WikiZoeken:

Main.SideBar (edit)

Recent Changes Printversie Pagina Aanpassingen Wijzig Pagina
“IK HEB SCHIJT VOORAL AAN JULLIE SMERISSEN”

over een zoutfraude en een geldboete

door Jan van den Bosch

1. Inleiding

Genealogisch onderzoek bestaat - als je niet oppast - uit niet meer dan het opzoeken, verzamelen en registreren van geboorte-, huwelijks- en overlijdensdata. Er zijn natuurlijk nog veel meer andere bronnen dan de burgerlijke stand. Zo vermeldt de arrondissementsrechtbank Breda in haar overzicht van strafvonnissen over de periode 1850-1930 tweemaal de naam Learbuch. Dat wekte natuurlijk mijn interesse. Tegenwoordig hoef je bovendien niet meer overal naar toe om de archiefstukken in te zien, maar kun je via internet een kopie bestellen, die - na betaling - keurig thuis door de post wordt besteld. Dat deed ik met een vonnis uit 1889 ten name van Sebastiaan Learbuch en een vonnis uit 1899 ten name van Wilhelmus Learbuch. Sebastiaan en Willem Learbuch waren broers, zonen van Antonie Willem Learbuch en Anna Brouwers. Het gezin telde elf kinderen, vijf jongens en zes meisjes. Willem, geboren op 29 februari 1840, was de oudste, Sebastiaan, geboren op 18 juli 1850 nummer acht. Nummer drie was Jan, de vader van oma Van den Bosch. Ik was wel benieuwd naar het soort overtreding of misdrijf dat mijn familieleden destijds hebben begaan. Ik ging er op voorhand van uit dat het wel niet om moord en doodslag zou gaan, want daar zou nog generaties lang over zijn gepraat en daarover zouden we op verjaardagen en begrafenissen vast hebben gehoord.

2. Sebastiaan Learbuch

Het vonnis dat op 7 maart 1889 ter openbare terechtzitting voor strafzaken van de Bredase arrondissementsrechtbank wordt uitgesproken staat op naam van Sebastiaan Learbuch. Bij het uitspreken van het vonnis was Sebastiaan 37 jaar oud en van beroep bakkersknecht. Op de zitting wordt voor de drie rechters Verschoor (fungerend President), Sassen en Nelissen het proces verbaal voorgelezen, dat door een ambtenaar bij ’s Rijks belastingen op 8 oktober 1888 is opgemaakt. Sebastiaan wordt als beklaagde gehoord “in zijne gegevene antwoorden ter audiëntie dezer Rechtbank en in zijne verdediging”. Sebastiaan is gedagvaard omdat hij op 4 oktober 1889 vijfentwintig kilo geraffineerd zout heeft vervoerd “niet gedekt door eenig document”. Hij is daarvoor bekeurd “ten Raadhuize van Breda”. De rechters vinden dat “mitsdien naar eisch van rechten het aan beklaagde te laste gelegd feit is bewezen” en “dat dit feit moet worden gequalificeerd: frauduleus vervoer van zout op het terrein van toezicht 2e linie boven de hoeveelheid van 5 kilogram niet gedekt door document”, zodat zij beklaagde schuldig verklaren aan het hem te laste gelegd feit. Met verwijzing naar de toepasselijk wetsartikelen veroordelen de rechters de schuldig verklaarde Sebastiaan Learbuch in een geldboete van f. 22,50, zijnde de tiendubbele accijns van de aangehaalde partij zout, “met de bepaling, dat, zoo de veroordeelde onvermogend mocht zijn tot betaling dier boete, hij zal worden gecorrigeerd met eene hechtenis voor den tijd van eene maand”. Tenslotte werden de aangehaalde goederen verbeurd verklaard.

