WikiZoeken:

Main.SideBar (edit)

Recent Changes Printversie Pagina Aanpassingen Wijzig Pagina

GODS RIJKSTEN ZEGEN

De band van Jan van den Bosch, Kruisheer in Amerika, met zijn familie in Nederland

door Cockie van den Bosch

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding
2 Het gezin vader Jan van den Bosch en moeder Koosje Learbuch
2.1 Werk en vrije tijd
2.3 Godsdienstig leven
3 Jan van den Bosch wordt Kruisheer  
3.1 De Kruisheren
3.2 Vertrek naar Amerika  
3.3 De "missie" in Amerika  
4 De band met de familie in Nederland
4.1 De brieven  
4.2 De bezoeken
5 De inhoud van de relatie  
5.1 Familie in relatie tot Jan van den Bosch
5.2 Jan van den Bosch in relatie tot familie
6 Conclusie 
7 Noten, bronnen en literatuur  

1. Inleiding

In dit werkstuk tracht ik een beeld te schetsen van het leven en werken van Jan van den Bosch, kruisheer in Amerika. Ik heb voor dit onderwerp gekozen omdat Jan van den Bosch mijn Heeroom was en ik als kind ervaren heb dat hij een speciale plaats innam binnen ons gezin. Ik wil vooral zichtbaar maken hoe aan de familieband inhoud wordt gegeven gedurende de periode 1934 - 1968, met de beperkte communicatiemiddelen van die tijd en in hoeverre de tijdsgeest bepalend is geweest voor deze relatie.

Deelvragen zijn:

- welke rol speelt de familie in zijn leven - welke rol speelt hij in het leven van zijn familie.

Om hier achter te komen heb ik van de meer dan 1000 brieven die hij in deze jaren stuurde, er ruim honderd achterhaald en gelezen. Honderden foto’s heb ik bekeken en gesprekken gevoerd met mijn broers, zus, neven en nichten. Verder heb ik gebruik gemaakt van literatuur, interviews, internetsites, trouwboekjes, bidprentjes etc.

Ik heb dit werkstuk opgebouwd door eerst een beschrijving te geven van het gezin waarin hij opgroeit. Daarna schets ik kort de ontstaansgeschiedenis van de Kruisheren. Vervolgens beschrijf ik zijn vertrek naar Amerika en de band die hij vanaf dat moment met zijn familie onderhoudt.

Op deze plaats wil ik mijn broers, zus, neven en nichten, bedanken voor het ter beschikking stellen van hun brieven, foto’s en verhalen.

2. Het gezin van vader Jan van den Bosch en moeder Koosje Learbuch

Vader Johannes Marinus Josephus (Jan) van den Bosch is op 25 april 1878 te ’s Hertogenbosch geboren als zoon van Adam van den Bosch en Klazina Buizers. Moeder Jacoba Adriana (Koosje) Learbuch is geboren op 24 december 1880 te Oosterhout als dochter van Johannes Learbuch en Wilhelmina van den Heijkant. Jan van den Bosch en Koosje Learbuch trouwen in Oosterhout op 17 mei 1906. Samen krijgen zij veertien kinderen, van wie er drie kort na de geboorte sterven en één op tweejarige leeftijd. 1


Vader Jan werkte als vakman in de suikerbakkerij bij Smits van Gils te Oosterhout. In de weekends maakte hij met de hand wat snoepgoed voor zichzelf, wat aan huis op de Zandheuvel werd verkocht. Er werd op die manier wat bijverdiend. Toen dit bekend werd bij Smits van Gils ontstond er een conflict en heeft Jan ontslag genomen. Met vijfhonderd gulden geleend geld is hij toen noodgedwongen zijn eigen zaak begonnen: “J.M.J. van den Bosch, Fabrikant van Suikerwerken”. Na een moeilijke start heeft hij rond 1920 de bakkerij van Dorus de Bodt in de Kloosterstraat gekocht, waarna het gezin verhuisde van de Zandheuvel naar de Kloosterstraat.2

2.1 Werk en vrije tijd

Het gezin van den Bosch was een “gezellig en hardwerkend huishouden”. Het was ook een gedisciplineerd gezin, waar vader het voor het zeggen had, zowel thuis als in de bakkerij. Moeder was stil en ingetogen. Ze had de zorg voor het huishouden en de kinderen. Alle kinderen werkten mee in de bakkerij of in het huishouden. Na schooltijd ging er een “ander kleedje” aan en werden er “brokken geplooid, zuurballen gedraaid, drop getrokken of papierkes gevouwen om bruidssuikers in te verpakken”. In de sinterklaastijd werd er dag en nacht doorgewerkt, “hartjes decoreren of bloemekes opplakken”, de kachels bleven dan ook vierentwintig uur branden. In de zomer werden er buiten in de tuin aan een lange tafel “ijsbonbonnekes geplooid”. ’s Avonds werden de bestellingen door de zonen per bakfiets in Oosterhout bezorgd.3


