KATHOLIEKE LEVENSKUNST EN KATHOLIEKE ACTIE
door Toon van den Bosch
Het uitzonderlijkste schepsel in de schepping, is ongetwijfeld de mens. Tussen al het geschapene en tussen al het levende in de schepping, staat de mens als een pronkstuk, als een troetelkind van den Schepper.
Plukken we een bloem van het veld in de hand, een kleine bloem, die we langzaam uit ‘n knop geboren weten, de reinheid van haar tinten en haar blad treft ons in het hart, omdat we hier de onbesmette reinheid aanschouwen, het huiverende onbesmette, recht uit de hand van den Schepper. En als dit reine wonderwerk haar werk gedaan heeft, als ze onbewust haar schoonheid aan den Schepper gaf, dan valt ze terug in het niet.
Al het geschapene is er om den Schepper te loven. En de Schepper heeft zijn schepping lief. Met een uiterste zorg omringt Hij tot het kleinste schepseltje, opdat het zijn taak vervullen kan. En toch, al het geschapene, buiten den mens, verheerlijkt haar Schepper slechts tijdelijk, zó kort, en dan nog slechts door het onbewuste van haar verheerlijking, eigenlijk niet anders, dan middelijk door den mens, dat het ons voorkomt als een verkwisting van Gods scheppingskracht en in overdaad gestrooid rondom het middelpunt van de schepping, de mens.
Al het geschapene op aarde, buiten de mens, valt door zijn vergankelijkheid en in vergelijking met de mens in het niet.
Zeker, wonderbaarlijk schoon en onbegrijpelijk machtig is de Schepper ook in de redeloze schepping, maar het allergrootste is de mensenziel.
De mensenziel, die de mens doet hunkeren naar verzadiging van inzicht, vooral ook naar verzadiging van liefde. De mensenziel, die altijd naar zedelijke volmaaktheid vraagt, die weet, dat ze een wet te onderhouden heeft die niet op deze wereld van kracht is, de mensenziel, waar in de mens zijn ontsterfelijke hunkering bezit naar het eeuwig geluk. En tenslotte, is het door de ziel, dat de mens eeuwig is en het eenige schepsel op aarde dat God bewust kan loven.
ledere zial heeft van nature de drang in zich naar het oneindige geluk, naar de eeuwige goedheid en de Schepper die het heelal vult en ook bij het redeloze schepsel alles vervult, wil ook deze hunkering der ziel, deze leegte, noodzakelijker wijs vullen. Onbegrijpelijk groot is deze uitverkiezing van den mens door God, hier is de mens een waar kind van zijn Schepper en het troetelkind van zijn schepping.
Wel viel de mens in Adam en verloor dit kindschap Gods en veel van de heerlijkheden waarin hij oorspronkelijk was gezet, maar zijn vrije wil, dat Goddelijk geschenk, dat ondoorgrondelijk geheim van Gods goedheid, dat blijvend bewijs, dat God zich door den mens vrij gediend wil zien, bleef hij behoudan. En als de Schepper met een grandioos gebaar van Zijn liefde, zelf, in Zijn Zoon, mens werdt om den gevallen mens van zijn zonde op te heffen en de mens in Christus terug tot zijn kind te maken, dan kende ook de vrije wil, die sinds de val als aan pijl op een boog gespannen stond, geen twijfel meer en kon in onbelemmerde vaart weer tot den Vader schieten.
Door Christus kan de mens weer tot den Vader gaan en dit niet in onzekere vlucht, want hij kwam niet slechts als verlosser, maar ook als herder en leeraar en hij stichtte Zijn kerk en zeide met haar te zijn tot het einde der tijde. Zo kan de mens door de kerk, die de weg en de waarheid, want Christus is, zijn levensdoel God te dienen en daardoor in den hemel te komen kennen en bereiken.
