HOUDOE WOR EN VEUL BEDAANKT
Afscheidswoorden door Cock Gorisse bij de begrafenis van Jan Gorisse op 6 februari 1999
Vorige week rond deze tijd was ons vader nog muziek aan het draaien voor zijn medebewoners op de activiteitenbegeleiding. Vandaag, zeven dagen later, zijn wij bij elkaar om definitief afscheid van hem te nemen. Ons vader was ne mooie mens. Zijn bestaan kende hoogte- en dieptepunten, en saai was het nooit. Nu zijn leven is voltooid, wil ik hem graag, met u, gedenken. Hij werd hier in Oosterhout geboren en groeide op in de Sint Vincentiusstraat. Hij speelde veel op Sint Catharinadal, waar zijn grootvader tuinman was en hij misdienaar. Hij moet, met zijn broer en zussen, een onbezorgde jeugd gehad hebben in een veilig en warm nest, dat hebben wij uit zijn talloze verhalen daarover wel begrepen. Hij werd nooit moe om daarover te vertellen.
Waar hij ons niet over vertelde was over de periode die volgde: toen hij als 12-jarig jongetje naar het seminarie van de Norbertijnen ging, in Hasselt - of was het Leuven? - in België. Het enige wat wij daarover aan de weet kwamen, was, dat je er vanaf het moment dat je binnen was, verplicht was Frans te spreken. Ik heb wel eens geprobeerd om me voor te stellen hoe dat voor hem geweest moet zijn: 12 jaar oud, vanuit het kleine, landelijke, warme, rustige en veilige Oosterhout van toen, naar een drukke, strak-gereglementeerde kostschool waar je alleen Frans mocht praten. Het moet op zijn minst een brutale overgang geweest zijn. Hij maakte er desondanks iets van, want er stonden thuis op de achterste plank vrome boeken in de kast, die hij gekregen had als 1e prijs voor latijn, en voor biologie. Hij is er ook minstens zes jaar gebleven, en waarschijnlijk stamt zijn gevoel voor traditie in liturgie en kerk uit die dagen.
Toch is hij nooit Norbertijn geworden, want op enig moment kwam ons moeder in zijn leven, zijn Betsy, de vrouw van zijn dromen die de vrouw van zijn leven zou worden. Hij heeft haar op handen gedragen, en niets was hem te dol om haar een plezier te doen. Hij verzon voortdurend iets anders, en dat daar soms wel eens onpraktische dingen bij waren, of dingen waar ze zelf niet zo op gesteld was, dat waren maar kleinigheden in het licht van die grote, nimmer aflatende passie. Ze kregen samen acht kinderen, acht bronnen van zorg en geluk, een groot en gezellig gezin, waar veel kon en mocht. Wij waren zijn oogappels, en ieder van ons heeft zo zijn eigen speciale herinnering aan hem.
Hoe hij prachtig verhalen kon vertellen, van Tijl Uylenspiegel en Reinaart de Vos. Hoe hij af en toe, sufverteld, die vos liet doodgaan, maar hoe wij dan net zo lang zeurden tot ie de dag daarna weer op wonderbaarlijke wijze tot leven kwam. Hoe hij met eindeloos geduld steeds weer hetzelfde boek kon voorlezen, van Bibo en Bibeen, een konijnenvader met zijn zoon, die samen een hol groeven dwars door de wereld heen, zodat ze in Australië uitkwamen, heel spannend. Hoe hij met ons salamanders ging vangen, en dikkopjes. Hoe we met hem kuierden op Zondag, in de polder, langs het kanaal, of op Seters. Hoe we pas veel later begrepen dat ie daarmee ons moeder een vrije middag bezorgde, nadat ie 's morgens de bedden al had opgemaakt, en gestofzuigerd, want een moeder had ook een rustdag verdiend, vond hij.
Hoe hij ons eigenlijk nooit iets kon weigeren, en hoe wij daar als kinderen feilloos gebruik van wisten te maken. Hoe gul ie was, hoe gastvrij: er was in ons ouderlijk huis altijd plaats voor nóg een vriendje, nóg een vriendin, nóg een neefje of nichtje, een hondje, een katje, een terrarium met leguanen, een bak vol vissen, een valkparkiet die de Marseillaise kon fluiten, en ga zo maar door. Hoe hij van muziek hield, en hoe ie, bij een goed opera- of operetteprogramma, de radio veel harder zette dan wij dat ooit zouden durven. En hoe hij dan - want soms is er gerechtigheid - van ons moeder net zo goed op zijn donder kreeg als wij: "Jan toch, voorschandaal, zet da ding toch is wat zachter' ... Hoe ie, wat er ook gebeurde, iedere maandag naar de repetitie van het koor ging; en hoe wij soms, op zondag, mee naar boven mochten - de heren zaten toen nog daarachter boven - als het koor zong, en hoe wij ons daar verbaasden omdat de koorknapen onder de preek soms zo gezellig met elkaar konden babbelen, of zelfs een schuine bak vertelden ...