De toepasselijke wettelijke bepalingen in dit vonnis betroffen de artikelen 162, 219 en 225 van de Algemene Wet van 26 augustus 1822 (Stbl. 38), artikel 44 van de Wet van 26 april 1852 (Stbl. 93), artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 141, 201 en 214 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 7 van de Wet van 15 april 1886 (Stbl. 64). De Algemene Wet van 1822 heette voluit de Algemene Wet over de heffing van Regten van In-, Uit- en Doorvoer van Accijnzen, alsmede van het Tonnegeld der zeeschepen) en was de Douanewet, die tot 1962 heeft gegolden. Die Algemene Wet verving de eerste Douanewet van 1816, die op zijn beurt een einde had gemaakt aan het systeem van Convooien en Licenten In de Wet van 26 april 1852 werd geregeld, dat “Algemeene maatregelen van inwendig bestuur” voortaan moesten worden afgekondigd door plaatsing in het Staatsblad. Artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht regelt de geldboete. Het bedrag van de geldboete is tegenwoordig ten minste twee euro. Er zijn zes categorieën geldboeten, de eerste is € 225, de zesde € 450.000. Waarschijnlijk was de geldboete die destijds aan Sebastiaan Learbuch is opgelegd van de eerste categorie. Artikel 141 uit het Wetboek van Strafvordering gaat over ambtenaren met buitengewone opsporingsbevoegdheid (zoals in dit geval de douaneambtenaar die het proces verbaal heeft opgemaakt), artikel 201 is intussen vervallen en artikel 214 gaat over de mogelijkheid van inverzekeringstelling indien dat in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is. Mogelijk is Sebastiaan gearresteerd en voor een nacht of langer meegenomen naar het politiebureau in Breda. Ik vind daarvoor in het vonnis echter geen aanwijzingen. Eventuele inverzekeringstelling had tot aftrek moeten leiden, lijkt me. De Wet van 1886 regelde de inwerkingtreding van het toen nieuwe Wetboek van Strafrecht. Daarbij werd de Code Pénal afgeschaft, het Franse Wetboek van Strafrecht van vanaf de Napoleontische tijd hier had gegolden.

Bij het naslaan van al deze wetten kom ik er alsmaar niet achter waar nu precies was geregeld dat je toendertijd belasting op zout moest betalen en dat op overtreding straf stond. Het betalen van belastingen bestaat al eeuwen, leert mij Wikipedia, de Vrije Encyclopedie via internet. Wie wil weten hoe het er vroeger aan toe ging, kan terecht in het Belasting- en Douanemuseum in Rotterdam. In de achttiende eeuw ging het voornamelijk om belastingen op noodzakelijke levensmiddelen als brandhout, zeep, zout, graan, vlees, wijn, turf, kolen en wol. Omdat niemand zonder deze producten kon leven, was de overheid verzekerd van inkomsten. De overheid gebruikte dat geld voor de bescherming van land en inwoners, de handhaving van de openbare orde en de regulering van verkeer, waterstaat en handel. Iedereen betaalde toen hetzelfde tarief ongeacht het inkomen. In 1806 werd een stelsel van algemene belastingen ingevoerd. De betekenis van het stelsel zat vooral in het bereiken van eenheid van de Nederlandse belastingheffing. Is het belasten van zout bij de inslag doelmatig met het oog op de belangen van de schatkist en de nijverheid? Die vraag kwam op tijdens de schriftelijke voorbereiding van een wetsvoorstel over de zoutaccijns. In november 1852 werd daarop, na een voorstel van vijf leden, besloten hiervoor een parlementaire enquête in te stellen. Doordat in april 1853 de Tweede Kamer werd ontbonden kon het onderzoek niet worden voltooid. De commissie stond onder leiding van Floris van Hall. Bij het zoeken op internet kan je licht verdwalen. Bij het zoeken naar de wet van 15 april 1886 stond ik bijvoorbeeld nog een tijd stil bij het Palingoproer en de opening van de eerste elektriciteitscentrale aan de Kinderdijk (295 aansluitingen in Nieuw-Lekkerland en Alblasserdam) in 1886.

Het is mij niet bekend of Sebastiaan Learbuch in beroep is gegaan of zich bij dit vonnis heeft neergelegd. Evenmin weet ik of hij de geldboete heeft voldaan of een maand achter de tralies heeft gezeten in de Bredase Koepel. Ik kan me voorstellen dat het niet de eerste en enige keer was dat Sebastiaan als bakkersknecht illegaal zout vervoerde. Ook is het logisch dat hij dat deed met medeweten of in opdracht van zijn baas. Die zal voor hem vermoedelijk ook de geldboete wel hebben voldaan. Ik hoop het voor hem.

