OOSTERHOUT, BLIJF JEZELF EN . . . WEES GROOT
De strijd van een Oosterhoutse katholieke leek eind jaren veertig voor het behoud van de eigen katholieke levensstijl
door Jan van den Bosch
Universiteit van Tilburg - april 2005
Afbeelding 1: Portret van een jonge Toon van den Bosch
INHOUDSOPGAVE
1. Vraagstelling en doel van dit werkstuk
| | |
| 1.1 Collegereeks “Het dagelijks leven in Rooms Brabant” |
| 1.2 Studie-object: reeks “Gemeenschapsgedachten” in het Nieuwsblad van het Kanton Oosterhout |
| 1.3 Rubricering onderwerpen reeks “Gemeenschapsgedachten” |
| 1.4 Opzet en doel van werkstuk | |
| | |
2. Over de persoon Toon van den Bosch
| | |
| 2.1 De afkomst van Toon van den Bosch |
| 2.2 Het leven van Toon van den Bosch |
| 2.3 Een beeld van de tijd waarin Toon van den Bosch leefde |
| | |
3. Het gedachtegoed van Toon van den Bosch over het behoud van de katholieke levensstijl nader bekeken
| | |
| 3.1 Inleiding |
| 3.2 De zienswijze van Toon op de eigen katholieke Oosterhoutse aard |
| 3.3 De gevaren die de katholieke levensstijl bedreigen |
| 3.4 De verantwoordelijkheid voor het bewaren van de katholieke levensstijl |
| | |
4. Het gedachtegoed van de katholieke leek Toon van den Bosch geplaatst naast dat van de priester Dr. P.C. de Brouwer
| | |
| 4.1 Inleiding |
| 4.2 De Brabantse ziel |
| 4.3 Niet gerust op de toekomst | |
| 4.4 Brabants bewustzijn versterken |
| 4.5 De priester en de leek zij aan zij |
| | |
5. De drijfveren van Toon van den Bosch als Oosterhoutse katholieke leek in zijn strijd voor het bewaren van de katholieke levensstijl
| | |
| 5.1 Inleiding |
| 5.2 De geroepene |
| 5.3 De roepende |
| 5.4 De levenskunstenaar |
| | |
| | |
1. Vraagstelling en doel van dit werkstuk
1.1 Collegereeks “Het dagelijks leven in Rooms Brabant"
Om twee redenen besloot ik in het najaar van 2004 deel te nemen aan de collegereeks op de Universiteit van Tilburg over “Het dagelijks leven in Rooms Brabant”. Op de eerste plaats kan ik niet om het onderwerp heen, aangezien ik mezelf ook een product vind van het Rijke Roomse Leven. Op de tweede plaats besloot ik net op dat moment te stoppen met betaald werken, zodat er ruimte ontstond om andere dingen te gaan doen. Ik was op de collegereeks geattendeerd door Cockie van den Bosch en Pim Buwalda, familieleden, en volgde hoe zij zich inspanden een goed werkstuk te maken 1). Prof. dr. Arnoud-Jan A. Bijsterveld, bijzonder hoogleraar “Cultuur in Brabant”, verschafte me graag alle nodige informatie over de nieuwe collegereeks. De collegereeks bestond uit elf hoorcolleges over de geschiedenis, de volkscultuur en het (zelf)beeld van Noord-Brabant, en elf werkcolleges. De colleges werden gegeven op de universiteit in Tilburg. De hoorcolleges vonden plaats in de periode september-december 2004 en werden afgesloten met een excursie naar het Archief van de gemeente Breda en naar de Grote Kerk aldaar. De groep telde in die fase veertien deelnemers. De werkcolleges vonden plaats in de periode februari-april 2005. De groep telde in deze fase nog vijf deelnemers. Tijdens deze werkcolleges moesten verschillende opdrachten worden uitgevoerd. De slotopdracht betrof het schrijven van een werkstuk, waarin een onderwerp moest worden uitgewerkt in de vorm van een regionale of lokale case-study. Met dit werkstuk voldoe ik aan deze opdracht.
1.2 Studie-object: reeks “Gemeenschapsgedachten” in het Nieuwsblad van het Kanton Oosterhout
“Ik ben er van overtuigd dat in onze Warande met de vervanging van het houten schot door gaas tussen het dames- en herenstrand in letterlijke en figuurlijke zin het hek van de dam is gedaan en dat deze daad als een eerste afwijking beschouwd moet worden van het principiële begin”. Op 5 juli 1947 verscheen in het Nieuwsblad voor het Kanton Oosterhout (kortweg het Kanton genoemd) een ingezonden stuk van mijn vader Toon van den Bosch waarin hij zijn zorg uitspreekt over de bedreiging van Oosterhout als katholieke gemeenschap. Het stuk werd geplaatst onder de titel “Gemeenschapsgedachten” en met de letters A.B. ondertekend. In de hierna volgende periode tot december 1949 verscheen er een reeks van negentien afleveringen van “Gemeenschapsgedachten” in het Kanton. Toon van den Bosch heeft al zijn ingezonden stukken uitgeknipt en bewaard. Ik heb de reeks “Gemeenschapsgedachten” van mijn vader onlangs gebundeld in mijn digitale familieboek 2). De gedachte om de reeks onderwerp van mijn case-study te maken lag vervolgens voor de hand.
1.3 Rubricering onderwerpen reeks “Gemeenschapsgedachten”
Twee afleveringen van de reeks “Gemeenschapsgedachten” handelen over onderwerpen die op zichzelf niet met de strijd tegen de bedreiging van de katholieke levensstijl te maken hebben. Het gaat daarin om een polemiek over de coördinatie van het culturele leven in Oosterhout 3) en over het grote goed van een muzikale opvoeding bij de Harmonie 4). Deze twee bijdragen laat ik buiten beschouwing. Voor de bestudering van het gedachtegoed van Toon van den Bosch baseer ik me dus op zeventien afleveringen in de reeks van “Gemeenschapsgedachten” die in de jaren 1947 tot en met 1949 in het Kanton is gepubliceerd. Deze afleveringen handelen allemaal over de bedreiging van de katholieke levensstijl en kunnen in twee thema’s worden gerangschikt. Het ene thema betreft het pleidooi van Toon van den Bosch tot behoud en versteviging van de eigen roomse, Oosterhoutse aard 5). Het andere thema betreft het vraagstuk van de industrialisatie van Brabant, dat Toon hevig bezighield. Hij schrijft er een groot artikel over, dat in zeven afleveringen van “Gemeenschapsgedachten” in het Kanton werd gepubliceerd 6).
1.4 Opzet en doel van werkstuk
De reeks “Gemeenschapsgedachten” van Toon van den Bosch roept vele vragen op. Wie was Toon van den Bosch? Hoe zag hij de eigen katholieke Oosterhoutse aard? Welke bedreigingen zag hij in de vooruitgang en met name in de industrialisatie van Oosterhout? Hoe dacht hij die bedreigingen het hoofd te bieden? De beantwoording van al deze vragen kan licht werpen op de centrale vraag van dit werkstuk, namelijk waarom Toon van den Bosch als katholieke leek en gewone Oosterhoutenaar op deze wijze strijd voerde tegen wat hij als bedreiging van de katholieke levensstijl zag. In dit werkstuk ga ik proberen antwoorden op al deze vragen te geven. In de opzet van dit werkstuk volg ik de hiervoor gestelde vragen. Eerst plaats ik Toon van den Bosch in het daglicht (sectie 2 van dit werkstuk). Vervolgens vat ik in sectie 3 het gedachtegoed van Toon samen. In sectie 4 vergelijk ik het gedachtegoed van de katholieke leek Toon met dat van de priester Dr. P.C. de Brouwer. Ten slotte probeer ik in sectie 5 te formuleren welke de drijfveren van Toon van den Bosch als katholieke Oosterhoutse leek moeten zijn geweest bij zijn strijd tot behoud van de eigen katholieke Oosterhoutse levensstijl.