De ziel van den mens is gericht op geluk en wel zó duidelijk en zó dringend, dat het streven van den mens een jacht naar het geluk genoemd kan worden. Iedere daad die de mens stelt, verricht hij om gelukkiger te worden, om die eeuwige drang naar geluk in zich te verzadigen. De grootheid van de mensenziel kunnen we afmeten naar de onbegrensdheid van dit verlangen, want al het tijdelijke is niet in staat dit verlangen te bevredigen. Het toppunt van aards geluk, van liefde, roem, grootheid of macht, het is voor de mensenziel als niets, door de kortheid en de vergankelijkheid, een leegte in de oneindige ruimte van het verlangen en niet in staat de naar eeuwig geluk hunkerende mensenziel te bevredigen.
De wil van den mens om gelukkig te zijn, het streven van den wil naar het eeuwig geluk, en de mogelijkheid, het vermogen van de wil om dit doel te bereiken is als de tastbare ziel van den mens, de zekerheid van zijn ziel en datgene.waardoor de mens weet dat hij eeuwig is en geschapen omdat eeuwig geluk te bezitten.
Het is dan ook niet anders mogelijk, dan dat deze eeuwige drang naar geluk in de mensenziel, die vraag om oneindig geluk slechts bevrediging vinden kan in het enige wat uit zich zelf dit geluk bezit, in den Schepper zelf. En zo, is het richten van den wil op het doel van het leven, tergelijkertijd, ook het richten van den wil op het eeuwig geluk.
De mens die zich hiervan rekenschap geeft moet dan ook noodzakelijkerwijs tot het inzicht komen, dat hij door zijn wil op zijn eeuwig geluk te richten als van zelf zijn wil ook richt op het tijdelijk geluk. De wil van den mens immers stelt de mens ook in staat, dat eeuwig geluk te bereiken, zodat de naar het eeuwig geluk gerichte mensenwil, als het ware de zekerheid inhoudt, de zekerheid ís, dat zijn leven geslaagd is en aan geslaagd leven is een gelukkig leven.
Zeker, we weten dat alles, het zijn en het zijn met Christus in God van den Schepper afhangt, maar we weten ook dat, wie door God geroepen ook door God behouden wordt en overvloedige genade ontvangt om zijn levenswerk te vervullen en het doel te bereiken. Naarmate de mens zijn wil op het ene doel richt, zal hij aan dat levensdoel beantwoorden en in het bewerken van zijn levensdoel zijn levensgeluk vinden. De vrije wil, dat Goddelijk geschenk dat de mens als een uitverkiezing van den Schepper heeft ontvangen, de vrije wil, waardoor de mens op God gelijkt, moet ook het edele instrument zijn waarmee de mens zijn. schepper dient, door er de wil van God mee te volbrengen.
Alleen door de vrije wil is de mens in staat zijn Schepper bewust te loven en naar de mate waarin de mens met zijn vrije wil, vrij en spontaan de wil van God volbrengen zal, zal hij het geluk bezitten. Iedere afwijking van den mensenwil van het levensdoel moet dan ook onvermijdelijk het levensgeluk van den mens verminderen, want alles wat niet het levensdoel beoogt is zonder nut, iets negatiefs, dat niet andere dan een onbevredigende leegte in de mensenziel moet achter laten.
De verduistering van ons verstand, na de zondeval, waardoor we niet meer in staat zijn God te kennen, zoals Hij is, als het eenig waarachtig ware, als het enige wat de bevrediging van ons verlangen kan vervullen, is de oorzaak, dat de mensenwil zo gemakkelijk afdwaalt en datgene kan willen wat nutteloos is en soms lijnrecht indruist tegen zijn geluk.Maar ook hier heeft God de gevallen mens weer opgericht, wat de mens door zijn verduisterd verstand niet meer bevatten kan, kan hij nu in Christus weten door het geloof. Gedoopt in Christus is de mens weer ingeënt op het Goddelijk leven, en in de kerk kan hij door Christus de wil van den Schepper kennen en volbrengen.
