HET VERHAAL VAN PIETJE DIE EEN BOODSCHAP GEDAAN WORDT
Kort verhaal door Toon van den Bosch, 13 september 1954
Nou komt moeder-de vrouw zomaar ineens tot de ontdekking dat ze geen boter in huis heeft en de tafel staat gedekt.
Door een onweerstaanbare drang gedreven (was het van binnen- of van buitenuit, ik weet het niet) voelde Pietje zich gedrongen om deze moeilijkheid op te lossen.
Als door een onzichtbare hand geleid verlaat hij haastig de kamer en een onverklaarbare aantrekkingskracht brengt hem naar de kapstok en dan heel duidelijk en dringend doet iets hem naar zijn regenjas grijpen. En terwijl hij de regenjas kil langs zijn lijf voelt glijden, doorstroomt hem weer dat warme geluksgevoel van door iets onbestemds gedreven te worden.
Bovenaan de trap, die naar de buitendeur leidt, met zijn regenjas al dichtgeknoopt, voelt Pietje ’n intens verlangen in zich groeien om langs die trap naar beneden te gaan, ’n gevoel dat steeds sterker, en o wonder, ook volkomen bevredigt wordt. Want, als door electrische trillingen in beweging gebracht, beginnen zijn benen zich te bewegen en in ontroerende verbazing stelt hij vast dat zijn benen juist die bewegingen maken welke nodig blijken te zijn om de trap af te dalen, en regelrecht wordt Pietje de trap afgelopen.
Dan voelt hij zijn hand als was ze van ijzer, en de knop van de deur als een sterke magneet. Open de deur. Pietje wordt naar buiten gegaan. Dicht de deur. En dan begint een wonderlijk avontuur.
Zonder ook maar in het minst het waarom vast te kunnen stellen is Pietje’s fiets plotseling in het middelpunt van zijn belangstelling komen staan. ’n Hartstochtelijke drift, waarover hij zichzelf verbaast en waarvoor hij geen verklaring vinden kan, doet hem zijn fiets grijpen en met stijgende verbazing bemerkt hij hoe zijn rechterbeen gewoonweg de wetten van de zwaartekracht tart en met een wijde boog over het zadel zwaait. Wat zal er nu gaan gebeuren. Weer die trillingen in de benen en floep … Pietje wordt gewoonweg weggefietst. Wonderlijk! Mooi, precies rechts van de weg wordt Pietje gefietst, en bij de draai van de weg nauwkeurig langs de uitgestippelde witte lijn. Och, wat moet het toch iets groots zijn waardoor Pietje gefietst wordt, een macht, die van een witgehandschoende hand van een verkeersagent een muur maakt, meters dik, een berg, zo ontzagwekkend steil en sterk, dat Pietje zijn ontroering nauwelijks bedwingen kan als hij staan blijft waar hij gestaan wordt op het teken van de witte hand. Maar met een schok wordt Pietje uit zijn mijmering gewekt, wanneer hij zich door het simpel wuiven van de witte hand voelt verder gereden worden. Tot ’n nieuwe gebeurtenis hem tot in zijn diepste wezen ontroert.
Opeens voelt Pietje hoe zijn been krachtig naar achter gedrukt wordt en met verwondering stelt hij vast dat deze beweging tot gevolg heeft dat de fiets wordt stilgestaan. Hij moet van de fiets. Hij kan niet anders, en een hunkerend verlangen vervult hem de winkeldeur te openen voor welke hij zich tot zijn verbazing bevindt. Zijn verbazing voor dit gebeuren wordt echter tot ’n ontzagwekkende bewondering, als ’n aardig, maar dom uitziend meisje hem vraagt waarmee ze Pietje helpen kan. Hoe bestaat het. Hoe is het mogelijk dat dit kind weet dat hij iets zoekt, en Pietje’s stem klinkt ontroerd wanneer hij stamelt: “Boter”. Dan ziet hij de arm van het meisje bewogen worden. Recht en snel en zonder enige aarzelingmoet zij ’n pakje boter in zijn gevoelige handen leggen.
Pietje’s zenuwen zijn tot het uiterste gespannen en als ’n bevrijding ervaart hij dan ook het teruggefietst worden naar het punt van uitgang.