Het primaire doel van dit werkstuk is de drijfveren van Toon van den Bosch bloot te leggen. Het wijdere doel van dit werkstuk is een bijdrage te leveren aan het inzicht in het leven eind jaren veertig aan de vooravond van een dramatische verandering van het katholieke leven en de rol daarin van de katholieke leek. Toon van den Bosch eindigde al zijn ingezonden stukken met de opwekking: “Oosterhout, blijf jezelf en … wees groot”. Deze titel weerspiegelt de standvastigheid van Toon van den Bosch waar het gaat om het behoud van de katholieke levensstijl en zijn trots op de stad Oosterhout. Een betere titel voor dit werkstuk leek niet denkbaar.
2. Over de persoon Toon van den Bosch
2.1. De afkomst van Toon van den Bosch
Toon van den Bosch is in Oosterhout (Noord-Brabant) geboren op 3 oktober 1909 als zoon van Jan van den Bosch en Koosje Learbuch. Eerder dat jaar was Nederland verblijd met de geboorte van het prinsesje Juliana. Ook in 1909 kreeg de verzuiling verder gestalte met de oprichting van het Christelijk Nationaal Vakverbond en het Rooms-Katholieke Vakbureau 7). Toon kwam uit een gezin met veertien kinderen, van wie er vier vroeg stierven. Toon was de derde in de rij.
Jan van den Bosch was een kleine zelfstandige suikerbakker. In de bakkerij aan de Oosterhoutse Kloosterstraat werd handmatig suikergoed en snoepgoed gemaakt. Drie zonen, onder wie ook Toon, kwamen bij vader Jan in de bakkerij te werken. In tijden van drukte hielpen de andere kinderen mee, ook na hun trouwen. Door heel hard werken kon het gezin van den Bosch rondkomen. Ook al was het leven geen vetpot, toch hoorde het gezin Van den Bosch tot de middenstand.
Afbeelding 2: Het gezin van Jan van den Bosch en Koosje Learbuch
Het gezin Van den Bosch was zeer katholiek. ’s Avonds werd in de familiekring het rozenhoedje gebeden. Grote trots was zoon Jan, die kruisheer werd en naar Amerika werd uitgezonden. Soberheid was troef, ook al omdat men het niet breed had; alcohol kwam er niet in huis. Alle gezinsleden waren intensief bij de parochie betrokken: vader Jan was bij het kerkkoor en was ook kerkmeester, de jongens waren misdienaar en bij het jongenskoor, de meisjes bij de Heilige Familie en andere vormen van jeugdwerk. Ook op maatschappelijk terrein waren de gezinsleden actief: de jongens waren bijvoorbeeld bij de Jonge Middenstand en op toneel.
2.2 Het leven van Toon van den Bosch
Toon is net als zijn oudere broer Jan na de lagere school bij de Kruisheren op het college van het H. Kruis in Uden geweest. Na ruim twee jaar is Toon naar huis teruggekeerd. Onbekend is waarom. Thuis is hij ongetwijfeld in de bakkerij aan het werk gezet. Tegelijkertijd volgde hij middenstandscursussen. Toon heeft overwogen in de muziek verder te gaan 8). Hij was een getalenteerd violist, speelde in het Missie-orkest en gaf regelmatig muziekuitvoeringen. Plichtsbesef bond Toon echter aan de bakkerij. Daarin werkte Toon van ’s maandagmorgens tot ’s zaterdagsmiddags. Hij deed ook een stuk van “het kantoor”. Alleen met de Oosterhoutse kermis was hij even vrij.
Toon trouwde in 1940 met de Vlaamse Marie van Remoortere. Ze woonden eerst in de Kloosterstraat naast vader en moeder Van den Bosch. In 1948 verhuisden ze naar de eerste gemeentewoningen van na de oorlog op de Havenweg in Oosterhout. Ze kregen zes kinderen. Na het werk besteedde Toon veel aandacht aan zijn gezin. Elke zaterdagmiddag of zondag trok hij met zijn kinderen de polder of de bossen in. ’s Avonds na het rozenhoedje las hij voor en speelde viool.
Afbeelding 3: Toon leest voor aan zijn drie oudste kinderen onder wie de schrijver van dit werkstuk
Toon was een veelzijdig man en autodidact. Hij had een levendige belangstelling voor godsdienst, muziek, literatuur en kunst. In zijn boekenkast stond bijvoorbeeld een Bijbelse geschiedenis met prachtige tekeningen van Jos Speybroeck, de vierdelige Met de Heiligen het jaar rond met tekstbijdragen van Antoon Coolen en Anton van Duinkerken, het eveneens vierdelige Handboek der kerkgeschiedenis van kardinaal De Jong, verder platenboeken over schilders als Rembrandt en boeken over geschiedenis, literatuur en poëzie. Hij schreef gedichten en verhalen, leerde zich de Franse taal aan.
Toon had een zwakke gezondheid. Hij heeft - pas getrouwd - zware operaties moeten ondergaan en heeft daarvoor lange perioden in het ziekenhuis verbleven. Ook thuis moest hij vaak rusten. Voorzover dat kon, benutte hij de tijd om naar muziek te luisteren, te lezen, te dichten en vooral te bidden. Toon was vurig katholiek. Hij was een trouw kerkganger en koorzanger. Voor hem kon er maar één levensdoel zijn: als goed katholiek te leven en later in de hemel te komen om zo deelgenoot te worden in het eeuwig geluk. In die geest stierf hij na een lang ziekbed op 31 januari 1958, nog maar 48 jaar oud.
2.3 Een beeld van de tijd waarin Toon van den Bosch leefde
In het Interbellum kreeg de katholieke kerk in het kader van de verzuiling een grote, allesomvattende invloed op leven en werken van de katholieken. Ze werden in een fijnmazig netwerk van rooms-katholieke standsgebonden verenigingen georganiseerd. In die verenigingen hadden de parochiegeestelijken als geestelijk adviseur veel macht. Een belangrijk instrument was de Katholieke Actie met in elke parochie een Katholieke Actiegroep die de katholieke organisaties ordende en coördineerde 9). Toon van den Bosch was in Oosterhout lid van de Katholieke Actie. Het Interbellum was een periode van een triomfalistisch, offensief katholicisme. De geloofsbeleving van de gemiddelde katholiek had een sterk devotioneel karakter en bestond uit collectieve en vanzelfsprekende rituelen. Toch kreeg in deze periode de modernisering op alle terreinen de overhand, zoals de opkomst van het gemotoriseerd verkeer en het gebruik van de fiets. Door het verschijnen van de pauselijke encycliek “Quadragesimo anno” in 1931 won de overtuiging veld dat de belangen van kapitaal en arbeid bij elkaar moesten worden gebracht in een corporatistische orde 10).
De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan de verzuilde opbouw van de samenleving. Nadat de materiële tekorten van de eerste jaren na de oorlog op allerlei terrein waren ingelopen, het moeizaam proces van zuivering was afgesloten, de pogingen tot vernieuwing van de politieke partijstructuren grotendeels waren verzand door een vasthouden aan vertrouwde kaders uit het verleden, bleef de wederopbouw constante aandacht vragen. In 1950 was de oorlogsschade min of meer hersteld en was in de economie het voororlogse productieniveau weer bereikt 11). In Noord-Brabant werd in 1947 een Welvaartsplan uitgewerkt dat aansloot bij het nationale industrialisatieprogramma. Het provinciaal bestuur beklemtoonde daarin dat aan de bevolking in de eerste plaats in de eigen streek mogelijkheden om werk te vinden zouden worden geboden 12). In een voorstudie van het Welvaartsplan stond een kaart met de toekomstige industriële centra in de provincie Noord-Brabant. De randen van de cirkels lagen maximaal zes kilometer van het centrum verwijderd, zodat elke fabrieksarbeider met de fiets naar zijn werk kon gaan 13).