Toch bleef er na het werk en op zondag voldoende tijd over voor ontspanning. Er werd veel gelezen, geschaakt, geschilderd en gekaart. Maar muziek was dé grote passie van het gezin en speelde een grote rol. Tijdens het werken in de bakkerij werd er veel gezongen, er was een piano, een harmonium met muziekboeken van Johannes de Heer, een gitaar en de meeste broers speelden viool. De zonen Adam en Toon speelden eerste viool in het Symphonie- en Missie-orkest. Gerrit was lid van het knapenkoor van de Sint Jan, waar Gregoriaans werd gezongen en bij de Benedictijnen kreeg hij op woensdagmiddag extra zangles en was ook daar lid van een koor. Ook vader was erg muzikaal, lid van een koor en speelde klarinet bij de Harmonie. Na de oorlog verzorgde muziekvereniging “Aurora” in het patronaatsgebouw ieder jaar een opera, operette of revue. Ook ging er wel één of twee keer per jaar een missionaris naar de missie, waarvoor een speciale missieavond werd georganiseerd. Het gezin van den Bosch bezocht deze avonden trouw en genoot van de kinderoperette “De betoverde prinses” of van een uitvoering van “Jozef in Dothan” van Vondel.4


2.2 Godsdienstig leven

In de eerste helft van de twintigste eeuw, was de Katholieke Kerk in Noord Brabant dominant aanwezig. Veel zorg werd besteed aan de versterking van het Katholieke organisatieleven en de uitbouw van het katholieke onderwijs. In vrijwel alle sectoren van het maatschappelijk en cultureel leven was de kerk in naam of persoon aanwezig.5 Priesters hadden in deze tijd een bijzondere en hoge status voor de gelovigen en werden met eerbied bejegend. Ze waren nauw betrokken bij vele vaak zelfs intieme details binnen het gezin. Zij bepaalden of handelingen en opvattingen pasten binnen de kaders van het geloof. Een belangrijk deel van het godsdienstige leven speelt zich af in de beslotenheid van het gezin. Geloofsleven en gezinsleven waren nauw met elkaar verbonden en liepen door elkaar heen.6 Ook in het dagelijks leven van het gezin van den Bosch speelt het katholieke geloof een belangrijke rol. Op vaste momenten, bij het opstaan, eten en slapen gaan, werd er gebeden en kerkelijke voorschriften werden strikt nageleefd. Elke ochtend om half acht naar de kerk en voor het slapengaan nog een rozenhoedje bidden. In gezinsverband werd ook aan de zondagsplicht voldaan. De ene helft van het gezin ging om half zeven naar de vroegmis, de andere helft om acht uur naar de gelezen mis, om tien uur ging men weer naar de mis om te zingen. ’s Middags om half vier naar het lof en om de veertien dagen gingen de broers naar de jongensfamilie in de kerk voor een preek. Alles bij elkaar werd er zo’n vier uur per zondag in de kerk doorgebracht.7

Een bijzonder aspect van het godsdienstig leven vormde de missie. De belangstelling voor het reilen en zeilen van de missie was betrekkelijk groot en verruimde zeker de horizon van de gemiddelde Brabantse katholiek. In het gezin van den Bosch behoorden missietijdschriften tot geliefde lectuur. Rond 1925 bestonden er in Nederland bijna vijftig van dergelijke tijdschriften, meestal uitgegeven door missionerende congregaties. Op velerlei wijzen konden de Katholieken zich verbonden weten met de missie. Vrijwel iedere parochie kende zijn missiethuisfront, dat missionarissen, vaak uit de eigen parochie afkomstig, ondersteunde met gebed en geld. Kinderen spaarden zilverpapier en vrouwen namen deel aan de missienaaikrans.8 In 1930 had van alle missionarissen 10% de Nederlandse nationaliteit, terwijl de Nederlandse katholieken minder dan 1% van het totaal aantal katholieken uitmaakten. Tussen 1920 en 1940 verdrievoudigde het aantal Nederlandse missionarissen.9 Uit menig Brabants gezin is er een zoon of dochter naar de missie vertrokken, zo ook uit het gezin van Jan van den Bosch en Koosje Learbuch. Een dochter treedt in bij de zusters in Roosendaal, drie zonen gaan naar de Kruisheren in Uden, maar alleen Jan zal priester worden.

