze Heer en Koning U volgen nu Gij Oosterhout plechtig bezoeken wilt als bewijs van Uwe mateloze liefde voor ons. Want groot is de eer en de gunst die ons nu te beurt valt, nu Oosterhout zijn God en Heer plechtig in het openbaar ontvangen en huldigen mag. Ontvang dan op deze dag onze nederige hulde Heer, recht uit ons Oosterhoutse hart, tot meerdere eer en glorie van Uw naam en tot zegen van geheel onze Oosterhoutse gemeenschap.
Gemeenschapsgedachten, 26 november 1949
Meer dan ooit is onze dagelijkse krant en zijn de regelmatige nieuwsberichten van de radio voor ons een levensbehoefte geworden. Niet zozeer in de betekenis, als zouden deze krant en radio voor ons het enig en dagelijkse voedsel voor onze geest zijn, maar omdat wij door pers en radio in een wereld leven die even werkelijk is als ver van ons verwijderd. Alles wat er op de wereld gebeurt, leeft en groeit, de gigantische strijd der volken om uit de wereldchaos te geraken, en eenheid te scheppen, het worstelen van onze wereld voor vrede, vrijheid en rechtvaardigheid zou ons in al zijn hevigheid ontgaan, wij zouden er geen deel aan hebben, of althans zouden wij onze verbondenheid met deze worstelende wereld, niet zo aanvoelen, wanneer wij deze moderne berichtgeving en voorlichting moesten missen. Al lezende in de krant voelen wij ons wereldburgers worden of toch minstens Europeaan en we zijn erbij aanwezig als de groten van de wereld met haastige ernst trachten de dreigende ondergang van onze Westerse beschaving te redden en alles in het werk stellen om door gezamenlijke krachtsinspanning deze dreiging te veranderen in een rustiger sfeer waarin aan een nieuwe wereld kan worden gewerkt. Uit de klank van de stem van deze voormannen beluisteren wij de goede of slechte kansen voor de toekomst. Wij trachten de betekenis te peilen die de nieuwe verhouding met Indonesië met zich brengt. We leven mee met de Oost-Europese volkeren alsof het onszelf aangaat. De Benelux. De Europese eenwording. Het zijn werkelijkheden welke wij erkennen.. Het zijn zaken waarvan wij de geweldige betekenis inzien voor de wereld en voor onszelf. Het zijn gebeurtenissen die onze tijd belangwekkend en groot maken en waarvan wij door radio en pers weten dat wij er deel aan hebben. Het is een werkelijk bestaande wereld, deze wereld uit de krant, maar, als ik mijn krantje dichtvouw, zie ik in plaats van de gevulde gevangenissen in Rusland en, Oost Europa; in plaats van de rondetafelconferentie; in plaats van de Europese raad en alles wat ik weet uit deze wereld uit de krant, in plaats hiervan zie ik m'n vrouw met zorgende liefde de dagelijks nodige dingen doen; zie ik mijn kinderen beurtelings blij en bedroefd zijn, om 'n kleinigheid, om niets. Ik wandel door onze wazige polders en door buitenwegen die glibberig zijn van verpletterende knollenresten en pulp en de boer boven op zijn kunstig volgetaste knollenkar groet me in het voorbijgaan door even met zijn pijp naar de hemel de wijzen. In de verte staat de sterke toren van de parochiekerk die ik langzaam groter zie worden als ik Oosterhout weer nader. En dan ontmoet ik steeds méér mensen, mannen, vrouwen en kinderen, waarvan ik veruit de meeste ken, hun houding en gezicht en dikwijls hun naam, maar het zijn andere mensen dan die ik uit de kranten ken. Ik zie een huismoeder haar was te wapperen hangen. De kinderen krioelen luidruchtig rondom de school, 'n Lijkwagen boldert ijzig door de straat, 'n witte doop en vele mensen met een goede wens in het hart kijken het vinnige trouwkoetsje na. De dagen van de mensen zijn met vreugde en zorg gevuld en ... af en toe een blinkend priesterfeest. Al is de wereld uit de krant even werkelijk als deze, al zijn. het evenzeer mensen van vlees én bloed, mensen die ik nodig heb en die ook mij niet kunnen missen, zij zijn toch voor mij anders en minder tastbaar dan mijn buurman, die altijd helpens klaar is en die ook ik graag helpen mag. De waarachtige waarde van de wereld uit de krant ligt onmiskenbaar in de wereldomspannende invloed van haar leven en werken, maar onderscheidt zich toch van de even werkelijke wereld van ons dagelijks tastbaar beleven, al bestaat er een duidelijke wisselwerking tussen beiden. Een goed geordend en gezond geheel immers is zonder gezonde