Ook in Oosterhout werd na de bevrijding in oktober 1944 de draad weer opgepakt. Hoewel er breed het gevoel leefde dat het anders moest dan vroeger, werd in een handomdraai de voororlogse sociaal-economische structuur weer opgebouwd. Ook het sociale en culturele leven was aan wederopbouw toe. De oorlogstijd had nogal wat losgeslagen. Groot waren de zorgen over de aantasting van het normbesef en vooral de ernstige bedreiging van de jeugd. De katholieke kerk was vooral bezorgd over de morele kwaliteit van de gelovigen en afnemende invloedssfeer van de katholieke organisatie. De overheid stelde de sociale politiek in dienst van de industrialisatie. Overheid en particulier initiatief vonden elkaar in eerste instantie in de volksopvoeding, gesubsidieerd door de overheid, inhoudelijk gestuurd en uitgevoerd door het verzuilde particuliere initiatief. “Gezinsherstel brengt volksherstel”, luidde in 1946 de leus 14).
3. Het gedachtegoed van Toon van den Bosch over het behoud van de katholieke levensstijl nader bekeken
3.1 Inleiding
Het gaat de opdracht voor dit werkstuk verre te buiten om een samenvatting te geven van alle bijdragen van Toon van den Bosch in zijn reeks “Gemeenschapsgedachten”. Daarom geef ik hier in drie paragrafen slechts de kernelementen uit zijn gedachtegoed weer: de eigen katholieke Oosterhoutse aard, de gevaren die de katholieke levensstijl bedreigen en de verantwoordelijkheid voor het bewaren en verstevigen van de eigen aard. Bij elke paragraaf plaats ik een of enkele typerende citaten uit de “Gemeenschapsgedachten” van Toon.
3.2 De zienswijze van Toon op de eigen katholieke Oosterhoutse aard
Voor Toon van den Bosch was Oosterhout een katholieke gemeenschap met een onveranderlijke katholieke levensopvatting. Hij gaat er van uit dat bij iedere Oosterhouter een diep verlangen leeft naar het rijke roomse leven. Wezenskenmerken van de katholieke Oosterhoutse aard noemt Toon godsliefde en godsvertrouwen. Hij kan zich niet voorstellen dat iemand deze katholiciteit zou willen prijsgeven. In alles behoort volgens hem de katholieke levensovertuiging voorop te staan. Dat geldt voor ieder persoonlijk, maar ook voor elk gezin. De katholieke sfeer in een gezin is in de ogen van Toon een van de voorwaarden van een gelukkig gezinsleven. Toon vindt het ook de roeping van de katholieken van zijn tijd om verder te werken aan de verchristelijking van het openbare leven. Omdat Oosterhout “het voorrecht heeft een gemeenschap te zijn die vrijwel geheel Katholiek is”, kan de eenheid van levensopvatting in de stad volgens Toon “veel dieper en inniger zijn en is de openbare mening een uitgesproken katholieke openbare mening. Juist als katholieke gemeenschap kan Oosterhout een voorbeeld zijn voor het vaderland”.
| |  |
Afbeelding 4: Fragment uit het Kanton van 28 augustus 1948
Ik geef hier twee typerende citaten waaruit de zienswijze van Toon spreekt. In het Kanton van 30 augustus 1947 schreef hij: “Dat ons geestelijk eigene, onze waarachtige godsdienstigheid ook mede door de gebeurtenissen van de laatste jaren belangrijk geleden heeft, zal niemand in twijfel trekken en daardoor is het diepste wezen van onze eigen Oosterhoutse aard in gevaar gebracht, daardoor zijn we bezig onszelf los te weken van de dierbare grond onzer vaderen, wij zijn aan het ontaarden en onze liefde voor het land aan het verkwanselen voor wat klatergoud. Het bewaren en verstevigen van onze eigen Roomse, Oosterhoutse aard is 'n gemeenschapszaak waaraan niemand zich onttrekken kan en waardoor wij allen onze vaderlandsliefde tot 'n levende werkelijkheid kunnen maken, tot zegen van Oosterhout en redding van ons Vaderland”. In het Kanton van 16 juli 1947 roemt Toon het initatief om in Oosterhout een openbare plechtige H. Sacramentsprocessie te houden als een mijlpaal in de ontwikkeling van het katholicisme in Nederland en Brabant en een aanwijzing om, “in aansluiting op hetgeen door onze voorouders met grote offers is bereikt”, verder te werken aan de verchristelijking van het openbare leven. Het brengt Toon tot het uitspreken van een gebed: “O Jezus, ook wij hier in Oosterhout zijn kinderen van onze tijd. Het is zo moeilijk om tegen de stroom op te roeien. Het kost ons zoveel inspanning om niet door de materialistische geest te worden meegesleurd. Heer, help ons hier in Oosterhout dat kinderlijke, rotsvaste geloof en diepe godsdienstzin te behouden, die toch steeds onze grootste rijkdom waren. Gij ziet het Heer, nu Gij door onze straten gaat, hoe Oosterhout aan het groeien is. Wij danken U daarvoor, want wij houden van onze stad. Laat het een groeien zijn tot Uw eer en onze zaligheid. Strek in deze plechtige ommegang Uw zegenende hand uit naar onze vaders en moeders, die nu met groot geloof en kinderlijk vertrouwen met al hun zorgen tot U komen. Zegen onze kleintjes die wij bij U brengen, die de vreugde van ons leven zijn en die ook Gij zo uitermate lief hebt. Geef overvloedige zegen, Heer, wij smeken het U met aandrang, aan onze jonge mannen, de vaders van morgen. Zij willen zo goed, maar zij hebben het zo moeilijk. Zegen vooral ook onze jonge meisjes, Heer, waarvan er steeds meer zijn die werken op kantoor en fabriek en die daardoor in een sfeer moeten leven die uiteraard zo weinig geschikt is om in hen die vrouwelijke deugden tot ontwikkeling te brengen, die wij in onze Moeders van morgen meer dan ooit nodig zullen hebben. Bescherm ook onze jongens in Indonesië en stel de vaders en moeders gerust, die toch voortdurend over hen in angst en zorg zitten. Zegen ook onze zieken en allen, Heer, die in groot verdriet zitten, laat het niet tevergeefs zijn wanneer zij in groot vertrouwen hun handen naar U uitstrekken. Wij willen U Meester, in deze eerste plechtige ommegang onze hulde brengen, nederig maar fier U vergezellen op deze tocht door onze straten, als onze Heer en Koning U volgen, nu Gij Oosterhout plechtig bezoeken wilt als bewijs van Uwe mateloze liefde voor ons. Want groot is de eer en de gunst die ons nu te beurt valt, nu Oosterhout zijn God en Heer plechtig in het openbaar ontvangen en huldigen mag. Ontvang dan op deze dag onze nederige hulde Heer, recht uit ons Oosterhoutse hart, tot meerdere eer en glorie van Uw naam en tot zegen van geheel onze Oosterhoutse gemeenschap”.