3. Jan van den Bosch wordt kruisheer

Jan (Johannes Nicolaas Joseph Maria) wordt als tweede zoon geboren op 23 juli 1908. Na de lagere school wilde hij graag naar de mulo, wat na enig aandringen ook mocht. Hij bleek een bijzonder goede leerling en “zou later kunnen worden wat hij wilde”, zo werd hem op de mulo verteld. Maar Jan had zo zijn eigen toekomstplannen, hij wilde priester worden, het liefst als missionaris naar de Congo. Zijn vader en moeder stemmen hiermee in, hij verlaat na één jaar de mulo en vertrekt op 14-jarige leeftijd als priesterstudent naar de Kruisheren in Uden. 10 Na het klein seminarie in Uden doorlopen te hebben, verhuist Jan naar het klooster van de Kruisheren in St. Agatha en studeert hier nog 6 jaar aan het groot seminarie. Op 28 augustus 1928 legt hij zijn gelofte af en op 1 augustus 1933 volgt de priesterwijding. De kruisheren droegen een wit habijt, een zwart scapulier met daarop een rood-wit kruis en een zwarte schoudermantel. Zo waren zij gereed om - naar het woord van de paus - “God onder alle klimaten der aarde te dienen”.


3.1 De Kruisheren

De oorsprong van de orde van het heilig kruis (Ordo Sanctae Crucis) ligt in de dertiende eeuw in de buurt van Luik. Enkele mannen uit het kanunnikencollege van de kathedraal van Luik wilden het oorspronkelijke ideaal van de kanunniken herstellen: leven in een gemeenschap met gebed en zielzorg voor de aan de kerk verbonden mensen. Onder leiding van Theodorus van Celles trokken ze zich uit de bisschopskerk terug in een klein kapelletje in het stadje Hoei aan de Maas (België) en bouwden daar een klooster. Ze zorgden voor de mensen die onderweg waren, pelgrims, kruisvaarders, door aan hen onderdak te verlenen. Al heel gauw ontstonden er meerdere kloosters in West Europa. Ze namen de regels van Augustinus als grondslag voor hun samenleven en stelden constituties op naar het voorbeeld van Dominikus. Ze noemden zich kruisbroeders of kruisdrager. In 1248 worden de kruisbroeders door Paus Innocentius als orde erkend. In 1410 werd het leven van de kruisbroeders, dat in verval dreigde te raken, grondig herzien. Er ontstond een nieuwe opbloei, die vooral gekenmerkt werd door de nadruk op het beschouwende leven. Door de verwarrende gevolgen van de protestantse reformatie werden veel kloosters in de “lage landen”opgeheven. Daarna begon een nieuwe bloeiperiode. Beïnvloed door de idealen van de humanistische vorming legden de kruisbroeders zich vooral toe op de opleiding van de jeugd door het oprichten van “Latijnse Scholen”. Door de Franse Revolutie en de regering Napoleon werden haast alle kloosters opgeheven. Onder Koning Willem I mochten de kruisbroeders weer terug naar het klooster, maar mochten geen nieuwe leden aannemen. De orde was gedoemd tot uitsterven. In 1840 zijn er nog slechts twee kloosters over, een in Uden en een in St. Agatha. De moderne periode van de orde begint na 1840, toen het verbod tot aanname van nieuwe leden door Koning Willem II werd opgeheven. Onder leiding van daadkrachtige en vooruitstrevende leiders werden in België en Nederland oude stichtingen weer opgericht en nieuwe eraan toegevoegd. Met de immigranten gingen ook de kruisbroeders naar de USA en werd de orde daar langzaam in de “nieuwe wereld” geplant.


3.2. Vertrek naar Amerika

In de vroege zomer van 1934 vertrekt Jan niet naar de Congo, maar naar Amerika. Voor zijn afscheid wordt er een missie-avond georganiseerd. Het Kanton van 19 mei 1934 meldt hierover: “Ter gelegenheid van het vertrek van Pater Van den Bosch naar de missie in Onamia (Amerika) zal op zondag 27 mei a.s. een Oosterhoutsche Missie-avond gegeven worden in het St. Janspatronaat, Arendstraat, alhier. Houdt dezen avond nu reeds vrij. Bijzonderheden volgen volgende week”. In het Kanton van zaterdag 26 mei wordt het bericht herhaald: “Zondagavond om 8 uur zal in het patronaat St. Jan een afscheidsfeest gegeven worden met medewerking van ons Missie-orkest en den Weleerwaarden Heer Kapelaan van Bekhoven. Missievrienden, wij zijn allen present, natuurlijk! De toegangsprijs is geen bezwaar, nl. 0,25. Plaatsbespreking denzelfden dag van 12 – 1 uur à 10 cent. Het Missie-orkest komt met een geheel nieuw programma. Laten we het waarderen van de leden van het Orkest, die zich belangeloos ter beschikking stellen. De opbrengst is bestemd voor de Missie van Pater van den Bosch. De zaal is natuurlijk mooi vol! Tot Zondag”. Op zaterdag 3 juni meldt het Kanton: “Een prachtig geslaagde avond voor de Missie. De zaal was stampvol met missie- en kunstminnende Oosterhouters. Pater van den Bosch zal over het resultaat wel tevreden zijn!”.14


