WikiZoeken:

Main.SideBar (edit)

Recent Changes Printversie Pagina Aanpassingen Wijzig Pagina
MIJMERINGEN

van Toon van den Bosch

HET KOREN (juni 1952).

De zon heeft deze zomerdag haar goede warmte weer gegeven. Nog een paar uurtjes en zij kan zich rustig aan den einder te slapen leggen. Langzaam, uitgeput van het wamte-geven, wil zij haar laatste krachten nog besteden om het afgetobde land in gouden gloed te zetten.

Langs een onooglijk zandpaadje verlaat ik de grote weg en trek de velden in.

De stilte wenkt en wint het op den duur van het geraas van het snelverkeer wanneer ik verder wandel. Dit maakt me blij en vrolijk.

’n Vriend, ’n lang verwachte goede vriend komt me tegemoet. Hoeveel moeite het hem ook kost om van het brutale lawaai van de weg te winnen, de stilte komt dichterbij en wint en van vreugde klap ik in mijn handen. Mijn grote vriend, de stilte, is gekomen. En als ik hem stil de handen druk staan we in het koren.

Heb je wel eens midden tussen de korenvelden gestaan, tussen het koren en tussen de hemel, het goud en het blauw, samen met de stilte?

Met grote ogen kijk ik verwonderd om me heen. Het verrast me. Ik ben ingesloten, Samen met de stilte gevangen in een andere wereld, goud en goed. Gevangen. O nee! Hoe heus, hoe hoofd neigend verwelkomen mij de eerste halmen uit de rij om mij gerust te stellen en fluisterend vertellen zij mij van hun grote geluk. Van hun geluk te staan en te sterven om anderen te doen leven.

Hoe gun ik hen de fierheid die uit hun gouden kopjes blinkt wanneer zij mij wuivend toezingenhoe goed het is, door hun loutere schoonheid een mensenhart te mogen troosten en sterken.

Even heb ik vergeten adem te halen en een diepe zucht is het gevolg, ’n weldoende, ’n gelukkige zucht. ’n Windje waait van achter uit het veld naar voren en zonder zich in ’t minst te verzetten buigen de halmen zich gezamenlijk neer, als goudgekapte monniken die het Gloria Patri zingen.

Ik doe ’n stap vooruit om mijn weg verder te gaan. Het kost me moeite om uit deze stille schoonheid los te komen.

Bij het gaan door het koren buigt het zich zachtjes ten groet. Ik sta stil, het is allemaal zo vreemd, en onbewust buig ik me tussen het koren op het smalle zandpad naar rechts, buig ik me langzaam naar links om de edele groet van de neigende halmen te beantwoorden.

We hebben afscheid genomen en gelukkig en tevreden zet ik mijn wandeling voort.

De drukte en de zorg, het lawaai en het gesnoef van de mensen kunnen weer komen. De edele vriendschap van het stille korenveld, deze godgegeven goedheid, blijft branden, midden tussen de mensen, als ’n lichtje in mijn hart.

BOOTTOCHT (juli 1952).

We voeren met de schuit van schipper Teuben van Oosterhout naar Nijmegen.

Het eentonige gestamp van de motor vergezelde ons vanaf het allereerste begin van onze vaart. Een onvermoeibare, trouwe keffer, was dit levendige geluid. Als ’n deel van de schuit, als de kracht van den schipper en de zekerheid van een vlotte vaart..

Hoewel onze stevige stamper in alle bescheidenheid en in een weldoende regelmaat onze schuit door het water schoof, kon hij blijkbaar toch niet nalaten het altijd eendere werk van tijd tot tijd met enige stemverheffing te vervullen.

Ik merkte al heel spoedig dat onze gangmaker het hield met de ruimte. Dat hij zich het best op zijn gemak voelde op het brede water, en de rust van de verte en het wijde uitzicht wist te waarderen.

Op het brede water, tussen het vlakke land deed hij zijn werk met ’n gemak en een rustige zekerheid die in de grote rust en in het brede uitzicht paste. Zoals het kwaken van de kikker op ’n stille zomeravond de geheimzinnige stilte van het polderland nog intenser maakt, zo accentueerde het eentonig gepuf van de motor de rust van onze vaart.