3.3 De gevaren die de katholieke levensstijl bedreigen
Er zijn vele en velerlei gevaren die de katholieke levensstijl bedreigen. Maar: “Wij zijn katholiek en dienen dat tegenover ieder vraagstuk te zijn”, is de houding van Toon. Hij signaleert evenwel dat het katholieke denken door de humanistische wind die door de wereld waait “vermaterialiseerd” is. Er heerst daardoor een mentaliteit van vervlakking en onverschilligheid op godsdienstig gebied. Het is volgens Toon dan ook niet te verwonderen dat we niet meer in staat zijn de materialistische geest van deze tijd te verstaan. Sterker, we staan er bij met de handen in de zakken. Toon wenst de gevaren niet uit de weg te gaan. Hij stelt de zedenverwildering in het bad- en strandleven aan de kaak en waarschuwt voor de slechte invloeden van film en dans. Hij pleit voor het in stand laten van de volksgebruiken “in hun volle schoonheid en goedheid”. Hij probeert de ogen te openen tegen het “materialistische gebral” en de “bedekt heidense invloeden” van (de) humanistische ideeën. Communisme is godloos en totaal verwerpelijk. De opvattingen in de moderne industrie over de plaats van de vrouw in de samenleving vindt Toon een rechtstreekse aanval op het gezonde gezin.
| |  |
Afbeelding 5: Fragment uit het Kanton van 16 oktober 1948
Toon sprak ernstige taal om zijn zorg over de dreigende teloorgang van de katholieke levensstijl te verwoorden. In het Kanton van 5 juli 1947 windt hij zich op als hij schrijft: “Maar we moeten ons er ook rekenschap van geven dat de zedenverwildering van onze tijd als een onheilspellende trillende naald op de barometer van de geschiedenis steeds dichter naar het einde van onze beschaving wijst. Wij kunnen ons in dodelijke angst of onverantwoordelijke onverschilligheid voor dit einde als stomme dieren laten meedrijven in deze onheilspellende stroom, intussen ons geweten sussend met uitvluchten waarin we zelf niet geloven, zoals “met zijn tijd meegaan”, “de bredere kijk op de dingen”, of “om erger te voorkomen”, maar we moeten er ons dan ook rekenschap van durven geven dat wij ons Katholicisme tot ’n caricatuur maken, dat wij bezig zijn ’n gevaarlijke barricade op te werpen tegen de bereiking van ons eigen levensdoel en dat van onze kinderen en dat wij voor de zieke wereld in plaats van het zout der aarde ’n smakeloze massa van laffe onverschilligheid zijn. Wij moeten eerlijk durven zijn”. In zijn laatste bijdrage van december 1949 fulmineert Toon: “Op alle gebieden van het leven zullen we bij vergelijking tot de ontdekking komen dat er bij ons Katholieken tegenspraak bestaat tussen leer en leven en dat wij in de praktijk van ons leven prachtige pioniers zijn voor de toekomstige communistische maatschappij”. Het meest verbazingwekkende voor Toon is nog dat “deze met een zelfmoordpoging gelijk te stellen houding van ons Katholieken” niet te verklaren is uit onwetendheid of te wijten is aan gebrek aan goede wil. De verklaring kan volgens hem alleen zijn dat, “wanneer wij vaststellen dat wij te materialistisch zijn, wij hoe langer hoe meer gaan denken zoals de mens denkt die geen geloof heeft, dat n.l. het wereldgebeuren slechts bepaald wordt door politieke, economische en militaire macht en dat wij vanwege onze onmacht op deze gebieden niet anders dan toeschouwer, supporters kunnen zijn bij de strijd om onze beschaving”. Toon noemt dit een grote vergissing. Niet macht en geld, maar denken en willen, de levensbeschouwing bepaalt het handelen. We zijn rasechte materialisten geworden, roept hij uit. “Wij missen het bergen verzettende geloof van onze voorouders”. En even verder: “Wij geven liever ons vertrouwen aan de groten van de wereld die ons nog nooit anders dan teleurgesteld hebben dan het eenvoudige middel te gebruiken dat de Moeder van de Waarheid ons gegeven heeft om de wereldvrede te winnen het gebed, het rozenkransgebed. Geloven wij nu werkelijk niet meer dat het woord van O. L. Vrouw oneindig meer waarde heeft en vertrouwenswaard is dan dat van tien dictators en U.N.O.’s samen? Gelooft Oosterhout O. L. Vrouw niet meer?”. Zonder het rozenkransgebed zal onze beschaving ten ondergaan, zo eindigt Toon. “En wie zal er bidden als wij het niet doen? Of zullen de Grote Vier het rozenhoedje bidden om O. L. Vrouw aan Haar woord te houden?”. Je zou er om kunnen lachen als het niet zo ernstig was bedoeld.
3.4 De verantwoordelijkheid voor het bewaren van de katholieke levensstijl
Uit de zienswijze van Toon van den Bosch spreekt het katholieke organische denken van die tijd: het gezin als de samenleving in het klein, de vaststaande taakverdeling tussen man en vrouw en onveranderlijke tradities als fundament. Toon gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het bewaren van de katholieke levensstijl en daarmee van de eigen katholieke Oosterhoutse aard. Hij gaat daar in voor. We moeten eerlijk durven zijn, stelt Toon, en ons niet willoos mee laten drijven met de “vooruitgang”. Een levenskunst, zo noemt Toon de taak van de vader en de moeder om in het gezin een ware katholieke sfeer te brengen. Net als een gezin moet ook Oosterhout zorgen voor een katholieke sfeer die “onontbeerlijk is voor een waarlijk Katholiek leven”. Dat is in de ogen van Toon vooral een taak “van al wat in onze Katholieke gemeenschap leiding geeft”, waarbij Toon de Kerk en de geestelijke verzorgers ziet als “eerste verzorgers van het godsdienstig leven”. Een “fijnbesnaard instrument” om de katholiciteit in Oosterhout te bewaren temidden van een “vermaterialiseerde” wereld noemt Toon de katholieke openbare mening. Verder te werken aan de verchristelijking van het openbare leven noemt Toon “de roeping van ons Katholieken van deze tijd”.
Toon begroet de bloeiperiode die Oosterhout tegemoet gaat, maar stelt daar tegelijk voorwaarden aan. In het Kanton van 30 augustus 1947 schreef hij bijvoorbeeld: “Mede door omstandigheden die voor 'n belangrijk gedeelte buiten onze Oosterhoutse gemeenschap liggen wordt het toch hoe langer hoe duidelijker dat onze stad ’n groeiperiode tegemoet gaat die wellicht van grotere omvang is dan wij nu nog kunnen vermoeden en wij zouden geen Oosterhouter zijn als wij deze mogelijkheden niet met grote vreugde zouden begroeten en onzelf geheel en al wilden inzetten om mee te werken deze mogelijkheden tot groei en zegen van Oosterhout te gebruiken. Hoe zou het ook ander kunnen. Evenals in 'n gezin al de gezinsleden met het wel en wee van het gezin meeleven, evenals heel het gezin zich verheugt wanneer de toekomst er goed uitziet, wanneer er mogelijkheden zijn om zich omhoog te werken en vooruit te komen, zo ook kan er geen Oosterhouter zijn die voor de gunstige omstandigheden die zich op dit ogenblik voor onze stad voordoen onverschillig blijven kan. Dat Oosterhout 'n Katholieke gemeenschap is en als een groot Katholiek gezin waarin deze te verwachten grote veranderingen te gebeuren staan kan voor ons niet anders dan 'n reden zijn om ons vanuit Katholiek oogpunt op deze veranderingen te bezinnen. Evenals 'n vader en moeder in 'n Katholiek gezin bij ingrijpende veranderingen in het gezin niet zo maar kalm afwacht welke invloed deze veranderingen op de sfeer in het gezin hebben zal, maar zich doelbewust tot taak stellen de veranderingen zodanig te benutten dat er de Katholieke sfeer door wordt versterkt en er toch zeker voor zullen zorgen van hun fijne gezinssfeer alle nadelige invloeden verre te houden, zo ook dient Katholiek Oosterhout bij zijn groei en ontwikkeling die voor de deur staat, doelbewust te streven naar het bewaren en verdiepen van de Katholieke sfeer in onze goede stad. Met doelbewust streven naar het bewaren en verdiepen van de Katholieke sfeer in Oosterhout bedoel ik dan, om het heel duidelijk te zeggen en geen gelegenheid tot verkeerd begrijpen te laten, dat ieder Oosterhouter in het openbare leven en zeker al wat daar leiding geeft: Raad van Advies, besturen van alle verenigingen op elk gebied, zich ten doel stellen het bevorderen en bewaren van deze Katholieke sfeer in onze stad en hiervan niet alleen 'n welomschreven programmapunt maken, maar 'n actiepunt dat boven aan de lijst staat en als leidraad dient bij al hun werken”.