3.3 De “missie” in Amerika

In juni 1907 werd in Chicago een “Association of Belgian and Holland Priests” opgericht (De Priesterbond) met als tweevoudig doel de zorg voor de geestelijke noden van de Nederlandse en Vlaamse immigranten en het beschermen en begeleiden van die immigranten bij hun aankomst in Amerika. Vanuit deze bond kwamen een aantal kolonisatiepogingen tot stand. De achterliggende gedachte was dat de katholieke kerk meer vat zou krijgen op haar gelovigen wanneer die zich gezamenlijk vestigden rond eigen kerk en school. Door onder andere de landbouwcrisis in Europa en de grote vraag naar arbeidskrachten in het snel industrialiserende Amerika, waren er reeds vele Nederlanders naar Noord Amerika vertrokken. Mislukte in Wisconsin in de jaren 1850 en 1860 de eerste poging van de kruisheren tot aftakking in Amerika, in 1910 probeerden drie van hen het opnieuw, deze keer in de staat Minnesota, in Butler en, korte tijd later, niet ver daarvandaan in Onamia. Zij waren vertrokken vanuit het klooster St. Agatha te Cuyck. In Onamia werd in 1922 een klooster met college geopend en daarmee begon de bloeitijd voor de Kruisheren in Amerika. Later kregen zij nog kloosters in Hastings, Nebraska en Fort Wayne, Indiana.15

In Amerika vervult Jan van den Bosch alle denkbare functies die voor een priester zijn weggelegd. Tot 1942 is hij prefect op het klein seminarie in Onamia, Minnesota. Van 1942 tot 1947 krijgt hij de zorg over de “bedelactiviteiten” van het klooster. Het klein seminarie bracht niet voldoende geld op om zichzelf te bedruipen en daarom moest er “gebedeld”worden. Hij volgt gedurende meerdere jaren de Summer-School Colleges en behaalt in 1940 de titel van Master of Music aan de Notre Dame Universiteit te South Bend, Indiana, en is gedurende vele jaren muziekleraar, dirigent van het koor en de schoolband. In juni 1948 wordt hij tot prior gekozen van de kruisherengemeenschap in Onamia en blijft dit tot 1954. Hij stelt zich niet meer herkiesbaar vanwege een hartinfarct in 1951, waarvan hij nooit volledig herstelde. Gedurende zijn prioraat is de huidige kerk in Onamia gebouwd. In 1960 verhuist hij naar Fort Wayne, Indiana, waar hij socius (assistent van de Magister) van de Groot seminaristen werd. Na een paar jaar keert hij terug naar Onamia, waar hij het wat rustiger aan kan doen.


4. De band met de familie in Nederland

Jan onderhoudt door de jaren heen uitvoerig contact met zijn familie in Nederland, hetgeen blijkt uit de onafzienbare stroom brieven en foto’s uit Amerika. Er gaan ook vele brieven en foto’s richting Amerika om Jan op de hoogte te houden van het reilen en zeilen van de familie in Nederland. Om de tien jaar mag Jan met vakantie naar Nederland. Later wordt dit om de vijf jaar en tenslotte om de drie jaar. Die vakanties brengt hij samen met zijn vader, broers en zusters, en later met hun gezinnen door.