Hoe wonderlijk verwant voelde ik me met de motordie zo gevoelig scheen te reageren op de indruk die de omgeving op hem maakte.

Zolang we nog tussen de dijken van het kanaal voeren klonk in zijn stem ’n geirriteerde hardheid die me niet sympathiek aandeed. Maar zodra we de brug van Den Berg gepasseerd waren en onze schuit het brede water zag en het vlakke land klonk in zijn stem ’n milde warmte.

Het kloppende geluid versmolt in het geheel van het water, land en lucht, en hoorde er bij, als het groepje koeien langs de kant, als de onhoorbaar bollende, hoogopgetaste hooiwagen in de verte, als de langzaam voortschuivende torentjes waarrond we rustige dorpjes vermoedden. Het geluid van onze motor hoorde bij de schuit, bij de vaart, bij het water en het land evenals het piepende geluid van de meeuwen die rondom ons vlogen.

Als met een gevoelig kunstenaarsoog overzag hij het geheel en zijn hart begon steeds weer onrustig te kloppen wanneer die eenheid verbroken werd.

Met enige stemverheffing begroette hij de voorbijvarende schepen. Waar een meer omvangrijke wand aan de wal ’n fabriek of bergplaats deed vermoeden liet hij zich met meer nadruk horen. Maar bepaald onrustig klonk zijn stem, en soms leek het me zelfs ’n tikje brutaal, wanneer we onder ’n brug doorvoeren.

Dit was geen joviale schippersgroet aan de brug als aan een collega die bij de vaart hoort.Was het angst voor het ijzer? Ik weet het niet. Maar duidelijk meende ik in de toon en het luidere kloppen van onze trouwe motor ’n verachtelijke klank te horen. Of was het afgunst misschien voor dat grote dode ding dat breedbenig en bazig boven het water staat en het beeld beheers, dat als ’n parvenu, als de man met de goede baan en de lakschoenen de aandacht aftrekt van het water? Ik kon er niet achterkomen. -

Maar nooit zal ik de stem van de motor vergeten toen men onze schuit in de sluis van Heusden gesloten had.

Hoe zielig ging hij te keer en vergat zichzelf in die diepe, donkere, kille sluis. Als het hese gebas van een bandhond aan de ketting klonk die stem in die nare, natte kelder. Nog bij het uitvaren uit die gevangenis, toen vanonder de omhoog zwevende ijzeren deur zich voor onze ogen de wijde Waal ontvouwde, waren het nog enkele van afschuw vervulde kreten die hij de sluis moest nageven.

Ik kan het begrijpen. Maar ik kende onze motor nu al lang genoeg om te weten dat het opvaren va de Waal hem weer vlug in een goede stemming zou brengen. En ik had me niet vergist.

Stillekes hadden we in de valavond een plaatsje gezocht op het voorste puntje van de schuit.

Reeds geruime tijd moeten we daar zonder iets te zeggen hebben gezeten toen ik de indruk kreeg dat onze trouwe puffer ons van achter op de schuit met belangstelling bekeek en ik in zijn stem een trotse klank beluisterde. De gelukkige klank in de stem van iemand die begrepen wordt. De klank van trots en geluk in de stem van de moeder wiens kind men bewondert. En ik kon het hem niet kwalijk nemen.

Van achter, de wijde Waal in het lichte grijs van de ondergaande zon, met heel in de verte aan de wal de toren van Zaltbommel boven het vele groen van het land. Daaronder, op de Waal, die haast niet meer van de lucht te onderscheiden was, hier en daar, zonder enig verband enkele schepen, die met hun donkere voorplecht uit het water op ons toekwamen en met hun wit beschilderde banden rustig afsteken tegen het lichte grijs van de lucht.

Van voren, aan de Oostkant, is het of de avond vlugger valt. Het grijs van de lucht is er donkerder en het water groen.

Heel, heel langzaam komt ’n wonderlijk mooi Romaans aandoend torentje naar ons toe. Een groen-wit geblokte parlevinker tuft ons lustig opzij.