4. Het gedachtegoed van de katholieke leek Toon van den Bosch geplaatst naast dat van de priester Dr. P.C. de Brouwer
4.1 Inleiding
Het is interessant om te weten of het gedachtegoed van Toon aansloot bij de opvatting over de katholieke levensstijl die in Noord-Brabant destijds bestond. In de Brabantse cultuur van de eerste helft van de twintigste eeuw speelde de priester Dr. P.C. de Brouwer 15) een grote rol als “ideoloog” en moderator van Brabantia Nostra 16). Ik put voor zijn gedachtegoed uit de artikelen van zijn hand, die bij gelegenheid van zijn 50-jarig priesterfeest verzameld en aan hem zijn opgedragen 17). Zoals we in de vorige sectie hebben gezien, vormen de eigen katholieke Oosterhoutse aard, de gevaren die de katholieke levensstijl bedreigen en de verantwoordelijkheid voor het bewaren en verstevigen van de eigen aard vormen de kern van het gedachtegoed van Toon van den Bosch, zoals dit naar voren komt in zijn serie “Gemeenschapsgedachten” in het Kanton. Om vergelijking mogelijk te maken zal ik de opvatting van Dr. De Brouwer groeperen rond dezelfde drie kernelementen.
4.2 De Brabantse ziel
“In ietwat dichterlijke trant gezegd”, zo schreef Dr. P.C. de Brouwer, “is Brabant ons een lied met vele en velerlei thema’s, maar de toon, waarin dat lied staat, is de katholieke” 18). Volgens De Brouwer zijn “Brabants” en “katholiek” “ongeveer synoniem”. De voornaamste inhoud van Brabants bewustwording is dan ook zijn zich-volledig-katholiek-weten, zoals De Brouwer het noemt. En uit dat zich-katholiek-weten komt de drang voort “om als katholiek de moderne problemen te omvatten en te bemeesteren en de sociale chaos tot een katholieke maatschappij-ordening te brengen”. In de ogen van De Brouwer leunt het katholicisme tegen het Brabantse wezen aan en krijgt de geloofsbeleving daardoor zeer sterk een Brabantse kleur 19). “Ondanks dat ons arm volk zijn fierheid had verloren in de eeuwen van verdrukking, had het wel zijn katholicisme ongerept bewaard”, schrijft De Brouwer op een andere plaats 20). “Het behield met zijn Katholicisme zijn opgewektheid van leven, zijn gemoedelijkheid, zijn eenvoud, zijn gastvrijheid, en óók, óók zijn diepte van ziel. Want de eeuwigheids-gedachte bestraalde zijn leven als een zon van troost en opbeuring”. De Brouwer rangschikt de Brabantse volksgroep niet onder het reflexieve, maar onder het intuïtieve type 21). Die intuïtieve trek komt het meest aan het licht op godsdienstig gebied. Brabanders hebben in de ogen van De Brouwer aanleg voor mystiek en zijn zelfverzekerd en trouw in hun geloofsopvatting. “En men mag vragen, of juist die trouw, die goede trouw niet als zijn schoonste bezit moet gelden en niet de bron is, waaruit heel het Brabantse zedelijk leven opborrelt. De trouw aan zichzelf, de trouw aan de gemeenschap, de trouw aan God. En de trouw aan God als het fundament van de trouw aan de gemeenschap en aan zich zelf” 22).
| |  |
Afbeelding 6: Boek "De Brabantse ziel"'
4.3 Niet gerust op de toekomst
“Wij liggen open naar alle kanten en de stroom van allerhande nieuwe dingen van onwaarde komt over ons heen gezwalpt”. Ook Dr. De Brouwer is niet gerust op de toekomst. “Al deze dingen bedreigen onzen ouden geest van eenvoud en soberheid en - wat erger is - ook ons schoon brabants geloof” 23). En de Brabanders met hun intuïtief aangelegde natuur zijn daar in de ogen van De Brouwer extra gevoelig voor. “Daar is vooreerst het verbruik van veel energie, als zij aan den arbeid tijgen. Waarbij dan in korte tijd wel veel werk wordt verzet, maar de bedreiging er is, dat na de intensieve werk-vlaag de rust intreedt en alle energie schijnt óp te zijn. En dat is het misschien wel, wat de intuïtieven bij de anderen het meest in discrediet brengt. Het lijkt aan anderen een gemis aan doorzettingsvermogen, een soort van onbetrouwbaarheid. Dat is evenwel niet zo. Het weten daarvan is alleen een aansporing voor den intuïtieve, voor den Brabander ook, om zichzelf te controleren, zich aan tucht te gewennen”. En even verder: “Dan is daar verder de begeestering die den intuïtieve bij zijn vondsten en veroveringen kan aangrijpen als een machtige vreugde en blijheid. De blijheid is eigenlijk een gevoel en slechts een begeleidend verschijnsel bij de intuïtie, maar in de onbewaakte ogenblikken helt dat gevoel over tot uitbundigheid en verovering van het psychische terrein, zodat het tot het lagere afdaalt, in het verkeerde kan terecht komen en verworden tot bon-vivant-houding. Het is daarom ook eis voor den Brabander zich met geweld in de realiteit, in de objectiviteit van het gebeuren te dwingen. De werkelijkheidszin en de nuchterheid moet den Brabander bij voortduring worden voorgehouden” 24).
De Brouwer maakt zich ook druk over de gevolgen van de industrialisatie. “Rond de wending van de eeuw begon in Brabant de industrie, die er al lang geleden schuchter haar intrede had gedaan, haar vleugels uit te slaan, en een aanzienlijk gedeelte van de bewoners ging uiteen in werkgevers en arbeiders”, zo schrijft hij 25). “Op de werkgevers kreeg het economisch liberalisme vat - het kon haast niet anders -, tevens dreigde daarmee de besmetting met de levenssfeer van de ambtelijke rationalisten en liberalisten. En inderdaad drong in de nieuwe Brabantse geldadel de liberale onkerkse levensstijl binnen. Met welken levensstijl samenhangt, dat men al het vreemde hoger acht dan het eigene, ook hoger dan het katholieke, of dat dan universiteit of krant of radio-omroep, welhaast ook: film heet. Aan de andere industrie-pool, bij den arbeider, kwam het Socialisme lokken en later het Communisme. Nu is de Brabander meegaand, en dat wordt hem vaak noodlottig, hij is opgewekt en lustig, en daarmee slaat hij wel eens tot laksheid uit. Maar de vastheid van het Katholieke geloof heeft bij den brabantsen arbeider een massal overgang naar Socialsme of Communisme verhoed”.
4.4 Brabants bewustzijn versterken
De Brouwer wil de bedreigingen van het katholieke leven tegemoet treden door het Brabantse bewustzijn, het gevoel van eigenwaarde, de fierheid te versterken 26). “Wij willen kweken: de zin om wat er bij ons binnenkomt, te keuren, en, als het met onze oude cultuurwaarden niet overeenkomt, het te verwerpen. In heel veel gevallen moeten wij komen tot een krachtig welbewust verzet tegen het vreemde, tot de durf om brabants te zijn, tot de beslistheid om, met eerbiediging van het goede elders, het brabantse wezen te aanvaarden als een eigen, groot goed. Bij dit alles moeten wij kennen: onze vaak te gerede meegaandheid, het gevaar van los te veren, als de remmen worden weggetrokken, maar wij vinden het helemaal niet erg, als men ons verwijt: gemis aan demonstratie-vermogen, en, dat wij minder voelen voor parade en parade-pas”. En even verder: “Zie ik goed, dan is de eerste vraag voor ons: dat onze voorgangers echte Brabanders zijn, staande midden in hun volk, wars van alle schijnontwikkeling, met een open oog voor alle goede kanten, ook van de gebreken van hun volk. Echte voorgangers zijn er nodig, met idealisme en schoon geloofsbesef, niet content en indommelend als het passende baantje veroverd is. En met deze vraag wordt er tegelijk geklopt aan de loketten van onze eigen brabantse pers, die de plicht heeft de aanfladderende kwade geesten te bezweren, ook met opoffering van gewin; die ons volk moet beschermen en zuiver dient aan te voelen de vezels van het brabantse wezen”. Het beste middel om hem daartoe te brengen is volgens De Brouwer: “Hem zijn eigen Brabantsheid bewust te maken, wat met andere woorden hetzelfde is als: hem te wijzen op de trouw aan zichzelf als zijn sterkste kracht” 27).