Niet alleen leert de kerk de ware weg naar het eeuwige leven, maar Zij geeft de mens ook de middelen om dat leven te bereiken. De Kerk leert de mens het leven te beschouwen als een doorgangsplaats naar het eeuwige leven, waar hij door den wil van God te volbrengen, het eeuwig geluk waarnaar de mensenziel zo verlangt, kan verdienen en tegelijkertijd geeft Zij ook overvloedige middelen en de juiste ricntlijnen om deze levensbeschouwing in praktijk te brengen.
Hier is het duidelijk dat na de eerste genadestoot, die God gaf, verder alles van de mensenwil zelf afhangt. Al blijft de mens geheel afhankelijk van zijn Schepper, en wordt hij als een riet door den wind bewogen, al hebben wereld, begeerlijkheid en duivel het vermogen het den mens zeer moeilijk te maken, tegen den brandende wil om den Schepper te loven, tegen den wil om in uiterste deemoed en in de overtuiging uit zichzelf machteloos te staan al de genademiddelen der Kerk te gebruiken, staan alle machten machteloos.
De wereld wordt voor den mens als voor een kind dat in een bloeiende tuin geplaatst is. De schoonheid van de schepping ontroert hem uitermate en hij looft er den schepper in, hij plukt er de vruchten die hij dankbaar aanvaardt. Met verbijsterende verbazing aanschuowt hij al het geschapene dat Hij in overvloed voor den mens geschapen heeft en hij ziet er den afglans in van de oneindige schoonheid maar hij hecht er niet aan, hunkerend verlangt zijn ziel de schoonneid zelf te aanschouwen.
De druk van de dag en het lijden aanvaardt hij als een loutering tot inniger liefde tot den Schepper en hij weet dat het kort is en weinig in vergelijking met de oneindige eeuwigheid van geluk, hij kent er de betekenis van en de waarde. De strijd tegen zijn vijanden binnen en buiten hen die hevig vermoeiend kan zijn tot de uitputting toe, geeft hij nooit op, wetende de middelen te vinden die hem sterken kunnen om zerer van de overwinning te zijn. Dankbaar is hij voor de levensstaat die den Schepper voor hem beschikt en de maatschappelijke omstandigheden waarin hij hem zet en puurt er de schoonheid, de goedheid uit en wetende dat hem rekenschap gevraagd zal worden van datgene wat hij in deze levensstaat en in deze levensomstandigheden verricht zal hebben, vervult hij nauwgezet zijn plichten. Hij kent de zwakheid van den mens, het lonken van de wereld, de begeerlijkheid van het vlees kan knagen tot op het gebeente en hij weet dat geen list de duivel vreemd is om hem van zijn Schepper los te scheuren en hij waakt en hij bidt.
Deze levesbeschouwing regelt ook zijn verhouding tot zijn evenmens, in iedere mens ziet hij de ziel, als het geschapen evenbeeld van den Schepper en hij heeft er eerbied voor. Hij haat het kwaad, maar bemint zijn vijanden. Alle mensen weel hij door Christus verlost en voor het eeuwig geluk geschapen, maar de in Christus gedoopten herkent hij als ledematen van het enen lichaam Christus. De liefde is het die hen bindt en samen doet lijden, maar die ook gezamenlijk de vreugde deelt over de glorie van het hoofd Christus in ieder lidmaat afzonderlijk.De eer van de schepper is zijn grootste bekommernis. Dagelijks verenigt hij zich dan ook met Christus in de Eucharistie, om door Christus en in Christus ook zijn offer van hulde en verzoening, dank en smeking aan den Schepper op te dragen en voedt er zich met het onderpand van het eeuwige leven.
Het leven op deze wereld is voor hem de poort tot het eeuwig geluk en daarom goed en schoon en beminnenswaardig, maar niet om zich zelf, alle waarden worden met de eeuwigheidswaardemeter gemeten, alles blijft middel, geen doel en hierdoor beheerst hij ook het leven. Het goede ontvangt hij dankbaar uit Gods hand en geniet het vol vreugde, maar onbekommerd om het te verliezen, want ook al wordt het goede hem ontnomem en komt de levenslast, het leed hem op de schouders drukken, zijn natuur verzet er zich tegen en verafschuwt het lijden, maar zijn wil dwingt hem dit tijdelijk lijden te aanvaarden om de grote waarde voor de eeuwigheid die hij door Christus lijden aan zijn lijden heeft leren toekennen.