en goed geordende onderdelen niet mogelijk. Het is door ons in de tastbare werkelijkheid van de wereld van alle dag, van het leven rondom ons waarin wij zelf leven, waardoor wij direct beïnvloed en waarop wij zelf invloed hebben, het is door ons op deze plaats op het geheel op het wereldgebeuren in te stellen dat wij die andere wereld, die grote wereld uit de krant als een werkelijkheid ervaren. Wanneer wij zo onze verbondenheid met het wereldgebeuren niet kunnen zien, wordt deze werkelijkheid voor ons naar een ongrijpbare verte verschoven, wordt het een interland wedstrijd waarvan wij slechts in de verte toeschouwer kunnen zijn door radio en pers, een gebeuren waar enkelen, zonder onze medewerking een we-reldspel spelen, niet met 'n voetbal of iets dergelijks, maar met de hoofden, harten en zielen van ons en onze kinderen. Maar, zo is het gelukkig niet. Dit zou ook monsterachtig zijn en beslist in strijd met de waarde van onze menselijke persoonlijkheid. Ieder mens die in vrede leeft met God en met de mensen waarmee hij iedere dag te maken heeft, heeft deel aan het wereldstreven naar .vrede, vrijheid, en rechtvaardigheid onder de volkeren. Op de plaats waar hij staat tegenover God en de gemeenschap kan hij niet slechts dit wereldgebeuren mee richting geven, maar op deze plaats draagt hij zelfs de volle verantwoordelijkheid dit te doen. In het milieu van het practische leven, dat voor de meeste van ons niet veel verder gaat dan gezin, familie, parochie, werkgemeenschap en stad, in dit milieu waarin hij zijn gemeenschapsleven leeft, waarin zijn persoonlijkheid al is het soms onbewust, een rol speelt, ten goede of ten kwade, in deze omgeving treedt hij tastbaar in de invloedssfeer van het wereldgebeuren. Deze gedachte kan in onze tijd, in een tijd van verering van de massa en het grote getal zijn nut hebben om de menselijke persoonlijkheid weer op de juiste waarde tte gaan taxeren, om ons leven en werken in kleine, ja, in de kleinste gemeenschappen weer eens duidelijk te zien in hun samenhang met het grote wereldgebeuren en om tevens de eigen sfeer van het milieu in gezin, vereniging, parochie, stad en streek niet te onderschatten, niet als ballast te zien ten opzichte van dit wereldgebeuren, maar als de natuurlijke entourage en levensmanier die gegroeid is in een soms eeuwenlange traditie, een sfeer die mede bepaald wordt door de eigenaardigheden van een bepaald volk of deel hiervan. Zo kunnen wij ons eigen leven, ons gezinsleven, ons parochiële- en verenigingsleven in al zijn vormen binnen onze Oosterhoütse gemeenschap en in eigen Brabantse stijl zien als een werkelijke en tastbare deelname aan het wereldgebeuren. Het is toch onmogelijk de grote mensengemeenschap te dienen door de betekenis en waarde van onze persoon en van ons dagelijks gemeenschapsleven te verkleinen of door de betekenis van de sfeer in een bepaald milieu, die toch voortkomt uit eigen aard en traditioneel met ons persoonlijk leven en dat der kleine gemeenschappen is vergroeid te verdoezelen. Neen, deelname aan het leven in wereldverband is door ons niet te verwezenlijken door ons persoonlijk leven en dat der kleine gemeenschappen tot een massaproduct te maken, maar alleen door de verantwoordelijkheid te zien en te dragen in ons gewone dagelijkse leven. De wereldburger in letterlijke zin is een ondenkbaar wezen. Zeker, op de dag van vandaag zijn er duizenden die, althans officieel geen vaderland meer hebben. Maar het zijn deerniswekkende bannelingen, juist omdat zij hun vaderland, hun geboortestreek, hun thuis moeten missen. Er zijn mensen die uit hoofde van hun beroep of uit avontuur de wereld in alle richtingen doorkruisen en jarenlang de wereld rondzwerven, maar ook voor hen is er ergens op de wereld een plekje waar zij eens naar terugverlangen, 'n land, 'n stad, 'n dorpje misschien waar zij na lange omzwervingen neerstrijken om er thuis te zijn. We kunnen misschien verschillende talen spreken en door omstandigheden ertoe gebracht zijn het grootste deel van ons leven een andere taal te spreken dan de taal van ons eigen land. Maar de taal die we van onze moeder hoorde, onze moedertaal szal steeds een eigen onvergelijkelijk schone en onvergankelijke zoete klank voor ons behouden. Het zijn hoge uitzonderingen