Hoe angstig en overbezorgd ie kon zijn: hij zag de ellende al van ver aankomen, en hij kon vreselijk tobben over dingen die nooit zouden gebeuren. Toch liet ie ons, toen we wat groter werden, veel vrijheid. Hij stond doodsangsten uit terwijl wij vrolijk op de fiets of de motor door Europa zwierden en vergaten om een kaart naar huis te sturen. Hij ging niet naar bed voor we zondagsavonds laat allemaal weer heelhuids binnen waren. En al werd het dan vijf uur: hij zat naast de koudgeworden koffie te wachten, en had nog alle tijd om die voor je op te warmen, voor een praatje of om een eitje voor je te bakken. 's Morgens stond ie dan weliswaar zuchtend en kreunend als eerste op, maar er was geen haar op zijn hoofd dat er aan zou denken om ons op te dragen vroeger thuis te komen. En een sleutel geven hielp ook niet: hij moest zelf zien dat we onbeschadigd weer thuis waren. Hij heeft ons in zijn angstige fantasieën heel wat keren verongelukt, dakloos, brodeloos, dood of levenslang invalide gezien.
In onze puberteit en onze jonge jaren heeft ie het vast moeilijk met ons gehad: want we waren minstens net zo eigenwijs als hij, en we hadden natuurlijk ook een eigen mening, die vanzelfsprekend heel anders was dan die van alle anderen, die van ons pa incluis. En we staken die ook niet onder stoelen of banken. Wanneer we ons dan, heftig discussierend over alles wat er verbeterd en veranderd moest worden in de wereld, voor de kachel verdrongen, dan zuchtte ie "hou toch eens op met dat geëntel", want hij vond discussiëren vreselijk, dat leek teveel op ruzie. Hij was geen man van de confrontatie, integendeel, hij was een zachtmoedig mens, hij streek het liefst alle plooien glad, hij hield van harmonie, van vrede, van verzoening. Daarin was hij heel kwetsbaar.
Een harde, zakelijke opstelling was hem vreemd, en dat was ook de reden dat hij met zijn aannemingsbedrijf moest stoppen. Onderhandelen op het scherp van de snede was niks voor hem. Hij had het er in het begin moeilijk mee, maar hij vond een nieuwe stek op huishoudschool Heuveldonk van juffrouw Hoens in Breda. Al snel was ie er op zijn gemak. Hij kon er zich ontplooien: met leerlingen palaveren, relativeren, bruggen bouwen en verzoenen, kleine reparaties verrichten en zorgen dat alles gladjes verliep. Leerlingen en leerkrachten mochten hem graag. Hij ging er met plezier heen. Het is fijn dat er ook vandaag nog oud-collega's hier in de kerk zijn.
Ondertussen was en bleef hij trots op ons. Zijn grote kinderen, die rijbewijzen haalden en zijn auto zo vaak leenden dat hij er zelf nog maar nauwelijks aan te pas kwam. Zijn grote kinderen, die zelfstandig werden, een beroep kozen, waar hij mee naar Luxemburg en naar Frankrijk op vakantie kon. Zijn grote kinderen, en hun vrienden en vriendinnen, waarmee hij nu een glaasje wijn kon drinken, of een flesje bier. Zijn grote kinderen, die een voor een begonnen uit te vliegen, die partners kregen, die trouwden en hem een nieuwe, grote vreugde in zijn leven gaven: kleinkinderen. Hij genoot, samen met ons moeder, met volle teugen van zijn nieuwe rol, en hij maakte al plannen voor later, over een paar jaar, als hij met de VUT zou gaan, als hij met zijn Betsy de meest fantastische avonturen zou gaan beleven...
Maar voor het zover was, nam zijn leven een wending waarmee wij wél, maar hij niet gerekend had: ons moeder, die al langer sukkelde, stierf van het ene moment op het andere. Hij werd geconfronteerd met dat vreselijke, dat onvoorstelbare, wat hij zich nooit had kunnen en durven voorstellen: een leven zonder zijn Betsy. Hij was een hele, lange, sombere periode onthand, ontworteld, verweesd. De zin van zijn bestaan ontging hem. Hij wist met zijn verdriet geen raad. Hij was al geen prater wanneer het zijn eigen emoties betrof, maar nu werd hij stil, in zichzelf gekeerd, en wij konden hem niet erg helpen. Gelukkig waren er toen ook zijn kleinkinderen, die hem met hun onschuldige gebabbel konden opfleuren. Hij kon met ze tekenen, liedjes zingen, krootjes uitdoen in zijn grote moestuin, wandelen met de hond, of andere kleine, ongecompliceerde dingen doen. Gelukkig waren er toen zijn koormakkers, die andere constante factor in zijn leven; hij kon gelukkig blijven repeteren, en zich op het Ceciliafeest of het jaarlijke uitstapje lekker kwajongensachtig uitleven.