4.1 De brieven

De allereerste brief naar huis is geschreven in dagboekvorm tijdens de bootreis naar Amerika. Jan houdt zich vooral bezig met bidden, lezen en schrijven. Hij doet verslag van zijn belevenissen aan boord en denkt veel aan zijn familie thuis. Zo schrijft hij in deze brief op zaterdagmiddag: “We zijn nu aan de echte reis begonnen en zullen in acht dagen geen land meer zien. Ik denk nu ineens aan het missie-orkest, hoe gaat het daarmee. Schrijf me eens hoe of dat allemaal afgelopen is. Ik hoop van goed. Nu is thuis alles weer geregeld zeker hé? Is Anneke nu weer helemaal beter? En hoe gaat het met ons Gerritje, ’nen flinken boy al hé? Wat hebben we gevochten! En ons Beth en Mien, alles weer in orde?. De groote jongens houden zich ook wel flink hé? Adam, Dré en Harrie!. Laten we zooals moeder zei, veel bidden, veel bidden”. Hij voelt zich goed aan boord en heeft in tegenstelling tot zijn “compagnon” nog geen last van zeeziekte. Op maandagavond schrijft hij: “Ik ben gezond zooals thuis, ik rook m’n sigaartje, ik neem goed mijn part aan tafel, ‘k maak flinke wandelingen op ’t dek. Ik ga ook ‘ns op m’n gemak in zoo’n languit-stoel zitten op het dek, natuurlijk! Daar zijn ze voor”. Dat Jan een musicus is in hart en nieren blijkt wel uit het volgende:”a-propos - ‘k heb ook naar ’t lied van de zee geluisterd - in muziek-dictaat ben ik nogal goed (al zeg ik ’t zelf)- maar ‘k kan ’t niet noteeren. ‘k geloof niet dat er melodie in zit, en ’t is ook zeker geen marsch. ‘k zal toch iets proberen …… we zullen zien. Zoo gauw als je muziekles krijgt, wordt er geleerd wat ’n toon is, ’n toon is vooreerst: geluid. Geluid is onderscheiden van geruisch. Geluid heeft regelmatig trillingen. Geruisch niet. De zee nu -dunkt me - maakt geruisch en geen geluid, dus geen toonen, dus geen melodie. Maar we zullen trachten om ’n stuk te maken waarin de stemmingen van de zee zijn weergegeven. Dat is dunkt me dé oplossing”. Als tegen het einde van de reis zijn jongste broer Gerrit jarig is schrijft hij nog een uitvoerige felicitatie: “Beste Gerard. Vandaag zal ik eens ’n apart woordje tegen jou spreken. Je wordt vandaag 12 jaar is ’t niet?. Nou Gerrit, hartelijk gefeliciteerd. Je bent natuurlijk vandaag op je verjaardag naar de H. Mis en te Communie geweest! Je hebt O.L. Heer bedankt voor je goede ouders, die je zoo braaf hebben opgevoed; voor alle weldaden die je van Hem in ’t afgelopen jaar hebt ontvangen. En je hebt O.L.Heer beloofd om altijd braaf te blijven; niet?” . Aan het einde van de lange reis, in het zicht van New York, schrijft hij nog als laatste: “Ik ga nu een puntje zetten achter dezen brief, maar er zullen er nog wel meer den Oceaan overkomen, daar hoeft u niet aan te twijfelen. U schrijft me zeker terug. We blijven veel voor elkaar bidden - allemaal -. Nogmaals denk ik met dank en veel genoegen terug aan mijn thuis. Dag vader, dag moeder, dag Adam, dag Toon, dag Dré, dag Harrie, dag Mien, dag Betsie, dag Gerrit, dag Anneke………. Houdoe…Houdoe…Houdoe…Houdoe…Houdoe…Houdoe”. Met deze laatste zinnen lijkt hij pas echt te beseffen dat hij ver van huis is en zijn familie voorlopig niet meer zal zien.

Na aankomst in Onamia laat Jan de familie weten dat het goed met hem gaat en dat hij al redelijk gewend is: “De Amerikaansche Kruisheeren zijn werkelijk aardige kerels. Ook de jongens op het college! We hebben veel plezier hier. Ik zeg dikwijls dat ‘t ’n gekkenhuis is. En dat is waar ook. ’t Is heel anders dan in St. Agatha. Maar toch bevalt ’t me best. Ik heb hier al meer gelachen dan ik in St.Agatha in 2 jaar gedaan heb”.


Als tijdens de oorlog de brieven maar mondjesmaat doorkomen hoort hij op 24 maart 1941 dat zijn moeder op 14 februari is overleden: “Ofschoon ik nooit kon denken dat moeder zou heengaan, is zij toch naar den hemel gegaan. Onze prior heeft mij verlof gegeven om een Gregoriaanse Mis te zeggen, dat is 30 achtereenvolgende dagen een H. Mis voor moeder. De studenten hebben een H. Mis laten lezen en ook een geestelijk bouquet gegeven. 47 H. Missen – 38 Rozenhoedjes – 36 bezoeken voor het allerheiligste – 26 Kruiswegen en 52 H. Communies. Natuurlijk zullen we veel voor moeder blijven bidden. Voor vader en u allen zal ik mijn gebed verdubbelen, vooral gedurende de volgende 30 dagen”. Als eerbetoon aan zijn moeder componeert Jan zijn “Mass in honor of our blessed mother, for 3 equal voices”. In een volgende brief naar huis vraagt hij zich bezorgd af of vader en de kinderen al gewend zijn aan de leegte in huis nu moeder er niet meer is:”Ik heb moeder al zoo lang niet meer gezien, ’t is veel gemakkelijker voor mij dan voor U allen. Bij U echter was het anders. O.L.Heer nam haar van U weg - uit uw midden - en dat is altijd veel harder”.