’n Snelle slanke boot die op Zwitserland vaart schuift rap de verte in, maar niet de minste afgunst is er in de stem van onze motor te bespeuren. Het is goed hier te zijn en te varen in deze mooie zomeravond op de reeds donker wordende Waal.

Breed en rustig ligt het water, stil en donker tegen de lichtere lucht. We naderen Tiel dat zich donker aftekent in een gouden baan in de zwarter wordende hemel.

Goud, groen en zwart. - De motor valt stil. De dag is ten einde.

Het ratelen van de ankerketting klinkt luid over het stille water. We verdwijnen in de nacht.

Nauwelijks id de nieuwe dag weer wakker en hebben we ons in het lauwe water van de Waal gewassen of de motor draait weer zijn eentonige dreun.

Het goud en zwart van gisteravond is nu zilverwit geworden.

IJl? en blank, wazig teer trilt de nieuwe dag op het water. Rustig is de stem van de motor. Voorzichtig, zonder iets van deze tere tinten stuk te slaan glijdt onze schuit door het doorzichtige water.

Goudgeel stijgt de zon in het Oosten omhoog en stuift spelend ’n tikje goudpoeder tussen het bruidjes-reine blank van de witte wereld. Zo moet God de eerste dag hebben gemaakt, en geen wonder dat Hij zag dat het goed was. En dan, vrij onverwacht is het of heel de witte bruidjeswereld plotseling haar sluiers afneemt en die rondom onze schuit op een hoop neergooit.

We varen op een wit-wazige Waal en kunnen de wal niet meer onderscheiden.

De zon is ’n gele vlek geworden achter het matte wit van de nevel waarin we varen. Haast onhoorbaar draait onze motor verder in deze geheimzinnige ondoorzichtigheid. Ik hoor nu duidelijk in zijn stem de ingehouden klank van iemand die zich kostelijk vermaakt om onze bewonderende verbazing van deze morgen.

Dan, nog voordat we uitgekeken zijn, wordt rap die witte boel rondom ons opgeruimd en zonder twijfel op ’n betere plaats opgeborgen voor de volgende morgen.

De lucht is weer blauw, het water blinkt, de zon is warm en we varen weer op het wijde water. Levendiger wordt de stem van de motor.

Van verschillende kanten klinkt het blije geluid van ’n ratelende ankerketting. Schuiten tuffen ons weer voorbij. We zitten weer in de vaart.

Breed is de Waal en wijd is het land. Weer boeit ons de rust van de vaart en de schoonheid van de vergezichten.

Onduidelijk eerst, maar weldra machtig en breed komt de Waalbrug naar ons toegeschoven.

Och trouwe krachtpatser in het hart van de schuit, betoon uw tegenzin wanneer ge langs de lelijke fabriekswanden en de hoge pijpen vaart. Ik weet dat je je afkeer zult laten merken. Ik ben er zeker van dat ge de Waalbrug niet zult passeren zonder even vijandig hard te mauwen. Maar ook gij ziet toch met mooie lijnenspel van de oude Keizer Karel-stad daar boven aan de wal.

Misschien is het om mij ’n genoegen te doen dat hij zich nu wat inhoudt, maar wellicht heeft hij met mij onder de Waalbrug doorgekeken waar de wijde Waal weer wenkt.

Als om zich van alle kanten te laten bewonderen draait achter ons heel langzaam de oude Keizersstad aan ons oog voorbij en heelver ligt het water en het land weer te trillenin de zon.

En dan, o zo plotseling zijn we aan het eind van onze tocht gekomen.

Onverwachts neemt de schuit een draai en varen we een inham binnen waar we aan wal worden gezet.

En verder gaat de schuit. Zonder ons. Pokke-pakke-pokke-pakke-pokke-pakke …: steeds zachter wordt zijn stem als de schuit verder vaart en wij groeten hem ten afscheid met ’n handgebaar, de joviale schippersgroet.

Trouwe puffer, ik heb in jou ’n begrijpende vriend gevonden en hoop je spoedig weer te zien.

ZONDER TITEL (concept ingezonden brief 1952?)

