WAAROM? DAAROM!
Publicatie bij gelegenheid van de familiereunie op 14 september 1985 in Oosterhout
Oosterhout, 14 september 1985.
Beste familieleden,
In uw hand houdt u het reünieboekje. De inhoud bestaat o.a. uit: foto's en fotokopieën; intervieuws met (ome) Harry, (ome) Gerrit en (tante) Annet; géén intervieuw met (tante) Mien, die was juist in het ziekenhuis opgenomen toen die gemaakt werden; adressen van de komplete familie; cartoons en het feestlied. Graag wil de feestcommissie van deze gelegenheid gebruik maken om alle mensen die aan het welslagen van dit feest hebben bijgedragen, te bedanken. Die hulp is ons in velerlei vorm geboden: hand- en spandiensten, uitleen van materiaal, taarten bakken, salades maken, mazzletjes bij inkoop, schrijven, tekenen en vermenigvuldigen van het boekje, aanleg van geluid en licht, fotograferen en nog veel meer. Namen willen we niet noemen want je vergeet altijd wel minstens een en dat willen we niet. Maar zonder al die hulp hadden we het niet gered. Bedankt dus. Nogmaals willen we iedereen van harte welkom heten. We hopen dat we er samen een onvergetelijke dag van kunnen maken. Veel plezier.
De feestkommissie.
1. Harrie van den Bosch
door Jan van den Bosch
"Toen ik een jaar of tien, elf was, ging ik verschrikkelijk graag naar school. Of dat nou uit leergierigheid was, dat weet ik niet. In de vierde klas konden we bijles krijgen, Frans. Ik vond het prachtig als dat zou kunnen. Maar toendertijd kon het bij ons thuis niet veel lijden. Ik vroeg het thuis aan ons moeder. Die zou het aan ons vader vragen, 's Avonds nog zei ons vader zelf tegen mij: "Zou jij die Franse les willen volgen?" Ik: "Ja, heel graag." Hij: "Dat mag dan." Dat is iets, wat ik me nog goed kan herinneren ... Ik was zeven jaar, toen we naar de Kloosterstraat verhuisden. Daarvoor woonden we op de Zandheuvel, ongeveer bij Van Dongen-De Louw, tegenover de lagere school. Ik was een jaar of zes en toen heb ik een keer mijn been gebroken. Ik kon heel slecht lopen en ben van de trap gevallen. Dokter Liebergen en mijn vader hebben toen thuis eerst mijn been gezet. Ik kan me nu nog herinneren, hoe zeer dat deed. En daarom kon ik toen ik zes was niet meteen naar de lagere school, maar pas een jaar later. Intussen zat ik boven en kon ik aan de overkant precies onze Dré in de klas zien zitten. Dat was heel gezellig. Toen ik op school kwam, moesten we onze Eerste Communie doen. Daar kregen we vrij voor, toen hoefden we niet naar school en dat vond ik heel erg. Van ons vader mocht ik toen wat fondant harten en ander snoep naar de mensen gaan brengen ... Mijn oudste herinnering is uit de tijd van de eerste wereldoorlog. Oom Gerard was bij de Cavalerie. We stonden eens een keer voor het raam te kijken, ik op een stoel, en toen kwam Oom Gerard met zijn paard de stoep op. Het was natuurlijk een fantastisch gezicht, zo'n grote paardekop voor het raam ... Ons vader is eigenlijk met een kwaaie kop op een gegeven moment voor zichzelf begonnen. Hij werkte bij Smits Van Gils, daar was hij in de fabriek als vakman. In de weekends maakte hij wat snoepgoed voor zichzelf, iets wat hij met de hand makkelijk kon, en dat werd aan huis in de Zandheuvel verkocht. Daar werden dus een paar centen mee bijverdiend. Smits Van Gils had dat gehoord en die wilde niet meer hebben, dat dat gebeurde. Toen is mijn vader daar weggegaan en heeft hij een bedrag van vijfhonderd gulden opgenomen en daar is hij zijn eigen zaak mee begonnen. Eerst heeft hij op de Zandheuvel wat aangeklungeld, maar dat werd natuurlijk