De berichten over de oorlog in Europa volgt hij op de voet, maar is niet in staat om op dat moment veel voor zijn familie te doen: “Ik ben blij dat alles goed gaat en dat er genoeg bij mekaar te scharrelen is. U kunt er van overtuigd zijn dat ik iederen dag aan U allen denk. De rest zullen we maar in God’s goede Handen laten”. Na de oorlog probeert hij op alle mogelijke manieren te helpen. Er worden voedselpakketten, tabak en chocolade vanuit Amerika naar Nederland verstuurd. Als in 1957 door onenigheid binnen de familie het doek valt over de bakkerij, probeert Jan vanuit Amerika de gemoederen te sussen: “’t Is voor niemand plezierig, maar laten we hopen dat het ergste achter de rug is. Nu moet ge maar oberen het ook een beetje van den “goeden” kant, den “bovennatuurlijken” kant te zien. En als ge probeert om aan den binnenkant te vergeven, dan wordt het al lichter, want kwaad zijn op iemand maakt het altijd donker in ons hart”. Een echte oplossing kan hij vanuit Amerika ook niet bieden, ondanks de wens waarmee hij alle brieven besluit: “Gods rijksten zegen”, maar hij belooft veel te bidden: “Ik van mijn kant zal veel voor jullie blijven bidden en dan zal het best weer voor elkaar komen”.

4.2 De bezoeken

Pas in 1946 is Jan voor het eerst weer thuis, het geplande bezoek in 1944 werd uitgesteld vanwege de oorlog. Er is thuis veel veranderd sinds zijn vertrek in 1934.


Zijn moeder is er niet meer, de jongste broers en zussen, toen kleine kinderen, zijn inmiddels volwassen en hebben verloofdes. Hij bezoekt de gezinnen van de inmiddels getrouwde broers en zussen en maakt voor het eerst kennis met zijn nieuwe familie, de zwagers, schoonzussen, neefjes en nichtjes. Als zijn jongste broer en zus beide trouwplannen hebben, besluiten zij hun huwelijken uit te stellen tot het volgende bezoek van hun broer.


In 1949 als Jan voor de tweede keer naar huis komt is het feest en worden de huwelijken door hem ingezegend. De bruidjes zien er in een tijd van schaarste ongekend mooi uit in hun bruidsjurken gemaakt van Amerikaanse stof en ook het bruiloftsmaal is voor een belangrijk deel afkomstig uit Amerika. In 1956 bereikt hem het bericht dat zijn vader ernstig ziek is. Hij vertrekt direct naar Nederland, waar zijn vader inmiddels gestorven is, maar gaat hem voor in de uitvaart. Gedurende zijn hele verblijf in Amerika wordt Jan geplaagd door heimwee en iedere gelegenheid om naar Nederland te komen grijpt hij met beide handen aan. Ter gelegenheid van zijn 25-jarig priesterschap in 1958 heeft de jubilaris maar één wens: met verlof naar Nederland. Tijdens zijn latere bezoeken, als vader en moeder niet meer leven en het ouderlijk huis is afgebroken, brengt hij veel tijd door met zijn broers en zussen en hun gezinnen. Er wordt soms een auto gehuurd en een oudere neef of nicht met een rijbewijs toert hem door Nederland. De bezoeken die hij aan een gezin bracht, waren heel speciaal, iedereen was toch wel een beetje gespannen. Zo’n dag moest natuurlijk perfect verlopen; de kinderen in hun netste kleren, het huis aan kant en ’s avonds werd er gegeten alsof het kerstmis was, de tafel werd gedekt met het mooiste (desnoods geleende) servies. Er kwam natuurlijk niet zomaar iemand eten.

Zijn bezoek in 1968 wordt overschaduwd door de plotselinge dood van zijn broer Dré en die hij zelf binnen een maand, op 4 oktober, nog onverwachter zal volgen. Op zijn bidprentje staat: “Pater van den Bosch was een goed kloosterling en vroom priester, zeer toegewijd en plichtsgetrouw. In de lange reeks van jaren waarin hij, te Onamia en Fort Wayne, verbonden was aan de opleiding van priesterkandidaten en jonge medebroeders, onderstreepte hij zijn woord door zijn voorbeeld en gaf hij kleur aan het leven door de muziek die hij in velerlei vorm onderwees en beoefende. Op een hartelijke wijze leefde hij mee met het wel en wee van zijn uitgebreide familie en genoot heel bijzonder van de maanden die hij bij haar mocht doorbrengen”.