Al kan het soms heel redelijk en nuttig zijn op zijn vingers getikt te worden, het blijft altijd een onaangenaam geval. De eerste reactie op een terechtwijzing of aanmerking op een fout of tekortkoming is er steeds een van verweer en het kost altijd enige moeite vooraleer men het redelijke en nuttige van een terechtwijzing kan inzien en aanvaardt. Zo verging het mij ook toen ik de vorige week op deze plaats het resultaat las van de India-avond die in dezelfde week in de Sint Janszaal was gegeven. 50 Bezoekers! Dit zeer kleine aantal bezoekers moet voor de organisatoren van deze avond ’n grote teleurstelling zijn geweest, en dit temeer omdat Oosterhout op missiegebied een goede naam heeft en zij zeker hogere verwachtingen hebben gekoesterd. Maar niet alleen voor de pater zal het een tegenvaller zijn geweest. De harde reprimande in uw blad aan het adres van Oosterhout is niet gemakkelijk te slikken en vergun ons dat wij nog eventjes tegenpruttelen voor wij onze fout erkennen en beterschap beloven. Ik heb zo de indruk dat er hier door de organisatoren een psychologische fout is gemaakt door deze avond aan te kondigen als “India-avond”. De mooie en artistiek zeer geslaagde raamaankondiging viel zonder twijfel op, maar gaf niet de indruk dat het hier een missie-avond betrof, zoals hier in Oosterhout zo vele met groot succes zijn gegeven. Deze aankondiging zal velen de indruk hebben gegeven dat het hier een wetenschappelijke of politieke avond betrof. Nu kunnen wij het eveneens betreuren dat er ook dan geen grotere belangstelling voor bestond, maar we kunnen moeilijk de missieliefde van Oosterhout afmeten naar het aantal bezoekers van deze “India-avond”. Zeker, ik ben er van overtuigd dat in ons fel groeiend Oosterhout het woord Missie niet meer die wondere toverkracht bezit van enkele jaren terug, toen een beroep op de Missie als het ware hart en beurs vanzelf openmaakte. We moeten dat betreuren, want met het verminderen van de missieliefde verliest Oosterhout een van de schoonste karaktertrekken en we zouden er uit af moeten leiden hoe Oosterhout bij al zijn groei en vooruitgang zich op geestelijk, op godsdienstig terrein op een hellend vlak bevindt. Vandaar dan ook dat wij de terechtwijzing in Uw blad gerust ter harte mogen nemen, want op dit gebied zijn we in Oosterhout aan het teruglopen, maar laten we dan ook tegelijkertijd vaststellen dat bij het organiseren van deze avond een beroep is gedaan op de Oosterhoutse missieliefde zonder dat gebruik gemaakt is van de mogelijkheid om duidelijk aan te kondigen dat het hier een missie-avond betrof. Het is niet onwaarschijnlijk dat de organisatoren de ondervinding hebben opgedaan dat in andere streken en plaatsen een als “India-avond” aangekondigde avond meer belangstelling trekt dan een gewone missie-avond.

ZONDER TITEL (24 juni 1957).