De Katholiek ziet de wereld als een ballingsoord en het leven als een ballingsschap waarin hij kan verlangen naar en werken voor zijn eeuwige bevrijding. Hij beheerst hierdoor het leven, want het leven kan hem nooit teleurstellen, hij verwacht van het leven niets anders, dan dat het hem het eeuwig geluk zal bezorgen. Al het goede en schone in het leven, beschouwt hij als een milde gave van den Schepper, als een toegift, om zijn levensstrijd te verlichten. Zo kan hij van al het goede wat het leven geven kan naar hartelust genieten want hij doet het vrij en onbelemmerd en raakt er niet aan verslaafd. Ook voor hem geld de levenswet dat hij in het zweet zijns aanschijns zijn brood moet eten en hij werkt of alles van hem alleen afhangt, maar bekommert zich niet om het resultaat, want hij weet, in alles zal voorzien worden.
Zo staat hij vrij en onbekommerd midden in de wereld, en de wereld- dat zijn de mensen die leven of er geen God bestaat - kan hem met zijn klatergoud niet verblinden, noch door zijn macht vrees inboezemen, want al kan zij hem tenslotte het leven ontnemen, de onbekommerde vrije ziel is zeker van haar eeuwig geluk en kerker noch dood kan hem de zekerheid ontnemen dat zijn leven geslaagd is.
ledere levensbeschouwing schept een bepaalde sfeer rondom den mens die hij overal en altijd bij zich draagt en die als het ware van zijn persoon afstraalt, iedere daad wordt door die sfeer omgeven en heel de omgeving wordt er door beinvloed. Die sfeer is als het ware de tastbare geest van de levensopvatting waarin de mens denkt, wil en doet, de verpersoonlijking van de levnsbeschouwing. Daar nu de katholieke levensbeschouwing haar oorsprong vindt in Christus en de mens deze levensbeschouwing ontvangt van Christus en slechts in Christus en door Hem in praktijk kan brengen, zal de katholieke levensbeschouwing ook de Christelijke sfeer, die geest van Christus rondom zich verspreiden en er zijn omgeving door beïnvloeden.
De christelijke geest die er van de katholiek uitstraalt is «en natuurlijk gevolg van zijn levensbeschouwing en dat gene waardoor zijn levensbeschouwing naar buiten openbaar wordt. Door zijn levensbeschouwing is hij innerlijk verenigd met Christus, ja, is hij een andere Christus, maar de christelijke geest doet hem niet alleen ook naar binnen op Christus lijken maar ook naar buiten, voor de wereld Christen zijn. De katholiek is een andere Christus en als zodanig gedraagt hij zich in de wereld, al zijn daden toetst hij aan zijn voorbeeld Christus en zo is die Christelijke geest voor hem geen vage aanduiding maar een tastbare werkelijkheid in Christus.
In heel het leven van de katholiek is dan ook deze Christelijke geest te onderkennen en drukt haar stempel op al zijn verhoudingen in het leven, op vriendschap, liefde, op gezin en opvoeding, ontspanning en zakenleven, kortom iedere daad die hij stelt en ieders beslissing die hij neemt, stelt hij of neemt hij als katholiek, dus in de christelijke geest zoals Christus die daad zou stellen, alsof Christus ze stelt door hem.