moeilijk. Toen heeft hij de bakkerij van Dorus de Bodt in de Kloosterstraat gekocht. Dat was een bakkerij met een oven. Die is er uitgebroken, daar zijn toen die banken neergezet en van lieverlee is er het nodige bijgebouwd. Zodoende moesten we van de Zandheuvel naar de Kloosterstraat verhuizen. Dat was rond 1920 ... Ik heb nooit een pak slaag gehad. Ik denk, dat ze toch wat voorzichtig met me zijn geweest. Ik liep wat moeilijk en ze hebben echt in de rats gezeten, of ik het wel zou redden. Tot nog toe is dat vrij goed gelukt ... In de tijd, dat ik in de tweede klas van de lagere school zat, werden er krachten gevraagd voor het jongenskoor. Onze Dré en ik wilden dat heel graag. We hebben toen voorgezongen, maar we werden allebei afgewezen, want onze stemmen waren te zwaar. We werden dus niet aangenomen en dat heb ik heel erg gevonden, want ik had het zo graag gedaan, gezongen ... Het is eigenlijk vanzelf gegaan, dat ik na de lagere school in Uden bij de Kruisheren terecht kwam. Onze Jan zat daar toen in de hoogste klas. Ik had niet veel contact met hem, alleen in de refter zat ik naast hem. Van onze Jan mocht ik daar in geen geval bij de voetbalclub. Hij was namelijk bang voor mijn benen. Dat onze Jan destijds naar Uden is gegaan was een kordate beslissing van hem. Na zijn lagere schooltijd vroeg hij, of hij naar de mulo mocht. Met wat pijn en aanhouden mocht dat. Daar zeiden ze toen, dat hij vrij goed kon leren en dat hij maar ik weet niet wat moest worden. "Nee", zei hij, dan word ik priester." Toen moest dat weer versierd worden, want dat kon ook niet zomaar. Ik heb hem er nooit veel over horen zeggen, maar hij schijnt het al heel lang van plan geweest te zijn. Hij was een goed student en daarom wilden ze hem professor laten worden op het groot seminarie. Daar gaf hij helemaal niet om en sindsdien was hij niet zo'n goed student meer. Hij had missionaris willen worden, liefst in de Congo. Nou, toen is hij naar Amerika gestuurd om daar les te gaan geven. Hij heeft precies dat gekregen, wat hij eigenlijk niet wilde, maar hij heeft gehoorzaamd. Hij is daar professor geweest en prior. Hij was er zeer gevierd. In de vijf, zes jaar, dat ik in Uden was, heb ik het ook wel serieus gewild, maar misschien niet serieus genoeg ... Als ik in de vakantie thuis was, dan keek ik eens rond in de bakkerij en ik ging eens fietsen, bijvoorbeeld naar Waspik. Daar had mijn vader nog een paar ooms, Oom Bart en Oom Wienus, broers van zijn vader. Dat waren schippers. Ook de kinderen daarvan zijn allemaal weer schippers geworden. De vader van mijn vader moet een kuiper zijn geweest. Ik heb die nooit gekend. Hij kwam van 's Hertogenbosch en ik geloof, dat mijn vader zeven jaar was, toen hij naar Oosterhout kwam. Mijn vader had twee zusters, Tante Mien, die getrouwd was met Oom Gerard, en Tante Bets. Daar hadden we nogal veel relatie mee. Die woonden in de Kegelstraat ... In die straat woonde ook Tante Ant, de oudste zuster van mijn moeder, getrouwd met Frans van Spaandonck. Verder was er Tante Sjo, een jongere zuster van mijn moeder, die leek sprekend op mijn moeder, dat was een hele levendige figuur, terwijl mijn moeder zeer rustig en ingetogen was, goed, maar wel erg serieus. Tante Sjo was een en al leven en vrolijkheid. Dat is me bijzonder opgevallen, dat sprekende verschil, toen mijn moeder gestorven is. Toen was ze een paar dagen bij ons. Het leek mijn moeder, maar in een heel andere sfeer. Dan is er nog Oom Dries Learbuch, aannemer in Eindhoven. Hij was ook zo serieus. Dan was er