en meestal beklagenswaardige stumpers de mensen die geen eigen vaderland kennen en zich hun geboortestreek niet herinneren kunnen. Zij zullen dit gemis meermalen in hun leven voelen zoals een mens die nooit de moederliefde heeft gekend zich altijd als misbedeeld beschouwen zal. Talloos zijn de kunstenaars die de gevoelens van hun liefde voor het vaderland, de liefde voor de geboortegrond in woord, in beeld en klank op wonderlijke schone wijze hebben weergegeven. In alle tijden, op alle plaatsen van de wereld is, evenals de moederliefde de liefde voor de geboortegrond bezongen. Maar helaas, zoals het met veel goede dingen gaat, ook door veruit de meesten pas op de juiste waarde geschat wanneer men de beschermend, zoete liefde van moeder of geboortegrond moet derven. De aanblik van een vergeelde foto van moeder kan op latere leeftijd de onzegbaar grote gunst van de ontvangen moederliefde in al haar innigheid voor ogen brengen. Zo moet men soms eerst in verre vreenlde landen zijn om door een klank, een woord uit de geboortestreek, om door een plaatje van onze kerktoren in het diepst van onze ziel ontroerd te worden en om met onweerstaanbaar verlangen naar dit eigen stukje wereld terug te verlangen. Dat stukje wereld, dat ons zo onbelangrijk en klein leek, maar op slot van zake een wereldje is, hoe klein en schijnbaar onbelangrijk ook in, om de volledige ontplooing van onze persoonlijkheid op te vangen en te verwerken. In deze kleine gemeenschappen vart gezin, werkgemeenschap, vereniging, parochie en stad kan onze gemeenschapszin volledig productief gemaakt worden in het wereldstreven naar vrede, vrijheid en rechtvaardigheid onder de volkeren. Hier kunnen we al onze vermogens in dienst stellen en heel ons hart open zetten om goed te zijn, om liefde te hebben voor onze medemensen en om dit te doen op onze eigen Brabantse wijze. Maar hierover wellicht een volgende keer.
Gemeenschapsgedachten, 3 december 1949
Vorige week zagen we Kribbegast weer eens op z'n best. Wanneer er te helpen valt of iets recht te zetten, is hij er als de kippen bij. Zo heeft Kribbegast zich dan ook gehaast de mening recht te zetten van enkele mensen, die menen dat St. Nicolaas niets met dames van doen heeft. Dit in verband met de aanwezigheid van enkele hofdames bij de inhuldiging van de heilige bisschop. Men zegt wel eens „haastige spoed is zelden goed". Zo heb ik dan ook hier de indruk dat Kribbegast, in zijn haast om recht te zetten, wellicht meende, dat hij hier het best kon helpen door met grote haast iets over St. Nicolaas uit zijn duim te zuigen. Dat St. Nicolaas heel oud is, wisten we reeds vanaf onze prilste jeugd. Dat Kribbegast echter beweert dat St. Nicolaas bisschop was in een tijd dat een bisschop tegelijkertijd wereldlijk vorst was, kan wel een bewijs zijn dat Kribbegast een fantasierijke duim en een krachtig zuigvermogen bezit, maar dit fabeltje heeft toch niets te maken met wat men over St. Nicolaas als historisch vaststaand lezen kan. St. Nicolaas was bisschop van Mira in Klein Azië en stierf op 6 December 345 of 352. Vast staat verder dat hij tijdens de vervolging van Diocletiaan in de gevangenis geworpen en weer in vrijheid gesteld is bij de troonbestijging van keizer Constantijn in 313. Eveneens komt zijn naam voor op de lijst van de bisschoppen welke op de Kerkvergadering van Nicea in 325 aanwezig waren. St. Nicolaas leefde dus in de eerste helft van de 3e eeuw. Zou Kribbegast nu werkelijk geloven dat er in die tijd bisschoppen bestonden die tegelijkertijd vorst waren? Dit zou een te haastige conclusie zijn. Ook de organisatoren van dit feest kunnen zich bij de critiek op deez fraaie, maar zinloze en on-Oosterhoutse vertoning niet beroepen op het uit-de-duim-gezogen fabeltje, van St. Nicolaas in verband te brengen met middeleeuwse toestanden en hofdames. Daarom, hoewel Kribbegast de raad geeft niet te veel critiek op dit geval te leveren, omdat hij vreest dat St. Nicolaas anders wel eens niets zou kunnen brengen, heb ik het er toch maar op gewaagd zijn raad in de wind te slaan. Ook Kribbegast leeft in de verwachting van veel goeds te ontvangen van St. Nicolaas, hoewel hij toch heel goed zal weten dat de Heilige Man steeds voor „duim-zuigertjes" een dreigende vinger omhoog steekt.