Wanneer de mens aldus het leven wil beheersen door zijn natuurlijk leven op een bovenatuurlijk plan te plaatsen, dan is het duidelijk dat hij met zijn natuurlijke vermogens hiertoe niet in staat is, hij kan hierin alleen slagen wanneer hij op bovenatuurlijke wijze hiertoe geholpen wordt. Die hulp staat hem ten dienste, die hulp is overvloedig aanwezig, als hij de hulpmiddelen der Kerk wil gebruiken dan kan hij overtuigd zijn het leven onder de knie te krijgen. Hoewel hij uit zichzelf niets dan zwakte is, kan hij door zijn wil deelachtig worden aan al de genademiddellen der Kerk, die zijn natuurlijk zwakke onvermogen zullen maken tot een bovennatuurlijke kracht om zijn leven op het eeuwige te richten. Wanneer wij dan ook katholieken aantreffen die de wereld en het leven niet in hun macht hebben zoals het zou moeten zijn om gelukkig te leven, dan ligt het niet aan de Kerk, die ieder daartoe de weg wijst en middelen hiervoor aanbiedt, maar alleen om dat zijn wil niet volledig op het doel is gericht speelt de wereld met hem, in plaats van hij met de wereld en iedere cijns die hij als vrije mens aan het lagere geeft, iedare dwang die de wereld, de stof, het mindere aan den eeuwige mens oplegt, voelt en ondervindt hij als aan slavendwang den mens onwaardig en voelt zich in zijn hoogste goed gekrenkt, in zijn vrijheid en zijn geluk vermindert er door. Als de mens zich aan de wereld hecht en hij verovert heel de aarde en de macht en rijkdom en roem en liefde van de schepselen, eens komt het moment dat alles hem in de steek laat, hij heeft zijn liefde aan een onwaardige gegeven en het is niet het verlies van die stof die hem ongelukkig maakt, maar het bewustzijn dat hij met zijn superioriteit over de stof, zich aan die stof geketend weet en het vernedert hem.en laat een leegte in zijn ziel achter.
In hoeverre de mens de wereld dient, verliest hij zijn geluk, hier is geen compromis mogelijk. Deze wetenschap verhindert hem dan ook middelmatig te zijn. Als de wil van de mens niet geheel op zijn eeuwig geluk, op God is gericht, dan begint zijn verstand met God en de wereld te onderhandelen. Dat verstand kan zo spitsvondig en zakelijk zijn, maar naarmate de onderhandelingen tussen God en de wereld geslaagd schijnen, verspeelt de mens zijn geluk.
Deze zakelijkheid, dit handelen tussen wereld en God, heeft vanaf de zondeval opgang gemaakt maar sinds de laatste eeuwen heeft ze als het ware burgerrecht verkregen en heeft de strijd tussen God en de wereld veel gevaarlijker gemaakt. Dat schipperen tussen de eeuwige en tijdelijke waarde heeft vele katholieken ook van het levensgeluk beroofd. Zakelijk wil de mens met zijn geweten handelen en ook de wereld niet teleurstellen en de onrust vreet aan zijn geluk, verstandig en zakelijk behandelt hij huwelijks- en gezinsproblemen, ook de natuur moet haar recht hebben, en het liefdeleven van de mens, die bron van geluk in dit ballingsoord, die in haar vergankelijkheid de afstraling is van de hoogste liefde van God voor de mens, wordt een jammerlijke mislukking. Sociale en sociaal-economische problemen, zeker, men moet met de naastenliefde rekening houden, maar men moet het verstandig doen, zakelijk, nuchter en ean standen- en klassenstrijd verwoest het geluk onder de mensen
Die zelfde zakelijkheid regelt ook de verhouding der volkeren en in weinige jaren beleeft de mens een paar bloedige oorlogen waarin de volken in gloeiende haat elkander trachten te venietigen, het resultaat van het zakelijk handelen. Cultuur, ontspanning, och de begeerlijkheid moet toch ook enigszins gediend worden, we moeten kunnen geven en nemen en de beschaving valt als in een van God verlaten wereld in stukken te pletter. Deze zakelijkheid is het tenslotte die het warm kloppend katholieke mensenhart als in een ijkast van onverschilligheid en middelmatigheid legt. De katholiek weet wel dat hij zijn evenmens als zichzelf moet beminnen, het is hem bekend dat hij geen kwaad