3. Willem Learbuch

Het vonnis dat op 19 oktober 1899 ter openbare terechtzitting voor strafzaken van de Bredase arrondissementsrechtbank wordt uitgesproken staat op naam van Wilhelmus Learbuch en gaat over belediging van een ambtenaar “terzake van de rechtmatige uitoefening van zijne bediening”. Bij het uitspreken van het vonnis was Willem 59 jaar oud, hij woonde in Oosterhout en was van beroep kleermaker. Op de zitting wordt voor de drie rechters Van Sasse van Ysselt (fungerend President), Nelissen en Cleveringa het proces verbaal voorgelezen, dat door Johannes van Rooij en Johannes Aerts, gemeente- en onbezoldigde rijksveldwachters te Oosterhout op 24 augustus 1899 “op den ambtseed” is opgemaakt. Willem wordt als beklaagde gehoord “in de door hem gegevene antwoorden ter audiëntie dezer Rechtbank en in zijne verdediging”.

De rechtbank overweegt in het vonnis dat de verbalisanten bij hun proces-verbaal, de eerste verbalisant bovendien als getuige ter terechtzitting, ieder voor zich op grond van eigen bevinding hebben verklaard “dat zij den beklaagde - gelijk aan dezen bij akte van dagvaarding is ten laste gelegd - op 24 augustus 1899 te Oosterhout in de herberg bewoond door Nicolaas van Riel alwaar zij veldwachters een bekeuring maakten terzake eene politie overtreding, opzettelijk en boosaardig hoorden toevoegen aan hen, verbalisanten, de woorden: “Ik heb schijt vooral aan jullie smerissen”. De rechtbank overweegt vervolgens dat die woorden beledigend zijn en “dat daarmede - dewijl het opzettelijke en boosaardige der toevoeging (… onleesbaar …) was uiterlijk waarneembaar - en de kracht dezer verklaringen niet wordt ontzenuwd door m. verklaringen der twee getuigen ten verzoeke van beklaagde gehoord, verklarend dat zij (… onleesbaar …) uitdrukking hier hoorden bezigen -“. De rechtbank acht vervolgens “het feit aan den beklaagde te laste gelegd, alsmede zijnen schuld daaraan naar eisch van recht bewezen”. Het strafbare feit wordt, gelet op de artikelen 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 214 van het Wetboek van Strafvordering gekwalificeerd als “eenvoudige belediging, aan ambtenaren aangedaan gedurende de rechtmatige uitoefening hunner bediening.

Willem wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete ten behoeve van de Staat van vijf gulden met de bepaling dat die geldboete, “zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden na den dag, waarop deze uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, zal worden vervangen door een hechtenis voor den tijd van drie dagen”. Ik weet de afloop van deze zaak niet. Ik veronderstel dat Willem in het café een borrel zat te drinken, toen de veldwachters het café binnenstapten en een overtreding constateerden, mogelijk een overtreding van het sluitingsuur. Ongetwijfeld heeft Willem zich daarmee bemoeid en de veldwachters voor uitslovers uitgemaakt. Deze hebben Willem daarop natuurlijk tot de orde geroepen, waarna Willem in boosheid de gewraakte uitspraak heeft gedaan. Zo kan het zijn gegaan. Bij de rechtbank heeft Willem zelf ook getuigen laten opdraven, meen ik te begrijpen uit het deels onleesbare vonnis, maar die hebben alleen maar bevestigd dat Willem heeft gezegd wat hij heeft gezegd. Misschien was Willem nog zo getergd dat hij dat ook ten overstaan van de rechtbank duidelijk heeft willen maken. Een beetje kerel als hij in deze zaak lijkt heeft hij ongetwijfeld zijn verlies genomen en zonder gedoe de boete betaald. Was Willem een opvliegend man? Of in ieder geval iemand die geen onrechtvaardigheid verdroeg? In ieder geval nam hij geen blad voor de mond. Zijn zoon Toon, de schilder, had dat ook.

Rijen, 30 maart 2004

P.s. In het maandblad "Onze Taal" van juni 2004, nr. 6, las ik dat de stijlfiguur die gebruikt wordt in "ergens schijt aan hebben" dysfemisme heet. Een dysfemisme is het tegenovergestelde van een eufemisme; er vindt geen verzachting van iets onaangenaams plaats, maar een vergroving.
Wijzig Pagina - Pagina Aanpassingen - Printversie - Recent Changes - WikiHulp - WikiZoeken
Pagina gewijzigd op 22 september 2004 om 10:39