nog een tak, neven van mijn moeder, Toon en Jan Learbuch, de schilders. Een broer van de vader van mijn moeder was die Willem Learbuch met zijn witte baard. Dat was Sint Sebastiaan himself. Die had ook dat zachte, milde karakter als mijn moeder. Die is zeker acht of tien keer bediend geweest, die kon er niet tussenuit ... Toon Learbuch kwam altijd 's avonds om half elf op visite met Klaasje, zijn vrouw, tegen dat we naar bed gingen, maar daar kon je toch niks tegen doen. Toon kon opscheppen, dat hij het zelf geloofde. In het patronaat op de Zandheuvel maakte Toon Learbuch nogal eens decors, maar dan moesten de kinderen toch maar uit de buurt blijven, want hij vloekte, dat het niet mooi meer was, en hij deed lelijk over die zwartrokken. Toch was er geen missionaris, die in Oosterhout thuiskwam of weer wegging, of ze gingen ook naar Toon. Hij gaf ze altijd wel iets mee. Die missie, de zwartjes, dat hoorde er bij. Voor zijn Klaasje heeft hij ook heel goed gezorgd, want zijn huis stond vol schilderijen, die hij niet verkocht. Daar heeft zij naderhand van kunnen leven. Het grote schilderij van Sint Sebastiaan heeft nog eens bij Jan de Jongh geëtaleerd gestaan. Hij heeft ook een mooie kruisweg gemaakt. De gemeente Oosterhout zou later nogal wat hebben gekocht. Toen ons vader en moeder vijfentwintig jaar getrouwd waren, heeft hij een mooi schilderijtje gemaakt van een plekje op de Zandbergen. "Daar zal het wel begonnen zijn", zei Toon. Ons Sien heeft eens geposeerd als een zigeunerin met een mandoline ... Toen ik uit Uden terugkwam, was dat voor mij wel even een vreemde bedoening, want je stond daar toch met twee linkse handen. Bij mijn vertrek uit Uden had prior Bedou, aristocraat tot in zijn tenen, me gezegd: "Je kunt elke studie, die je wilt, gaan volgen, dat zal best gaan." Dat was de enige troost, die ik meekreeg, want ik wist niet, wat ik moest beginnen. Ik heb het altijd aardig gevonden van ons vader, toen ik thuiskwam. Hij zei: "Je kunt hier direct aan de gang, hoor." Dat heb ik gewoon gedaan. Ik werd knechtje in de bakkerij, maar ik vond het helemaal niet erg dat werk te doen, omdat het voor je zelf was. Met de Sinterklaastijd werkten we hele nachten door. Maar ik ben toch buiten werktijd middenstandsdiploma gaan halen. Om een dagcursus te gaan volgen, dat was er niet bij. Een winter bij meester Van Dooremalen was wel genoeg voor het diploma. Het enige dat ik moest leren, was boekhouden, ik had nog nooit een kasboek gezien, de rest was kinderwerk. Daarna ben ik verder gegaan met het praktijkdiploma boekhouden. Ik was zo'n twee jaar in de bakkerij, toen een zekere meneer Dirks van de Vesta, we waren daar verzekerd, denk ik, klaagde, dat hij geen agenten genoeg had. Vader heeft toen uit zichzelf gezegd, dat dat wel iets voor mij was. Hij heeft me toch de kans gegeven. Ik heb dat meteen aangenomen en ik ben toen als verzekeringsagent gaan werken, op de fiets. Ik had altijd al gezegd niet in de bakkerij te willen blijven. Ze werkten er al met zijn drieën, Adam, Toon en Dré en vier was te veel, al liep de bakkerij - het was nog voor de oorlog - heel redelijk. Ik heb nog wel de boekhouding van de bakkerij gedaan, dat vond ons vader prachtig en jaren naderhand moest ik zijn belastingbiljet nog invullen ...
|
Via de Raad van Arbeid in Breda ben ik in Amsterdam bij het Sociaal Fonds Bouwnijverheid verzeild geraakt. Daar hebben we zo lang gewerkt, dat we nu weer in ruste gekomen zijn. Ik biljart nu een paar keer in de week 's morgens. Mijn gemiddelde is zo ongeveer 1,3."