met kwaad mag vergelden, hij kent de geboden, hij weet dat hij het zout der aarde is en dat God hem roept en om zijn liefde bedekt, hij weet dat hij God verantwoording schuldig is, over al zijn daden, hij hoort het in de kerk en voelt het in zijn ziel branden, dat woord van Christus: "Weest volmaakt", maar zijn verstand marchandeert tussen de wereld en God, men moet zijn verstand gebruiken, nuchter en zakelijk de dingen bekijken, men moet niet overdrijven en de onrust vreet aan zijn levensgeluk, want hij weet dat hij zijn eeuwig geluk verkwanselt en dat knaagt aan zijn rust, hij weet dat hij met het edelste dat God hem gaf, zijn vrije wil, zijn krachten en vermogens vergooit aan iets minderwaardige en het vernederd hem tot in het diepste van zijn ziel, hij is zich bewust dat hij van zijn leven niet datgene maakt wat hij er van maken kan en juist dat maakt hem ongelukkig, Die wetenschap doet hem ook de vruchten die hij van de wereld plukt niet zuiver genieten, ze laten een bittere smaak achter en hij ondervindt dat hij het leven toch eigentlijk niet beheerst, dat hij de kunst om te leven niet verstaat. Als een goochelaar die zijn vak niet verstaat tracht hij met allerlei fratsen kleurige attributen en grote woorden zijn onbekwaamheid te verdoezelen, maar meer nog dan de toeschouwers weet hij zelf dat zijn optreden een mislukking is.
Zo gaat het ook met de katholiek, die z'n hebben en houwe en al zijn wereldse succesen mooi opgepoetst vertoont om er zijn armzaligheid van geluk mee te verbergen en mocht hij er al in slagen voor de wereld de schijn te wekken hiermede gelukkig te zijn, zelf zal hij er nooit aan geloven. De kunst om gelukkig te leven, de kunst om in dit leven gelukkig te zijn, bestaat nergens anders in dan dat de mens weet dat hij zijn leven zo gebruikt dat hij er zeker van kan zijn het doel waartoe hij zijn leven ontvangen heeft te bereiken.
De Katholieke Actie heeft tot doel het godsrijk hier op aarde mee te helpen uit te bouwen, mee te werken om de christelijke geest onder de mensen te verbreiden en het is duidelijk dat door deze actie niet alleen het eeuwig geluk van de mens wil gediend worden maar ook het tijdelijk geluk, dat geluk waarvoor de wereld tevergeefs de grootste offers brengt, waarvoor moeizame tochten worden ondernomen om het te vinden en te vergeefs, om weerelds geluk te vineden offeren ouders het geluk hunner kinderen en kinderen vertrappen de ouderliefde, hele volken worden afgeslacht om dit geluk te verkrijgen, maar te vergeefs.
In de katholieke levensbeschouwing heeft de mens de sleutel tot het levensgeluk. De katholiek die door deze levensbeschouwing zijn eeuwig geluk zoekt en daartoe alle middelen der Kerk gebruikt, zal daardoor ook zijn tijdelijk geluk vinden.
En als de leden van de Katholieke Actie, niet alleen door hun lidmaatschap van de Kerk, maar bovendien door een speciale opdracht van het zichtbaar hoofd der Kerk, van de plaatsvervanger van Christus, door middel van een Bisschop worden opgeroepen om het rijk van Christus in de wereld te verdiepen en uit te breiden, en de geest van Christus in de wereld te brengen, dan brengen zij daardoor ook de grote weldaad van het levensgeluk aan wereld, ze leren de wereld de katholieke levenskunst beoefenen en zullen door hun levensbeschouwing als andere Christussen het aanschijn der aarde vernieuwen.
Het is nog altijd dezelfde blijde boodschap die Christus aan de wereld bracht, die Hij nu nog brengen wil door de Kerk en het is een uitverkiezing maar ook een opgaaf die we hiermede te vervullen hebben, die we slechts kunnen vervullen, wanneer we die christelijke geest zelf bezitten. Wij kunnen die christelijke geest alleen in ons vormen met een uiterste krachtinspanning van onze wil en door langs Maria naar Christus te gaan als gehoorzaam kind der Kerk terwijl we een overvloedig gebruik maken van de onuitputtelijke genademiddelen die ons tot sterking en volharding ten dienst staan.