| |  |
Afbeelding 7: Dr. P.C. de Brouwer
We vinden het gedachtegoed van Dr. P.C. de Brouwer een reeks van jaren later ongeschonden terug in “
Het Nieuwe Brabant" 28). Hij signaleert een massale afglijding in Brabant. Geloofsafval zou betekenen “een heengaan van de voornaamste eigenheid van het Brabantse, ja - daar heeft het alles van - van zijn wezenskenmerk. Van zijn schoonste glorie bovendien”. Hij vervolgt: “En ten andere stijgt boven de drempel van het Brabantse bewustzijn de benauwende vraag, of wij niet allen mee-afglijden en meezeulen in de langzame verschuiving van de waardering der levens-aspecten”. De Brouwer is verontrust dat de “wegslag” naar stedelijk streven en naar industrie voert naar materialisme en ongeloof en boosheid: “De wijde wereld is Brabant binnengetreden”. Hij roept op tot bezinning op middelen om de luister van het gewest te bewaren, zo mogelijk te verhogen. Als middel kan daartoe in zijn ogen niet alleen dienen het versterken van de welvaart: “Het staat proefondervindelijk vast, dat daardoor de geest niet zegeviert”. “Er moet gewerkt worden aan de Brabantse geest”, vindt De Brouwer.
4.5 De priester en de leek zij aan zij
Bij vergelijking van het gedachtegoed van de priester De Brouwer met dat van de leek Toon van den Bosch valt op hoezeer ze schrijven vanuit dezelfde geloofsovertuiging en bezieling. Ze spreken in veel gevallen ook dezelfde taal. Beiden noemen de trouw van de Brabander aan zijn geloofsopvatting “als zijn schoonste bezit”. Ze zijn allebei ernstig bezorgd over de besmetting met de levenssfeer van de liberalisten (De Brouwer) en de humanisten (Toon). Om de bedreigingen van het katholieke leven tegemoet te treden wil De Brouwer het Brabants bewustzijn versterken. Ook Toon wil zich niet willoos mee laten drijven met de vooruitgang. Ik zie De Brouwer en Toon van den Bosch zij aan zij in hun strijd voor het behoud van het karakter van Brabant als katholiek gewest.
5. De drijfveren van Toon van den Bosch als katholieke Oosterhoutse leek in zijn strijd voor het behoud van de eigen katholieke Oosterhoutse levensstijl
5.1 Inleiding
Het is moeilijk de drijfveren van Toon van den Bosch bloot te leggen in zijn strijd als katholieke Oosterhoutse leek voor het behoud van de eigen katholieke levensstijl. Ik beschik namelijk over niet meer dan zijn geschriften en beperkte persoonlijke herinneringen aan hem. Toch doe ik een poging tot analyse. Daartoe ga ik de ontwikkeling van Toon na wat betreft zijn opvoeding, zijn talenten, zijn geloofsovertuiging en zijn verantwoordelijkheidsgevoel. De overweging van een en ander moet tot een conclusie leiden over de drijfveren van Toon als katholieke Oosterhoutse leek in zijn strijd voor het behoud van de eigen Oosterhoutse katholieke levensstijl.
5.2 De geroepene
Toon heeft geleefd in de tijd van het Rijke Roomse Leven. De kerkelijke kalender bepaalde het ritme van het leven. De vieringen met hun vaak uitbundig ritueel gaven kleur aan het leven. Zondebesef en schuldgevoel hielden de mensen in het gareel. In het Oosterhout van toen waren vrijwel alle inwoners katholiek. Het gehele dagelijkse leven stond in het teken van de geloofsbeleving. Het gezin Van den Bosch nam daar voluit aan deel. Toon is opgevoed in de overtuiging van de suprematie van de katholieke kerk en de eeuwige en onveranderlijke waarden van het katholieke geloof en in het streven naar het eeuwig geluk in het hiernamaals. Toon was een oprecht gelovig mens, bij wie het geloof ongetwijfeld diep was geïnternaliseerd en niet beperkt tot een devotionele buitenkant. Het geloof was voor hem werkelijk de bron van leven en bezieling.
Na de lagere school is Toon, nog pas twaalf jaar oud, met zijn één jaar oudere broer Jan naar het College van het H. Kruis in Uden gegaan. Jan wilde missionaris worden, vertelde mij Harrie, een jongere broer van Jan en Toon. Het is niet bekend waarom ook Toon mee naar de Kruisheren in Uden ging. Mogelijk speelde een rol dat het Udens college een vrij priestercollege was waar roepingen eerst konden rijpen. In ieder geval moet Toon zich in een of andere vorm geroepen hebben gevoeld. Gezien zijn ontvankelijke en gevoelige leeftijd moet het op de vorming van Toon grote invloed hebben gehad losgeweekt te worden van de beschermde omgeving van thuis en op te gaan in een jongenswereld met de belofte van roeping en wijding.
Na twee jaar en drie maanden is Toon naar huis teruggekeerd. De vraag is wat daarvan de reden is geweest. Ik kan niet geloven dat “Uden” een bevlieging van Toon was. Dat zouden zijn vader en moeder wel hebben doorzien. Er moet iets anders aan de hand zijn geweest. Dat Toon als gevoelige jongen het niet heeft volgehouden, zal bijvoorbeeld eerder aan heimwee hebben gelegen. Het is zelfs denkbaar dat Toon er door ziekte enige tijd uit is geweest en daarna moeilijk meer kon aansluiten. Niettemin veronderstel ik dat een sterk gevoel van roeping in hem levend is gebleven. Ik heb zelfs het gevoel dat dit een belangrijke drijfveer kan zijn geweest om later - maar dan als leek - in de bres te springen voor het behoud van de katholieke levensstijl.
Ik zie Toon dus om te beginnen als een geroepene.
5.3 De roepende
Toon van den Bosch was een veelzijdig mens. Als echtgenoot en vader, als medewerker van de bakkerij en als deelgenoot in maatschappelijke verbanden stond hij midden in het volle leven. In de schaarse vrije tijd waarover hij beschikte, ging de belangstelling van Toon vooral uit naar kunst en cultuur. In hem leefde de drang zich uit te drukken: met name als violist en als dichter en schrijver. Zijn gedichten ademen de sfeer van Gezelle met een sausje Vondel. In zijn teksten gebruikte Toon veel mooie woorden en lange zinnen. Schrijflust kan hem niet worden ontzegd.
De vraag is hoe ver de kennis van Toon reikte over de ontwikkelingen om hem heen. Uit zijn “Gemeenschapsgedachten” blijkt dat hij in ieder geval de krant las. Mogelijk was dat overigens slechts het Kanton, omdat de kosten van een abonnement op een dagblad er niet af konden. Verder is onbekend wat Toon onder ogen kwam. Hij blijkt in zijn stukken in ieder geval wel goed op de hoogte van wereldpolitiek en van de discussie over de industrialisatie van Noord-Brabant. Wellicht bezocht hij lezingen van de Brabantia Nostra-beweging hierover. Waarschijnlijk nam Toon ook deel aan voorlichting en discussies van zijn standsorganisatie en in de kring van de Katholieke Actie. Heeft Toon “den Doctor” (De Brouwer) ooit aanhoord of zijn artikelen gelezen? Frappant is wel hoezeer het gedachtegoed van Toon als jonge leek in het verlengde ligt van dat van de oude priester.