Ik weet niet wat het is, maar het is me altijd voorgekomen dat het volschrijven van ’n blank stuk papier, zomaar, met wat eigen gedachten, een bezigheid moet zijn die grote voldoening geven kan. En waarom zou ik het dan niet proberen. Het komt er eigenlijk weinig op aan wat we gaan schrijven. Misschien is het nog het best, zomaar wat in mijn eigen te praten, niet om mezelf gelijk te geven, maar om gedachten die zo onverwachts door de dag in je opkomen even vast te houden, en ze om het zo maar eens te zeggen nog eens rustig te herkauwen. Vandaag kreeg ik bericht dat ’n oude dokter in Amerika overleden was. ’n Man die mij persoonlijk en ons gezin een grote dienst heeft bewezen en van wie ik wist dat hij in zijn lang en druk leven ontzaggelijk veel goed heeft gedaan en een echt braaf mens was, een waarlijk diep gelovig mens vooral. We hebben de avond van diezelfde dag waarop we het bericht ontvingen ons gezamenlijk rozenhoedje voor zijn zielerust gebeden in de overtuiging dat, zo hij nog iets te boeten heeft, wij hem hiermee kunnen helpen die boetetijd te verkorten. En zo onder dat bidden denk je aan die ziel, en vraag je jezelf af, wat een moment het wel moet zijn voor de mens, God te zien. Het moment dat je, na een wachttijd misschien in het vagevuur, de bron van alles wat is, van het leven zelf, de goedheid, de schoonheid zult zien en kennen. Ge kunt er hier beneden, waar ik tussen zo heel veel zorg en moeite soms ’n klein stukje van meen te zien, zo hard naar verlangen, die zuivere schoonheid, die volledige goedheid te zien en te kennen. Hoe moet het zijn om Jezus te ontmoeten. Wat heeft Hij ons leven gevuld en Zijn liefde gegeven. In onze beste ogenblikken, wanneer wij begrepen dat Hij om onze liefde vroeg, konden wij er naar verlangen iets van Zijn liefde te begrijpen. We zullen Hem dan zien, Zijn liefde kennen, de verlossing begrijpen en het geheim van Zijn Kerk. We zullen dan precies zoals nu hier een lidmaat zijn van Zijn Kerk, maar hoe zal dan onze aanbidding, onze dank en onze wederliefde feller zijn dan nu bij het tabernakel. Wat zal het licht en helder worden in onze ziel, in ons hart en verstand zo in de volle schijn van Gods waarachtigheid. En dan. We zullen Onze Lieve Vrouw ontmoeten. Ja, en dan flitst nu haar hele litanie door het hoofd als ik daaraan denk. Er staat ons veel te wachten. Petrus en heel de lange lijst van heiligen en de nog grotere schare van echte goede mensen. Allemaal door dezelfde Liefde gered, allemaal door dezelfde Liefde beloond voor het povere goedzijn hier in ons leven. Mag het, dokter, een proficiat zijn dat ik U toewens nu gij Uw loon voor Uw liefde moogt genieten.

ZONDER TITEL (25 juni 1957).

Dat men op het ogenblik, of liever de laatste jaren hoe langer hoe duidelijker gaat inzien dat de lichamelijke toestand van de mens heel sterk wordt beïnvloed door allerlei factoren van geestelijke aard, kan men niet alleen in allerlei artikelen lezen, maar dat ondervindt ieder die wat meer met de dokter in aanraking komt dan de mens die zijn dokter alleen maar nodig heeft voor een keuring voor zijn baan en het vaststellen van zijn doodsoorzaak. Bij zo goed als alle klachten van de patiënt zal de dokter tegenwoordig vragen of er moeilijkheden zijn in zijn gezin of zaak of iets waar hij zich druk of bang over maakt. Het is een aparte wetenschap geworden. Ik moet hieraan denken toen ik zo terloops vanmiddag tijdens de toespraak in het ziekenlof door de radio de regel uit de Schrift hoorde: “De droefheid des harten verkort het leven van de mens”. Het viel me zo ineens op, dat er op het gebied van het denken toch eigenlijk niet veel nieuws onder de zon is. In dat oeroude boek staat het toch vol van deze wijsheden. Natuurlijk zullen er altijd en door alle tijden mensen gevonden zijn die begrepen, dat het geestelijke wel degelijk zijn invloed doet gelden op het lichamelijke en andersom, maar toch kan men niet aan de indruk ontkomen dat er mensen zijn die menen dat dit inzicht is gegroeid en ontstaan door de wetenschap van de laatste tijd. En toch, deze ideeën zijn zo oud als de mensen en zijn door de beste van die eerste mensen reeds opgetekend. In de Schrift waarin de mens zich openlegt voor God, waar hij zich in zijn schamelheid stelt tegenover God, om te danken, te aanbidden en vooral om Gods barmhartigheid af te smeken, weet hij hoe de droefheid aan zijn vlees kan knagen, en het zieke vlees weer fris, en het lome bloed weer fel gaat worden, als God hem weer vrij maakt van zijn zonden en hem bevrijdt van de boze tongen. Och, er is weinig nieuws onder de zon.