Leven wij uit onze levensbeschouwing en bezitten we aldus de ware christelijke geest, zijn we als het ware tot andere christussen geworden, dan beantwoorden we aan onze uitverkiezing en volbrengen zo ook onze opgaaf, want deze christelijke geest, deze katholieke levenskunst zal van al ons doen en laten afstralen en we zullen er de blijde bootschap van Christus door in de wereld dragen. In ons gezin zal de geest van Christus heersen en we zullen die geest in onze kinderen voortzetten, in het zakenleven en in de ontspanning, kortom uit al onze levensuitingen zal die geest van Christus stralen en een levende propaganda zijn voor de katholieke levensbeschouwing door onze katholieke levenskunst.
Ht leven beheersen, het leven in onze macht hebben, in alle omstadigheden datgene te kiezen dat naar het levensdoel richt, door de onvermijdelijke tegenslagen in het leven tot de ware proporties terug te brengen, dat is de kunst om gelukkig te leven, de levenskunst, die wij kunnen leren beoefenen door onze katholieke levensbeschouwing. Ons levensdoel kennen, onze wil naar dit doel richten en de middelen gebruiken die ons ten dienste staan om dit doel te breiken, zijn de voorwaarden om de levenskunst te beoefenen. Dit is het schema, de gebruiksaanwijzing van het leven die tot het levensgeluk leiden kan.
Ieder katholiek weet dit wel, maar zovele zijn er die deze waarheden, deze richtlijnen voor hun levensgeluk, deze dienstregeling voor het goed functioneren van het leven, in een prachtuitgave, goud op snee op een veilige plaats in hun huis hebben opgeborgen, ze bezitten ze wel maar gebruiken ze niet. Daarom verstaan ze ook de katholieke levenskunst niet. Het enige wat deze van hun levensbeschouwing ondervinden, is hier een stomp in de zij om hem die op verkeerd spoor was gelopen weer op de rechte weg te brengen en daar trekt ze hem weer bij de oren van een gevaarlijke gelegenheid vandaan. Voor deze is hun katholieke levensbeschouwing als een politieagent en ze weten wel dat ze goed is, maar ze ervaren ze als een dwingeland die hen met geweld naar hun eeuwige bestemming brengt. Voor deze is hun levensbeschouwing het stroeve, harde middel om zijn eeuwige bestemming te bereiken en als zodanig nog een ontzagelijk groot goed, zeker, maar niet het middel om gelukkig te leven, het is een prutsend gebruik maken van hun levens beschouwing en ze verprutsen er ook het levensgeluk mee. Het levensgeluk van zichzelf, maar ook van anderen, want als ze niet uit hun levensbeschouwing leven, zullen ze ook die Christelijke geest niet bezitten, waardoor hun levensbeschouwing naar buiten uitstraalt en niet in staat zijn de katholieke levenskunst mee te delen aan de wereld, zelfs niet aan hen, aan wie ze het van nature verplicht zijn: hun kinderen.
En toch is er geen groter goed dat aan de wereld gebracht kan worden dan wij katholieken kunnen brengen en daarom kunnen wij ook nooit hoog genoeg denken over onze uitverkiezing en onze roeping. Wij hebben het geheim van onze levenskunst in onze handen, de bovenatuurlijke kracht om ze in practijk te brengen wordt ons ruimschoots gegeven als we slechts de geest van Christus in ons willen laten werken, als we ons slechts ieder uur van ons leven rekenschap van onze levensbeschouwing willen geven en in alle eenvoud en ootmoed Christus, uur voor uur en dag voor dag in ons willen laten vormen en andere Christussen willen zijn, dit zal ons het levensgeluk bezorgen en door onze levenskunst zullen wij de blijde boodschap van Christus ook in onze geluksarme wereld brengen.