Kribbegast beantwoordt A. B.
Toen Kribbegast de laatste aflevering van Het Kanton in handen kreeg en het doorbladerde, viel zijn oog op de kop „Gemeenschapsgedachten". Waar Kribbegast de week tevoren een artikel onder dezelfde kop met veel interesse gelezen had, begon hij ook deze keer met veel gretigheid te lezen om. dan tot het besef te komen, dat het tegen niemand anders gericht was dan tegen hemzelf. Sjonge, sjonge, wat nu te antwoorden op een dergelijke goed-gefundeerde aanval? Inderdaad, Kribbegast zijn duim is het zuigen waard en er is ook al heel wat uit die duim gezogen, maar om nu die duim er van te beschuldigen in verband met een zo'n hooggeplaatst personage als St. Nicolaas, dat lijkt welhaast op een affront jegens die goede heilige man! De gevolgen zijn dan ook niet uitgebleven ... De Sint heeft inderdaad niets voor 't duimzuigertje gebracht ... De Sint zelf had het geschrijf onder de kris-krasjes niet opgemerkt, maar sociaalvoelend mens als hij is, had hij wel Uw artikel onder die sociale kop gelezen en zo zult U tot in den eeuwige dage het besef met U mee moeten dragen, dat door Uw schuld een. arme pennenlikker, die niets trachtte te doen dan het figuur van de Oosterhoutse Sint te redden, van alle cadeaux verstoken bleef en hete tranen schreidde. Dit lijkt Kribbegast wel het akeligste gevoel, waarmede een sociaal voelend mens, die de gedachten van de .gemeenschap, dus sociale gedachten, onder woorden brengt, kon rondlopen. Evenwel beste heer A.B., de Sint heeft gezegd voor Kribbegast volgende week nog even extra terug te komen om dan zijn cadeau zonder hofdames te komen brengen. Dit doet hij - St. Nicolaas -, doch dit in vertrouwen, en Kribbegast hoopt, dat U als man van eer dit niet verder zult vertellen, omdat de Sint het gezelschap van die hofdames au fond toch niet zo ongezellig vond !
Gemeenschapsgedachten, ? december 1949
Wanneer eerdaags, binnen kortere of langere tijd, door revolutie of 'n nieuwe wereldoorlog het Communisme in Europa vaste voet gekregen zal hebben, wanneer wij aan de lijve ,,de zegeningen" zullen ondervinden van een godloos georiënteerde, 'n godloos bestuurde Maatschappij, dan zullen wij nooit kunnen beweren dat wij dit zelf niet gewild hebben of er niet genoeg voor gewaarschuwd zijn. Boek na boek verschijnt over dit onderwerp en bij stromen komen de dagen tijdschriftartikelen van de pers waarin ook in een voor de massa bevattelijke taal het communisme wordt afgeschilderd als 'n aanstormende duivel, die nergens voor staat en kost wat kost, met alle middelen zijn wereldrijk zal stichten. Paus en Bisschoppen, gesteund door onze Katholieke voormannen, laten geen gelegenheid voorbijgaan om de ernst van deze dreiging onder de aandacht te brengen. Neen, waarachtig, ongewaarschuwd zijn we niet terwijl we evenmin met de hand op 't hart zullen kunnen verklaren het communisme niet gewild te hebben of althans aan de totstandkoming van 'n communistische wereldwanorde niet te hebben meegewerkt. Niet in theorie, o foei. Maar in de praktijk van ons leven. Er zouden Keel wat punten op te noemen zijn waaruit wij zouden kunnen concluderen dat niet alleen Europa, maar ook Katholiek Brabant en ook Oosterhout door hun levenspraktijken beginselen huldigen die weinig verschil vertonen met de communistische. Ter verduidelijking mogen we b.v. het vrouwenvraagstuk noemen. Wanneer 't communisme leert dat de plaats en betekenis van de vrouw in de samenleving wordt bepaald door de plaats die zij in het productieproces inneemt en dat zij voor de samenleving slechts van betekenis is in zoverre zij wat betekent bij het voortbrengen van goederen, dan is er wel niemand van ons die dit onderschrijven zal. Wij weten