En net toen hij weer wat op dreef kwam, overkwam hem een volgende ramp: een herseninfarct wat hem afhankelijk en hulpbehoevend maakte en in de Volkaart deed belanden. Voor het eerst in zijn leven was ie opstandig, onredelijk, kwaad. Zelfs op ons. Wij, zijn oogappels, die hem, zoals ie dat voelde, in een gesticht gestopt hadden. Hij wou naar huis, hij wou niet afhankelijk zijn, hij wou niet dat iemand anders hem moest wassen en scheren, hij wou niet dat iemand anders zijn vlees moest snijden, of zijn broek moest optrekken. Hij was diepongelukkig.
Pas na een jaar of twee, drie, kon hij zijn situatie een beetje accepteren. Hij begon langzaam weer te genieten van de dingen die nog wel konden. Hij ging mee varen met de Zonnebloem. Hij werd lid van de Bewonerscommissie. Hij draaide bijna dagelijks enkele uren verzoekplaatjes voor zijn medebewoners, boven op de activiteitenbegeleiding. Hij werd Prins Carnaval van de Wittebollen, de eigen Carnavalsvereniging van de Volkaart. Daar had ie weer plezier in, dat betekende iets voor hem. Op zijn zondagse zwarte pak droeg hij sinds twee jaar de kakelbonte medaille van de hoogste Dongense carnavalsonderscheiding: de broederschap van de Dongense Pee. En die deelde zijn revers met de - ook kleurrijke - pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia, vanwege zijn 35-jarig lidmaatschap van de parochiele Charitas, en de medaille van Sint Gregorius, verdiend met 60 jaar koorzangerschap.
Op deze plaats wil ik uitdrukkelijk de verzorgers, verzorgsters en vrijwilligers van de Volkaart bedanken voor alles wat ze voor ons vader in de afgelopen dertien jaar hebben betekend. Door hun geduld en hun toewijding kon de Volkaart zijn thuis worden, waar hij zich veilig, goed verzorgd en toch gerespecteerd wist. Zielsblij was ie, toen hij vorige week vanuit het ziekenhuis terug kon naar zijn eigen plekje. En wij, zijn kinderen en kleinkinderen, zijn zielsblij geweest met alle aandacht en liefdevolle verzorging die hij in deze dertien jaar, maar vooral ook in deze laatste week, van verzorgers, verzorgsters en medebewoners heeft gekregen. Wij hadden dat zelf niet kunnen verbeteren.
Evenzo wil ik de leden van het koor bedanken, voor de vriendschap en hartelijkheid die hij van jullie heeft gekregen, en dan vooral met name de laatste dertien jaar, toen zijn mogelijkheden steeds beperkter werden, toen hij allang niet meer echt kon zingen, toen hij niet altijd inspirerend gezelschap meer was, maar toen jullie zijn plekje toch openhielden. Het heeft vreselijk veel voor hem betekend. En natuurlijk wil ik jullie, namens ons allemaal, ook bedanken voor het feit dat jullie deze mis voor hem willen zingen, zodat wij, in zijn eigen stijl, in deze kerk, waardig afscheid van hem kunnen nemen. Hij zou dat zelf zeer gewaardeerd hebben.
En zo ligt hij nu hier voor het laatst in ons midden, onze levensgenieter, onze bourgondier die zo graag en tevreden zijn sigaartje rookte en zondags een borreltje met ons dronk, de kinderen een ijsje, limonade en een bitterballetje; onze muzikant, die maandag nog tegen de pastoor zei dat hij volgende week weer naar de repetitie kwam; ons pa en opa, die zo trots op ons was, vooral ook op zijn twee achterkleinkindjes, van wie het allerkleinste, amper twee maanden oud, ook hier is. ons pa, die ook zo angstig kon tobben omdat hij in zijn bezorgdheid altijd beren op de weg zag, waartegen hij zich machteloos wist; ons pa, die een heel ongecompliceerd, vanzelfsprekend en vastomlijnd geloof had, voor wie Onze Lieve Heer een rots in de branding was, aan wie je nooit hoefde te twijfelen. Wij, zijn kinderen zijn veel wankelmoediger in dat geloof.
Maar als God bestaat pa, en als er daarboven iets is wat wij hier beneden gemakshalve hemel noemen, dan weet ik zeker dat jij daar nu gearriveerd bent, en dat je daar, met ons moeder, nou naar ons zit te kijken en dat je weer van alles uit de hoek zult zoeken om te zorgen dat het ons hier goed zal gaan. We zullen je missen. Maar tot slot, om het met je eigen woorden van deze week te zeggen: Houdoe wor,en veul bedaankt.