Hij ligt begraven in de kloostertuin van St.Agatha, maar ook op het Kruisherenkerkhof in Onamia heeft hij een grafsteen, temidden van zijn confraters.

5. De inhoud van de relatie

5.1. Familie in relatie tot Jan van den Bosch

Jan (voor zijn broers en zussen) en Heeroom (voor zijn neven en nichten), speelde een belangrijke rol in het leven van zijn familie. Met hem werden alle vreugdevolle gebeurtenissen, maar ook de zorgen en problemen, gedeeld. Hij werd door veel van zijn broers en zussen wel gezien als een soort pater familias en is hen vaak tot steun geweest. Na de oorlog heeft hij gedaan wat hij kon om het de familie wat gemakkelijker te maken door zoveel mogelijk voedsel te sturen. Toen er problemen rondom de bakkerij ontstonden werd er om raad gevraagd, als iemand zijn baan verloor werd dit met hem besproken, over alle ziektes, kwalen en kwaaltjes werd aan hem geschreven. Er werd door ouders advies gevraagd over de naam van hun pasgeboren kind. Als zijn broer Toon het gedicht “Opdracht van Jezus in de Tempel” geschreven heeft en dit aan Jan in een brief voorlegt, schrijft hij terug: “ De inhoud van jouw gedicht is héél mooi – en ik denk dat die vorm goed past aan den inhoud. Maar dat is natuurlijk een heele moeilijke kwestie, die ik ook niet op kan lossen – ge moet er een specialist voor zijn. Er zijn twee opmerkingen over de afzonderlijke lijnen. Ge moet het maar eens bepeinzen. De lijnen zijn niet even lang – en omdat er maar twee lijnen rijmen zou ik denken dat het veel mooier zou worden als er ook wat inwendige rijm was. Ik zal op een ander velleke schrijven wat ik bedoel”.


Van alle nichten en neven die in de loop der jaren geboren worden, krijgt hij foto’s toegestuurd en wordt hij over hun levenswandel op de hoogte gehouden. Kinderen die net hebben leren schrijven op school, schrijven hun eerste echte zinnen in een brief aan Heeroom en schoolrapporten worden opgestuurd. Naar zijn brieven werd uitgekeken en om de postzegels werd gevochten. Na zijn dood worden alle persoonlijke bezittingen naar Nederland gestuurd, er zijn honderden foto’s bij die hem in de loop der jaren zijn toegezonden.

5.2 Jan van den Bosch in relatie tot de familie

Dat de familie voor Jan altijd een bijzondere plaats in zijn bestaan heeft ingenomen, blijkt wel uit de meer dan duizend brieven en honderden foto’s die hij naar Nederland verstuurde. Zo houdt hij het thuisfront op de hoogte van zijn leven in Amerika. Hij vertelt over zijn muziek, het orkest, de schoolband, over de vorderingen van zijn studenten. Hij schrijft over de natuur in zijn omgeving, de meren, de bossen, de mooie “Indiaanen zoomers” en de lange strenge winters.


Hij stuurt prachtige series ansichtkaarten uit Rome, Mexico en Canada. Over zijn persoonlijke belevingen of emoties laat hij echter weinig los. De verjaardagen van zijn broers, zussen, schoonzussen, zwagers en 38 neven en nichten, staan in zijn “boekske” en iedereen krijgt ieder jaar weer een brief voor zijn of haar verjaardag, met voor de jarige een devotieprentje en de belofte voor een extra gebed. Met kerstmis, pasen, huwelijk en geboorte, altijd komt er weer post uit Amerika.

Na 33 jaar in Amerika te zijn vraagt hij zich af: “Ik dacht zo juist: hoeveel brieven zou ik al wel niet naar Nederland geschreven hebben in dezen 33 jaar? Hoeveel??’n 20, 30, 40 per jaar, dat zou dicht bij de 1000 geraken!”.


6. Conclusie

Op basis van de informatie die tot mijn beschikking stond over hoe er aan de band tussen Jan van den Bosch en zijn familie inhoud werd gegeven, kom ik tot de volgende conclusies.

Gedurende het vierendertigjarige verblijf van Jan van den Bosch in Amerika, is er tot het laatst toe een hechte familieband blijven bestaan. Hij heeft erg meegeleefd met het wel en wee van de afzonderlijke families en hun schoonfamilies. Hoewel hij in concrete situaties geen daadwerkelijke oplossingen kon bieden, was hij raadsman, gaf richting, waaraan bijzonder veel waarde werd gehecht en zijn opvattingen waren veelal doorslaggevend

Over zijn persoonlijke belevingen, zijn verwachtingen of teleurstellingen, sprak hij niet in zijn brieven. Zijn positie als priester stond dit niet toe, het paste niet, het werd ook niet van hem verwacht. De familie plaatste hem niet naast, maar boven zich. Geheel in overeenstemming met de tijdsgeest kreeg Jan van den Bosch door zijn familie de status toebedeeld die bij een priester paste. Bovendien was hij een man die veel tijd voor gebed vrijmaakte en God in het midden van zijn leven plaatste.