Afbeelding 8: Toon van den Bosch als violist
Toon zag vele gevaren die de traditionele - in zijn ogen onveranderlijke - katholieke levensstijl bedreigden. Grote boosdoener was in zijn ogen het uit het Westen gekomen materialistisch humanisme, waarin niet meer God, maar de mens centraal staat. Vervlakking en zedenverwildering maakten de mensen tot moderne heidenen voor wie nog slechts een levensleegte zou resten. Vanuit het Oosten rukte het godloze communisme op, dat de mens, met name de vrouw, louter als productiefactor beschouwde. Toon voelde de dreiging van die jaren zwaar op zich rusten. Ik zie daarbij ook het gekwelde gelaat van de toenmalige paus Pius XII voor me. Toon zag zich gesteld als tegenover een dam die op doorbreken stond. In de woorden van Toon zijn geen sporen te vinden van hoop op verandering en vernieuwing, maar louter bezwerende oproepen tot behoud. Toon kan in zekere mate een cultuurpessimist worden genoemd 29).
De redding van Brabant lag voor Toon in de verchristelijking van het openbare leven en een op katholieke waarden gebaseerde industrie. Hij roept zijn lezers op straffe van ondergang op alles in het werk te stellen om Brabant voor Kerk en Land te bewaren. Toon is niet alleen een overtuigd katholiek, maar heeft ook de moed als een van de weinigen daar in het openbaar voor uit te komen. Hij beschouwt de beïnvloeding van de openbare mening als hét middel om zijn doel te bereiken. Toon stond op zichzelf; ik heb niet de indruk dat hij veel omgang had met de geestelijkheid. Hij moet de inspiratie voor zijn strijd hebben geput uit zijn eigen geloofsovertuiging en zijn oprechte zorg over de bedreiging van de katholieke levensstijl. Het is zeker heel bijzonder te noemen dat hij als katholieke leek in het openbaar zo uitdrukkelijk en consequent voorging in het nemen van verantwoordelijkheid.
Ik zie Toon dus ook als een roepende.
5.4 De levenskunstenaar
Toon was een vurig katholiek, exponent van het Rijke Roomse Leven. Bovendien was Toon een man met roeping. Van zijn schrijftalent maakte hij gebruik om zijn grote zorg om het behoud van de katholieke levensstijl te verwoorden. Hij bezat de moed om zijn opvattingen openbaar te maken en een appèl te doen op zijn katholieke plaatsgenoten. Het is verbazingwekkend wat Toon heeft gedaan. Het is ook vervuld van dramatiek: Toon schrijft bijna tegen beter weten in. Ik zie hem niettemin als een levenskunstenaar. De drijfveren van Toon van den Bosch kunnen niet beter worden ervaren dan bij het lezen van het onderstaand gedicht.
| | |
| Mocht ik de beelden die mijn ziel beroeren |
| en klaar en helder voor mijn ogen staan, |
| mocht ik ze bindend in m’n woorden snoeren |
| om als geluk naar anderen te gaan. |
| | |
| Mocht ik den wilden woordenstroom bestemmen |
| die recht uit ’t harte mij ten kele springt, |
| z’n woest en ongebreideld bruisen remmen |
| en rustig leiden zo mijn ziele zingt. |
| | |
| Ik zou dan zingen mijne schoonste zangen |
| van bos en veld en zon, van mensenmin |
| en leed en hardheid en hun groot verlangen. |
| | |
| Ik liet de wilde winden gieren, liet de spin |
| met kantwerk sieren, bovenal zou ’k vieren |
| Hem die alles ’t aanzijn gaf en zin. |
NOTEN
| 1. Het werkstuk van Cockie van den Bosch ging over Jan van den Bosch, kruisheer in Amerika. Cockie beschreef in dit werkstuk hoe onze Heeroom vanuit Amerika de band met zijn familie in Nederland onderhield. Kruisheer Jan van den Bosch was een broer van Toon van den Bosch. Pim Buwalda maakte een werkstuk over de Sint Annakapel in Molenschot. |
| 2. Mijn familieboek “Bruidsuiker” is in te zien via www.janvandenbosch.com. De reeks “Gemeenschapsgedachten” is te vinden op de verhalenpagina van het familieboek. Op deze verhalenpagina zijn ook de gedichten en verhalen van Toon van den Bosch bijeen gebracht. Op de personenpagina van het familieboek is een fotoreportage over Toon van den Bosch te zien. Klik daarvoor op Antonius Franciscus Josephus Marie van den Bosch. |
| 3. Kanton van 8 november 1947. |
| 4. Kanton van 14 mei 1949. |
| 5. Kanton van 5 juli 1947, 2 augustus 1947, 30 augustus 1947, 4 oktober 1947, 24 januari 1948, 31 januari 1948, 4 december 1948, 16 juli 1949, 26 november 1949 en 3 december 1949. |
| 6. Kanton van 21 augustus 1948, 28 augustus, 18 september 1948, 25 september 1948, 2oktober 1948, 9 oktober 1948 en 16 oktober 1948. |
| 7. Prisma Kalendarium. Geschiedenis van de Lage Landen in jaartallen, Utrecht 1995. |
| 8. Marinus de Jong, componist en musicus te Antwerpen, oorspronkelijk afkomstig uit Oosterhout, schreef Toon van den Bosch op 6 juni 1936 hem graag het gevraagde onderhoud te willen toestaan. Hij voegde daar aan toe: “Ik moet u echter meedelen, tot mijn spijt, dat uwe plannen om violist van beroep te worden, in dezen tijd wel wat gevraagd schijnen. Hoeveel 1e prijzen der Conservatoria wachtten soms niet vruchteloos om een kleine betrekking in een orkest of cabaret-orkestje te kunnen verwerven. Indien u te oud zou zijn, kunt u ook niet op het Conservatorium te Antwerpen aangenomen worden; daarbij moet u vele andere klassen volgen; ook zijn de examens zeer zwaar. U moet dus zelf maar beslissen of u deze bezwaren kunt vereffenen en trotseren”. |
| 9. Nissen, P.J.A., Het rijke Roomse leven, in: Van den Eerenbeemt, H.F.J.M., red., Geschiedenis van Noord-Brabant, II (Amsterdam, 1996) 317-333. |
| 10. Van den Eerenbeemt, H.F.J.M., Slotbeschouwing: drijvende krachten in de samenleving, in: Van den Eerenbeemt, H.F.J.M., red., Geschiedenis van Noord-Brabant, II (Amsterdam, 1996), 419-431. |
| 11. Van den Eerenbeemt, H.F.J.M., Inleiding: het historisch kader, in: Van den Eerenbeemt, H.F.J.M., red., Geschiedenis van Noord-Brabant, III (Amsterdam, 1996), 13-25. |
| 12. Veraghtert, K.F.E, Industriële spitstechnologie vervangt traditionele bedrijfstakken, in: Van den Eerenbeemt, H.F.J.M., red., Geschiedenis van Noord-Brabant, III (Amsterdam, 1996), 174-190. |
| 13. Walravens, J., “Een belangrijk werk vraagt uw aandacht. Het Nieuwe Brabant als getuige van een verleden tijd, in: Brabants Heem, 47 (1995) 125-134. |
| 14. Gorisse, J.J.A.M., Van patronaat tot onderneming. Welzijnswerk in Oosterhout in de 20e eeuw (1997). |