ZONDER TITEL (26 juni 1957)

Het is zo wonderlijk de mensen te bekijken en dan te zien dat ze onderling zo heel verschillend zijn, naar lichaam en geest en toch hoe ieder mens op zich zo een heel geheel is, hoe in alle verscheidenheid ieder mens zo geheel volledig mens is en een goed mens kan zijn. We kunnen de goedheid evengoed aflezen van de figuur van een grijze aristocratische priesterkop als wij die goedheid ondergaan wanneer ze ons weerspiegeld wordt uit de door wind en weer en hard en sober leven gekerfde trekken van een arme tobber. Ja, het is soms zelfs zo, dat de goedheid die er van een mens uitgaat het enige is wat opvalt, wat van zo’n mens te zeggen valt. Geen lichamelijk schoon, geen verstandelijke kwaliteiten die opvallen of praestaties die iets te betekenen hebben, alleen maar goedheid. We kennen allen zulke mensen, we kunnen ze vinden overal waar mensen zijn. En wanneer we ze vinden, dan is het ook alleen deze goedheid die tenslotte indruk op ons maakt, die ons bijblijft. We blijven aan deze mensen denken en we zoeken ze op omdat ze goed zijn. Het contact, de ontmoeting met een hoog ontwikkeld mens, met iemand die wat te zeggen heeft, over wiens geleerdheid we ons kunnen verwonderen en die door zijn ontwikkeling in staat is in enkele zinnen onze kijk op de dingen te verdiepen, we zullen hem spoedig vergeten zijn, hij zal geen blijvende indruk bij ons achterlaten, wanneer deze geleerdheid niet gepaard gaat met een goedheid die wij bij zulk een ontmoeting ondergaan. Een goed mens is een gelukkig mens en maakt gelukkig. Alleen door zijn goedzijn al is zijn aanwezigheid een bron van vreugde. En al wat er van hem uitgaat is er door getekend. Ieder gebaar, ieder woord, elke daad draagt het stempel van die goede, gelukkge mens. Ik werd hieraan herinnerd toen ik gisteravond laat het klarinet-concert van Mozart door de radio hoorde. Iedere keer, en ook gisteravond weer opnieuw heeft me vooral dat langzame middengedeelte uit dit concert diep ontroerd, juist en alleen door de goedheid die er van uitgaat. Mozart moet een waarachtig goed mens geweest zijn om zulk een melodie te kunnen schrijven. Maar vooral door het ondergaan van deze gespeelde goedheid is het me ook duidelijk geworden dat de mens in zijn goedheid een afbeelding is van de volmaakte goedheid, die God is, en dat God ons zijn goedheid toont door de goedheid van de mensen. Het is een Godsgave goed te zijn, maar evenzeer is het een gave van de volmaakte goedheid de goedheid van de mensen te ondervinden en de uitingen van deze goedheid te smaken, want ze komen van God door middel van de mensen. Het is een werkelijke Godsgave, wanneer God de kunstenaar het vermogen geeft aan de Goddelijke goedheid te plukken en die in klank of beeld aan ons te proeven en te genieten doorgeeft. Een waarachtig kunstenaar is kunstenaar bij de gratie Gods of hij het zelf begrijpt of niet. Maar een melodie als die we mogen beluisteren in dat adagio van het klarinet-concert van Mozart is geschreven door iemand die goed was en die wist dat hij kunstenaar was bij de gratie Gods en die moet ondervonden hebben bij het schrijven van deze muziek, dat hij door God was uitgekozen om van Gods goedheid te getuigen door middel van zijn muziek, en hij kan daardoor alleen in staat gesteld zijn, doordat God voor Mozart even de hemel opende en hij van Gods goedheid iets mocht zien, wat voor ons nog bewaard blijft tot wij eens voorgoed in de hemel ons verlangen naar deze volmaakte Goedheid bevredigd zullen zien.

ZONDER TITEL (26 juni 1957).