allen heel goed dat de natuurlijke roeping van de vrouw het lichamelijke of geestelijke moederschap is en dat de plaats van de vrouw is, in of rondom het gezin, dat de betekenis van de vrouw voor de samenleving bepaald wordt naar de mate waarin zij aan deze natuurlijke roeping beantwoord. Evenzeer zijn wij er van overtuigd dat deze Katholieke opvatting betreffende het vrouwenvraagstuk niet alleen voor de vrouw zelf de enig waardige is, maar dat hiermee de samenleving staat of valt, dat bij het loslaten van dit beginsel begonnen is de grondslag zelf van onze maatschappij weg te vreten. Toetsen wii nn onze eieren levenspraktijk aan deze beginselen dan komen we tot 'n even verrassende als ontstellende ontdekking. Welke Katholiek die voor zijn kantoor, bureau, fabriek of werkplaats vrouwelijke krachten vraagt waar evengoed, en heel dikwijls zelfs veel beter mannelijke krachten gouden passen, denkt er nog aan hier mee te helpen de communisische beginselen in praktijk te brengen. Wij praten deze handelwijze graag goed door op de economische noodzaak ervan te wijzen, maar we vergeten dat wij zelf maar al te bereidwillig deze economische oorzaak hebben helpen tot stand brengen, zoals we nu in verschillende streken van Europa en ook. in Oosterhout al aardig op weg zijn 't werken van de gehuwde vrouw en moeder buiten het gezin tot 'n economische noodzaak te verheffen. Geen Katholieke vader of moeder wil voor de toekomst van hun kinderen 'n communistische maatschappij. Geen katholieke vader of, moeder gelooft dat kantoor of fabriek, noch lichamelijk noch geestelijk, voor hun dochters 'n geschikte plaats is sals voorbereiding vopr het geluk van de kinderen in verband met hun natuurlijke roeping, het Vrouw en Moeder zijn, en toch leuren deze ouders met hun dochters langs kantoor en fabriek om er 'n plaats te vinden. Ook hier spreken we graag van financiële noodzaak en we vergeten maar al te graag dat ook hier, in zoverre er werkelijk van financiële noodzaak sprake is, die niet op 'n andere wijze kan worden opgelost, wij zelf ook aan de totstandkoming van deze toestand hebben meegewerkt. Dit is slechts één puntje. We kunnen verder gaan met vergelijken. Op alle gebieden van het leven zullen we bij vergelijking tot de ontdekking komen dat er bij ons Katholieken tegenspraak bestaat tussen leer en leven en dat wij in de praktijk van ons leven prachtige pioniers zijn voor de toekomstige communistische maatschappij. Deze toestand is niet te verklaren alleen uit onwetendheid van ons Katholieken ten opzichte van het communistische gevaar, noch zonder meer te wijten aan gebrek aan goede wil. Deze, met 'n zelfmoordpoging gelijk te stellen houding van ons Katholieken kan alleen 'n verklaring vinden wanneer wij vaststellen dat wij te materialistisch zijn, dat wij hoe langer hoe meer gaan denken zoals de mens denkt die geen geloof heeft, dat n.l. het wereldgebeuren slechts bepaald wordt door politieke, economische en militaire macht en dat wij vanwege onze onmacht op deze gebieden niet anders dan toeschouwer, supporters kunnen zijn bij de strijd om onze beschaving. Ik heb zo de indruk dat er maar weinige van ons. overtuigd zijn dat wij ten opzichtet van het wereldgebeuren iets anders kunnen doen dan onze favoriet toejuichen en onze tegenstander onze afkeuring laten blijken. Tekenend is het ook dat wij algemeen kunnen vaststellen dat de angst voor de oorlog en de communistische overheersing voor de meeste van ons dragelijk wordt, omdat wij de macht van 't communisme vereenzelvigen met Rusland en daar de macht van Amerika tegenoverstellen, terwijl wij hopen dat het sterke Amerika 't communisme zal kunnen bedwingen. Omdat we geen politieke, economische