2. Annet van den Bosch
door Jan van den Bosch
" ... Ik weet natuurlijk nog, dat we thuis vroeger een grote bakkerij hadden. Tenminste in mijn ogen was dat allemaal groot. Ik heb er een keer flink mijn handen verbrand. Er lag toen pastoorsbrokkendeeg op de plaats en ik kwam er als klein kind zo met mijn handen in. Dat weet ik nog. Maar het is allemaal weer netjes geworden ... Ik weet ook nog dat ik muziekles kreeg op school. In de bakkerij moest ik dan voorzingen, voor onze Adam, onze Toon, dat vonden ze geweldig ... Het was er altijd een drukke bedoening. Er waren nogal wat brakken. We hadden een hondje, een keesje, dat hadden ze wel zo vals gemaakt, dat hij bij iemand aan de broek was gaan hangen, bij een fietser. De politie was er aan te pas gekomen en toen moesten we hem afmaken, met veel verdriet ... Het was altijd werken. Als ge thuis kwam uit school, dan was het een ander kleedje aan en brokken plooien of papierkes vouwen om bruidsuikers te verpakken, of met Sinterklaas hartjes decoreren en een bloemeke opplakken en zulke dingen. Ons vader was een strenge mens, maar ik hield er toch heel veel van, want hij was wel oprecht. Hij liet het altijd blijken, als ge het goed had gedaan .... 's Zomers in de vakantie hadden we een hele grote tafel buiten staan en dan was het ijsbonbonnekes plooien, zingen. Als ge heel goed je best had gedaan en je had het eerst je bus leeg, dan kreeg je een bonbonneke. Ik was daar altijd heel vlug in. En intussen zongen we maar van: de kat en de rat en de rat en het vuur en het vuur in het koren en alles verloren en oh ratten en muizen. Als we goed gewerkt hadden mochten we een middag naar de bossen. Dat was hartstikke feest ... Ons moeder was een schat van een mens, zo'n moeder heeft nog nooit bestaan. Maar ze was altijd ziek. Toen ik zestien was is ze gestorven. Ik kan niet vertellen, wat dat doet voor een kind. Toen ben ik zelf veel ziek geworden. De dokter wist niet wat het was. Ik ben misschien niet door mijn rouw gekomen. Ik heb twee keer een half jaar met reumatiek gelegen. Een keer zo erg, dat ik eigenlijk bediend moest worden. Het was net Kerstmis en toen zijn ons vader en onze Dré nog te voet naar Den Berg gegaan om voor Sint Geertruud te bidden. En toen werd ik beter. Onkruid vergaat niet! ... Na de lagere school had ik heel graag naar de mulo gegaan. Daar had ik de capaciteiten voor volgens Soeur Antoinette. Die heeft daarover nog ruzie gemaakt met ons vader op een hevige manier. Maar meisjes moesten in het huishouden. Ik mocht dan per gunst en per gratie naar de naaischool. Ik ben er nog steeds wat opstandig om. Toen ik een jaar op de naaischool was, is ons moeder gestorven en moest ik het huishouden gaan doen. Toen kon ons Mien als kraamverpleegster gaan werken. Die had van kinds af aan al voor het huishouden gezorgd en ons moeder verpleegd ... In die tijd was alleen onze Toon getrouwd. En Heeroom was weg. De rest was allemaal nog thuis. Ons Betsie werkte, bij de Bon Marché. Ik kwam daar alleen voor te staan, al kreeg ik wel twee keer in de week hulp. Maar we hadden een gezellig huishouden ... 's Avonds in de bakkerij werd veel muziek gemaakt. Een piano, een orgeltje, een gitaar, een viool. Maar ik, stom genoeg, ik was altijd maar aan het handwerken. Ik luisterde graag, maar zelf doen, ik was altijd met een handwerk bezig. Ik weet niet hoe dat kwam ... In de oorlog lag de bakkerij stil, want ons vader werkte niet voor de Duitsers. De onderduikers hadden onder mekaar gelapt voor een dansvloer. En 's zaterdags avonds kwamen ze dan bij ons dansen. Dat was gezellig. Dan werd er zo'n beetje bier gedronken ... Onze Toon, onze Adam en onze Dré zijn toen op het arbeidsbureau gaan werken, want de bakkerij lag stil ... Wij hadden in de bakkerij dus soms veel plezier. Maar ons vader zat dan alleen binnen achter het aquarium. Dat was 's avonds het enige, dat hij aanhad. Als ge nagaat, wat een angst die mens heeft gehad. Een keer zijn de Duitsers over het hek gekomen. We hoorden toen een bloempot kapot vallen. Ze hadden te veel op en die kwamen op de muziek af: "Tanze, schone Mädel". De onderduikers wisten rechttoe, waar ze moesten blijven, dus die hadden ze niet. En wij vlug