Hoewel er helaas geen brieven in mijn bezit zijn die door de familie naar Amerika zijn verzonden, valt uit de reacties die Jan in zijn brieven geeft, duidelijk op te maken dat werkelijk alle lief en leed met hem gedeeld werd. Hij was voor hen een uitlaatklep waar zonder schroom en in alle veiligheid alles aan kon worden toevertrouwd. Hij was waarschijnlijk beter op de hoogte van het leven van zijn broers en zussen, dan de naasten in de eigen omgeving. Misschien is dit de reden, waarom deze brieven - tot op heden - niet zijn teruggevonden.


Oosterhout, maart 2004

Noten

1. J. van den Bosch, uit Het van den Bosch'en boek, 1999. 2. Interview met Harrie van den Bosch, 1985. 3. Interview met Annet van den Bosch, 1985. 4. Interview met Gerrit van den Bosch, 1985. 5. Nissen, Het rijke Roomse leven, II, 317. 6. De Coninck, Dirkse en Derks, Roomsch in Alles, 17. 7. Interview met Gerrit van den Bosch, 1985. 8. Nissen, Het rijke Roomse leven, II, 319. 9. De Coninck, Dirkse en Derks, Roomsch in Alles, 23. 10. Interview met Harrie van den Bosch, 1985. 11. Jansen, O.S.C., 750 jaar kruisheren. 12. Van den Elsen, O.S.C., 350 jaar wel en wee, 13. 13. Jansen, O.S.C., 750 jaar kruisheren. 14. J. van den Bosch, uit Het van den Bosch'en boek, 1999. 15. Van Stekelenburg, Hier is alles vooruitgang ,15, 16, 60.

Bronnen

Brieven en kaarten van Jan van den Bosch, kruisheer. J. van den Bosch, "Het van den Bosch'en boek", uitgegeven ter gelegenheid van familiereünie, 1999. Interview met Harrie van den Bosch, 1913, in 1985 in het kader van familiereünie. Interview met Annet van den Bosch, 1924-2001, in 1985 in het kader van familiereünie. Interview met Gerrit van den Bosch, 1923-1997, in 1985 in het kader van familiereünie. Gesprekken met broers, zus, neven en nichten. James Remmerswaal, O.S.C.,via e-mail: jimremm@crosier.org. Internet site http://www.osceurope.org/, maart 2004. Internet site http://www.oscgeneral.org/, maart 2004. Internet site http://www.crosier.org/, maart 2004. Trouwboekje J.van den Bosch en J.Learbuch. Bidprentjes, herinneringsprentjes. Foto's.

Literatuur

- Pieter de Coninck, Paul Dirkse en Marjet Derks, Roomsch in Alles. Het rijke roomse leven 1900-1950 (Zwolle en Utrecht 1996)
- A. van den Eisen, O.S.C., 350 jaar wel en wee van de Udense Kruisherengemeenschap (Uden 1988)
- J. Francino O.S.C., Kruisheren in Uden (Uden 1979)
- Roger Jansen, O.S.C., 750 jaar kruisheren. Vijf breuklijnen van Traditie en Vernieuwing in de Orde van het H.Kruis 128-1998 (Rome) via Internet http://www.osceurope.org/ Ordinis Sanctae Crucis (OSC) Province Europe
- P.J.A. Nissen, " Het rijke Roomse leven " in H.F.J.M. van den Eerenbeemt, red., Geschiedenis van Noord Brabant (3 dln.; Amsterdam en Meppel 1996-1997)
- Mr.F.R. Spengler, Geschiedenis van het klooster St.Agatha (Utrecht 1863)
- H. van Stekelenburg, Landverhuizing als regionaal verschijnsel. Van Noord-Brabant naar Noord-Amerika 1820-1880 (Tilburg 1991)
- H.AV.M, van Stekelenburg, Hier is alles vooruitgang. Landverhuizing van Noord-Brabant naar Noord-Amerika (Tilburg 1996)
- H.AV.M. van Stekelenburg, De Grote Trek. Emigratie vanuit Noord-Brabant naar Noord-Amerika 1947-1963 (Tilburg 2000)


Wijzig Pagina - Pagina Aanpassingen - Printversie - Recent Changes - WikiHulp - WikiZoeken
Pagina gewijzigd op 15 november 2004 om 07:53