of militaire macht bezitten krijgen we steeds meer 't idee kuddebeesten te zijn die niet de minste invloed op het; wereldgebeuren kunnen uitoefenen. Maar dit is 'n grote vergissing. Macht en geld bepalen niet het wereldgebeuren. Macht en geld zijn s|echts middelen voor het denken en willen, waarmee dit wereldgebeuren in een van te voren uitgedachte en gewilde richting kan worden gedwongen. Macht als zodanig is zelf eerst uitgedacht en gewild als middel om door en met deze macht het denken en willen van de machtbezitters aan de machtelozen op te dringen. Niet de macht, maar het denken en willen beheerst de wereld en bepaald het wereldgebeuren. Het denken en willen, de kijk op 't leven, de levensbeschouwing bepaalt het handelen. Macht, geld en invloed worden slechts .gebruikt als middelen om het door de levensbeschouwing bepaalde, gedachte en gewilde doel te bereiken. Vandaar dan ook dat Rusland geen tegenstander is om en door zijn macht, maar door zijn denken en willen, door zijn levensbeschouwing. Niet de macht van 't communisme moeten we vrezen, maar zijn denken en willen, zijn godloze levensbeschouwing. En zo gezien kunnen we ook alleen maar op Amerika steunen in zoverre het Christelijk denkt en wil, in zoverre deze Amerikaanse macht op de christelijke levensbeschouwing steunt. We kennen allen de angst voor 'n nieuwe wereldoorlog, voor de communistische dreiging. We voelen het als 'n beklemming, als bij 'n zonsverduistering, wanneer Molotof in de zelfverzekerdheid van zijn macht nijdig, een uit zijn Russische sigaret gezogen rookwolk uitblaast of wanneer Stalin vandaag wat grimmiger punt aan zijn snor heeft gedraaid dan gisteren. We vinden het echter heel gewoon. dat de praktijk van ons leven ons dagelijks meer aanpast aan het communistische denken en willen, aan de communistische levensbeschouwing. Wij gedragen ons als warmtezoekers die naar de Noordpool trekken. Wat schiet er van onze waardigheid als mens over wanneer we als koebeesten in de vlammen lopen? Wat van onze uitverkiezing als Christen en Katholiek als we God aan de duivel uitleveren? We zijn rasechte materialisten geworden. Wij missen het levende, het bergenverzettende geloof van onze voorouders. Wat zegt het ons nog dat O. L. Vrouw Zich nog maar enkele jaren geleden in Fatima aan ons, aan de wereld heeft getoond met in de opgeheven hand de rozenkrans als enig middel ter verkrijging van de wereldvrede, als enige redding voor Europa om van het vernielende communisme bevrijdt te blijven. Maar we kiezen liever het nog nooit gelukte maar tastbare, wij stellen liever onze hoop op de grote vier en de U.N.O. dan het zekere te kiezen. Wij geven liever ons vertrouwen aan de groten van de wereld die ons nog nooit anders dan teleurgesteld hebben dan het eenvoudige middel te gebruiken dat de Moeder van de Waarheid ons gegeven heeft om de wereldvrede te winnen het gebed, het rozenkransgebed. Geloven wij nu werkelijk niet meer dat het woord van O. L. Vrouw oneindig meer waarde heeft en .vertrouwenswaard is dan dat van tien dictators en U.N.O.'s samen? Gelooft Oosterhout O. L. Vrouw niet meer? Geloven wij niet meer dat zowel de verschijning van O. L. Vrouw als haar woorden even werkelijk zijn als heel de U.N.O. organisatie? Zouden wij met het door Maria gegeven middel machteloos staan tegenover het wereldgebeuren? Hebben wij het in onze uitverkiezing dan niet in de hand, het door O. L. Vrouw als enig machtsmiddel gegeven rozenhoedje ter verkrijging van de wereldvrede te hanteren? Zonder het rozenkransgebed zal onze. beschaving ten ondergaan. En wie zal er bidden als. wij het niet doen ? Of zullen de Grote Vier het rozenhoedje bidden om O. L. Vrouw aan Haar woord te houden?