| 15. Petrus Cornelis ('Piet') de Brouwer werd op 17 oktober 1874 te Hilvarenbeek geboren. Hij ging in 1887 naar het internaat De Ruwenberg te St. Michielsgestel, werd in 1892 novice (frater Respicius) bij de Fraters van Tilburg, en werd op 18 december 1897 tot priester gewijd. Hij werd toen pater M. Respicius de Brouwer. Tussen 1892 en 1939 heeft hij in Tilburg gewoond en gewerkt. Hij werd in 1900 rector van het in 1899 opgerichte R.K. Gymnasium te Tilburg, waaruit in 1917 het Sint Odulphuslyceum is voortgekomen. Hij bleef daar leraar klassieke talen tot zijn pensionering in 1939. Hij heeft ook bijgedragen aan de verhuizing van de R.K. Leergangen van Den Bosch naar Tilburg (1913) en de oprichting van de Handelshogeschool in 1927. In 1927 richtte hij te Tilburg ook het literaire tijdschrift Wij op, dat slechts een jaar bleef bestaan. Van 1922-1939 was hij censor van de R.K. Openbare Leeszaal te Tilburg. De Brouwer was ook verbonden aan het Brabantse Studentengilde (opgericht 1926) en aan het tijdschrift Brabantia Nostra (opgericht 1935), dat wil zeggen Brabant aan ons. De Brouwer promoveerde in 1911 te Utrecht cum laude tot doctor in de klassieke talen op de dissertatie De Romanorum indole e litteris cognoscenda (Groningen, 1911). Andere boeken van hem zijn: Mijn redelijk schoon geloof (1912) en De Grieksche en Latijnsche Syntaxis, linguistisch, historisch en psychologisch belicht (1935). Hij publiceerde vele artikelen in tijdschriften, zoals Wij, Roeping, Brabantia Nostra, Edele Brabant en de Tilburgse studentenbladen De Dijk en Viking. Bij gelegenheid van zijn 50-jarig priesterfeest in 1947, werden artikelen van hem gebundeld uitgegeven in De Brabantse Ziel (Tilburg, Henri Bergmans). In 1939 verhuisde hij naar zijn geboorteplaats Hilvarenbeek, waar hij in 1947 het boek De geschiedenis van Hilvarenbeek tot 1813 schreef. Hij bleef er tot kort voor zijn dood wonen. De Brouwer overleed op 19 november 1961 te Tilburg. In Hilvarenbeek werd een monument voor hem opgericht. |
| 16. Het tijdschrift Brabantia Nostra werd in 1935 tijdens het tiende zomerkamp van het Brabants Studenten Gilde van Onze Lieve Vrouw, te Oirschot opgericht. De Brabantia Nostra-beweging kwam vooral tot stand onder de bezielende leiding van hun onofficiële moderator de priester-classicus dr. P.C. de Brouwer, die een soort inheemse intelligentsia wilde kweken en voor Brabant behouden, als een soort verzameling stoottroepen voor een nieuw zelfbewustzijn, en uit de kringen rond de studentenvereniging St. Leonardus van de door dr. H. Moller gestichte R.K. Leergangen te Tilburg, waarin de artistieke priester F. Siemer een grote rol speelde. Tegen de achtergrond van roomse opgang en een groeiend gewestelijk zelfbewustzijn, het 'Brabantisme', ontstond het tijdschrift Brabantia Nostra. In de redactie zaten Frans van der Ven, Geert Ruygers, Jef de Brouwer (in 1933 voorzitter St. Leonardus; geb. Tilburg 1910), Toon Wijffels, LUC van Hoek en Paul Vlemminx (Ferdinand Smulders). De Tilburgse dichter Van der Ven was redactiesecretaris van de eerste jaargang, en vanaf de zesde jaargang redactiesecretaris/hoofdredacteur. Het blad besteedde aandacht aan culturele, religieuze en historische onderwerpen. Bekende uit Tilburg afkomstige of wonende auteurs waren onder anderen: LUC van Hoek (ook als tekenaar), Frans van der Ven (onder pseudoniem van Frank Valkenier), Maria Dietse (Oda Swagemakers), Frans Siemer, L.C. Michels, Joep Naninck en Anton Eijkens. De eerste drie jaargangen (tot en met 1937 nr. 2) werden uitgegeven door Boekhandel Triborgh te Tilburg, de volgende door Drukkerij Henri Bergmans te Tilburg. In juli 1942 verdween het tijdschrift voor twee-en-een-half jaar van het toneel, naar aanleiding van de gijzeling van Frans van der Ven en Jef de Brouwer. Na de bevrijding werd het tijdschrift vanaf november 1944 nog eenjaar voortgezet. Eind 1945 nam een groep jonge Brabanders het initiatief tot de oprichting van een 'Brabantse Beweging', los van Brabantia Nostra. Een van de initiatiefnemers was J. Bechtold, hoofdredacteur van de NTC in Tilburg. In augustus 1946 verscheen het eerste nummer van het gezinsblad Edele Brabant, een voorzetting van Brabantia Nostra en teven het orgaan van de Brabantse Beweging. Hoofdredacteur was de jonge Hilvarenbeekse onderwijzer Jan Naaijkens. In de redactie zaten ook de Tilburgers Piet Mutsaers, die apotheker was, P. van der Velden, pastoor van de Fatima-parochie te Tilburg, de dichter Anton Eijkens, P. Lemmens, geschiedenisleraar aan het Sint Odulphuslyceum en Koos Neesen, die bij uitgeverij Bergmans werkte. In 1950 hield het blad op te bestaan en er werd nog een poging gedaan om Brabantia Nostra weer te laten verschijnen. Er zouden nog twaalf nummers verschijnen. In 1952 is het nieuwe tijdschrift Brabantia ontstaan, voortgekomen uit Brabantia Nostra en het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen te 's-Hertogenbosch. Dit tijdschrift, dat jarenlang bij Drukkerij Bergmans werd gedrukt, bestaat nog steeds. Literatuur: Dr. J.L.G. van Oudheusden, Brabantia Nostra een gewestelijke beweging voor fierheid en 'schoner' leven 1935-1951, Tilburg, 1990. |
| 17. De Brabantse ziel, (Tilburg 1947). |
| 18. Brouwer, P.C. de, “Hoe wij Brabant zien”, Roeping, (1929). |
| 19. Brouwer, P.C. de, “Bewustwording en bewustzijn in Brabant”, Gildenummer “R.S.B.” (1932). |
| 20. Brouwer, P.C. de, “Overweging over de cultuur in Brabant”, Brabantia Nostra, 14 (1936). |
| 21. Brouwer, P.C. de, “Het Brabantse zicht”, Brabantia Nostra, 1 (1937). |
| 22. Brouwer, P.C. de, “De Brabantse ziel”, Brabantia Nostra, 9 (1941). |
| 24. Brouwer, P.C. de, “Het Brabantse zicht”, Brabantia Nostra, 1 (1937). |
| 25. Brouwer, P.C. de, “Wat is Brabantia Nostra”, Brabantia Nostra, 16 (1937). |
| 26. Brouwer, P.C. de, “Overweging over de cultuur in Brabant”, Brabantia Nostra, 14 (1936)' |
| 27. Brouwer, P.C. de, “De Brabantse ziel”, Brabantia Nostra, 9 (1941). | |
| 28.Brouwer, P.C. de, “Het Brabantse volk” in: J.E. de Quay e.a., red, Het Nieuwe Brabant II (’s-Hertogenbosch 1953) 5-28. |
| 29. In “Kerkvorst zonder vrees” (Elsevier 9 april 2005, 14, p. 28-33) schrijft Gerry van der List bij gelegenheid van het overlijden van paus Johannes Paulus II onder meer: “ … Op zedelijk terrein droeg hij inderdaad een conservatieve moraal uit. Maar hij kritiseerde ook de moderne cultuur met haar materialisme, genotzucht, individualisme en vrijheidsdrang. Hij meende dat mensen zich in de huidige samenleving teveel laten leiden door eigenbelang. Van het kapitalisme, dat hebzucht stimuleert en gemeenschapszin ondermijnt, moest de christen-radicaal Wojtyla niets hebben. Een waarachtige ethiek was volgens hem gebaseerd op naastenliefde, waarbij de behoeften van de medemens centraal staan”. Ik herken hierin dezelfde boodschap als die van Toon. In die zin is er ook sprake van continuïteit in opvattingen. |