En wanneer hij weer op de deurmat staat, en nadat zijn voeten enige tijd de beweging hebben gemaakt die gewone mensen voeten vegen noemen, is er weer dat onstuimige verlangen om de trap op te gaan (komt het van binnen- of van buitenuit, ik weet het niet) en weer die onverklaarbare trillingen in de benen om juist die bewegingen te maken die nodig blijken te zijn om de trap te beklimmen.
Met het pakje boter in de hand, terwijl zijn benen steeds maar bewogen worden en hij zich zo gelukkig voelt in zijn overgave aan dat wat hem doet doen, vraagt Pietje zich af wat er nu weer te gebeuren staat. Want hij is al lang boven aan de trap, maar nog steeds worden zijn benen gedwongen om trappen-klimmende bewegingen te maken. Pietje begrijpt dat er iets wonderlijks gebeurt. Is het overdaad van gedaan worden dat hem daar zo trappelen doet of is de macht waardoor hij gedaan wordt hem even, en juist op dit ogenblik, vergeten? Hij weet het niet. Hoe lang staat hij daar nu al te trappelen? Is het vijf minuten? Is het ’n uur of veertien dagen? Maar wat doet het er ook eigenlijk toe. Pietje weet dat hij gedaan wordt en niet anders kan dan gedaan worden. En onverstoorbaar staat hij daar, daar boven aan de trap getrappeld te worden en wacht met belangstelling op de dingen die hij verder gedaan zal worden. En jawel! Hoe het mogelijk is begrijpt hij niet, maar terwijl zijn oor het rinkelen van de bel opvangt schiet zijn hand naar het koord aan de trapleuning en direct weer terug, en … o, welk ’n geluksgevoel doortrilt Pietje wanneer hij bemerkt dat deze gedwongenhandgreep de deur geopend heeft voor zijn beste vriend, voor Jantje, die nu daar beneden aan de trap dezelfde trillingen in de benen voelt als Pietje, waardoor ook hij naar boven wordt gelopen.
Terwijl Pietje echter daar boven aan de trap nog steeds staat te trappelen, gewoonweg omdat hij gedaan wordt wat hij doet, gaat Jantje als hij boven is gekomen stilgestaan worden. Heel even heeft Jantje moeite zijn lachen te bedwingen als hij met belangstelling naar Pietje kijkt, maar dan begrijpt hij dat er hier niets te lachen valt, dat zijn vriend gewoonweg gedaan wordt wat hij doet. En beide vrienden wachten met eerbiedige afwachting op de dingen die zij verder gedaan zullen worden.
Het geduld der vrienden wordt weldra beloond. En even zo groot als de overgave van beide vrienden is aan de macht die hen doet doen, even verrassend is de wending der gebeurtenissen waardoor dit schone avontuur gaat eindigen.
Heel lichtjes eerst, dan sterker en sterker begint Jantje’s rechterbeen te kriebelen, dan wordt het een heel klein beetje boven de vloer gebracht en begint het langzaam op en neer te wiebelen. Steeds sneller en wijder worden de bewegingen van Jantje’s rechterbeen en hij voelt dat het nu komen gaat. En dan opeens … als een pijl uit de boog van ’n geoefend Batavier, vliegt de punt van Jantje’s schoen met kracht tegen Pietje’s achterwerk. ’n Schok. ’n Kreun. Beide vrienden worden stilgestaan. Ze worden naar binnengegaan in de kamer en onontkoombaar zeker in hun stoelen gedreven. Begrijpend, in-gelukkig en diep ontroerd blikken de vrienden in elkaars ogen.
Pietje vertelt nu zijn vriend zijn schoon avontuur. En zelden nog voelden zij zo sterk hun uitverkiezing, uitgepikt te zijn uit de grote massa die dit geluk van gedaan te worden ten ene male niet ervaren kan, de uitverkiezing, als enkeling uit al de mensen genomen te zijn, uit al die mensen aan wie de diepe ontroering van zo’n avontuur voorbijgaat, en die in diepe donkerheid en grenzeloze hoogmoed van zulk een gebeurtenis niets anders te vertellen weten dan: “Ik ben in het dorp even ’n pakske botter wisten halen”.