De H. Christina, 24 juni, die niet voor niets de “Wonderbare” genoemd wordt. Christina moet in de 11e eeuw in Belgisch Limburg geleefd hebben. Wanneer ze nog pas in de derig jaar door versterving verzwakt sterft, wordt ze door God de keus gelaten aanstonds het eeuwige loon te komen ontvangen in de hemel of nog jarenlang in grote pijn te blijven leven voor de bekering der zondaars en ter verlossing van de zielen in het vagevuur. Ze kiest het laatste. En dan begint een leven van onbegrijpelijke gebeurtenissen. Als ’n wild dier leeft ze in de bossen, vederlicht klimt ze van tot naar top als een dier in de bomen. Door de mensen als heks beschouwd wordt ze gevangen en op wonderlijke wijze iedere keer bevrijd. Kortom, een leven van het onbegrijpelijkste en weerzinwekkendste lijden dat men zich denken kan. Tenslotte sterft ze in een klooster. 25 Juni: Apostel Jacobus de Meerdere. Een van de door Jezus geroepene, waarvan we na Jezus’ dood maar weinig meer horen. Hij is de eerste van de Apostelen die de marteldood sterft. Ja, en vandaag 26 juni: de H. Anna. De Moeder van de H. Maagd Maria, staat er zo heel gewoon. Och, waaraan hebben wij het toch te danken dat we zo met ons armzalig hebben en houwen mogen leven tussen die dagelijkse heiligen. Ze zijn ons tot voorbeeld gegeven en tot voorspraak, maar ook tot onzeggelijk grote troost en het is vooral ook door deze stoet van heiligen dat het ons gemakkelijk gemaakt wordt in ieder mens Gods evenbeeld te zien. Want stuk voor stuk waren ook al die heiligen mensen zoals wij, zoals ik, ’n heilige Maagd, ’n Apostel, bisschop zoals wij nu onze beminde bisschop in ons midden hebben. En dan vandaag weer Moeder Anne. De oma van Jezus. Niets stat er van opgetekend en we vragen ons af, heeft Moeder Anna haar kleinkind gekend, en Jezus, is die nog door een lieve oude oma verwend? We weten het niet. De H. Anna was op gevorderde leeftijd toen zij de moeder werd van O.L. Vrouw, zodat het zeker niet onmogelijk is dat zij bij de geboorte van Jezus al gestorven moet zijn. Van de andere kant wordt algemeenaangenomen dat Maria bij de geboorte van Jezus nog vrij jong geweest moet zijn. Och, waarom mag ik me niet even voorstellen dat het voor Jezus evenals voor alle kinderen een groot feest was, wanneer Oma op bezoek kwam en bij de begroeting Jezus’ blik gevestigd bleef op die wijde plooimouw van Oma’s mantel, waar bij ieder bezoek wat verborgen was om op te smullen of mee te spelen. Of die bezoeken, als heel klein ukkepukkie met vader en moeder door het zomerse land naar het stille witte huis van Oma. En dan heeft Moeder Anna de kleine Jezus op de armen genomen en meegenomen, helemaal alleen, terwijl Josef en Maria in de frisse kamer uitrustten van de tocht en Moeder Anna alleen lieten genieten van hun kleine Jezus. Die heeft haar kleinkind bij het nieuwe lammetje gebracht, ’n verse tros druiven voor hem geplukt en lieve woordjes gezegd, dat het nu al zo’n grote jongen geworden is die al alleen kan stappen. Wat ’n feest. Wat een goedheid, deze gewone mensenliefde en mooie vreugde van het gewone mensenleven. Ik moest hieraan denken vanmorgen onder de H. Mis, op deze feestdag van Moeder Anna. Hoe dicht leven we toch bij de hemel, bij Jezus en al die hemelbewoners van alle tijden, die mensen waren zoals wij, die evenals wij bemind hebben, veel hebben getobt en die nu voor ons daarboven ’n plaatsje vrij maken opdat ook wij voor altijd het onbegrijpelijke geheim van Gods’ schepping en herschepping zullen mogen vieren in eeuwige jubel. H. Moeder Anna, bid voor ons, opdat wij hier Uw Goddelijke kleinkind met de hulp van Uw gezegende Dochter steeds meer mogen kennen, in Hem geloven en Hem met heel ons hart mogen beminnen, en eens in de hemel mogen ontmoeten.

Wijzig Pagina - Pagina Aanpassingen - Printversie - Recent Changes - WikiHulp - WikiZoeken
Pagina gewijzigd op 20 december 2004 om 13:28