naar de keuken. Maar onze Dré stond daar met zijn handen in zijn zakken. Die ene Duitser maakte zich zo kwaad, dat we allemaal weg waren, die stond met de revolver voor hem. Toen hebben we wel angst gehad. Toon Stadhouders was er ook bij en die zijn vader werkte op de gemeente en die is naar de Ortskommandant gegaan. Toen die kwam, vlogen de soldaten weg. De Ortskommandant bood toen zijn excuses aan. Hij had de soldaten Schnaps gegeven, omdat hij jarig was ... De volgende zaterdagavond kwamen we weer bij elkaar. En ik vergeet het nooit van zijn leven, ons vader kwam met een stoel aan, zo, en als die sodeju zei, nou dan vloekte hij. "En nou allemaal er uit, sodeju", zei hij. Toen is het allemaal wat afgezakt, want op een ander was nooit niks ... Onze Gerrit was ook ondergedoken. Niemand wist dat hij thuis was. De kleinen van onze Toon zeiden Ome Dadje tegen hem. Dus Ome Gerrit werd niet vernoemd. Jan Mertens was ook bij ons in. En als er dan een bruiloft was, dan lieten ze hun haren onduleren. Dan hadden ze leut. Een keer, we hadden zo'n balken keuken, de clou was dat Jantje Mertens bij onze Gerrit op de schouders ging staan. Op een gegeven moment gaat onze Gerrit onderuit en daar hing Jantje aan de balken. Zulke dingen, daar hadden wij leut in, maar ons vader niet ... Toen hebben we Jan Gorisse nog in gehad met zijn huishouden. En die moesten natuurlijk ook eten en drinken. We gingen daarom geregeld met een emmer naar de boer en ik vond dat wel fijn, want dan was je een eind weg op het fietske. Een keer nauwde het er zo, dat we in een slootje hebben moeten duiken ... Wij hadden geen geld en niet veel te eten. We hebben naderhand eens een foto naar onze Jan in Amerika gestuurd en die is toen eten gaan sturen tot en met ... Met die lange Lina Cornelissen gingen wij zonder geld toch gewoon de kermis op en overal in, ook in de kindermolens. Ik weet nog goed, dat zij met heel haar lange lijf in een brandweerautoke zat. In zulke dingen hadden we leut. Die vaders kaartten met elkaar, ons vader, vader Cornelissen en Klijs en Roovers. Dan brachten Lina en Janet die vader en zo brachten wij ons vader. Toen zei Lina: "Als jullie op je klompen komt, dan bak ik eierkoeken". Dat hebben we toen gedaan. Je liep thuis altijd wel op je klompen, maar zo'n eind, dat viel tegen. Maar we hebben toch eierkoeken verdiend ... Toen is de bevrijding gekomen en toen heb ik mijne mens leren kennen. Dat was niet moeilijk. Ik stond met Jan van onze Toon op mijn arm. Ze kwamen toen om kwartier vragen. En toen zei ie: "Oh, wat een jonge moeder". Ik zei vlug: "Maar die is niet van mij, hoor". En zo is het gekomen en heeft hij mijn kamertje bevrijd en bezet ... Wij gingen vroeger niet veel weg. Ik was op het E.K.-koor. In de oorlog hadden we een fiets met houten banden. We hadden toen een abonnement in Breda op het concertgebouw. De een mocht met een achterop gaan, maar dan moest de derde te voet en bij terugkomst moest degene die gefietst had te voet terug. Eigenlijk genoot je dan toch dubbel. Wat je moeilijk haalt, daar geniet je meer van! Wij hadden zeker zoveel plezier als tegenwoordig de mensen. Je ging toen anders met elkaar om. Nou moet je eerst opbellen of je kan komen. Het was vroeger veel gemoedelijker ... Onze Gerrit en ik hebben veel samen opgetrokken. Thuis hadden we een grote tuin. Wij mochten niet op straat spelen. De rest van de buurt wel. In de herfst was de tuin leeg. Dan deden onze Gerrit en ik achtjes fietsen door de tuin ... Onze Jan is weggegaan toen was ik acht jaar. Ook ons Sien was toen al het huis uit. Onze Jan was een broer, die kwam tot dan af en toe met vakantie. Hij had wel overal interesse voor. Later heeft hij wel duizend keer gevraagd: "Kom eens naar Amerika" ... Het was thuis altijd werken. Daarom kan ik nou ook niet stil zitten. Was het in het kantoortje druk, dan moest je daar ook al eens helpen. Kwamen er reizigers, dan moest er weer een bakske gezet worden. Onze Dré deed het kantoor, onze Adam was zo'n beetje ook reiziger, die had een DKW, een motor. Die hebben de NSB-ers nog afgepakt aan het eind van de oorlog, 's Morgens kregen de mannen in de bakkerij koffie en 's middags thee. Op 't lest hadden we ze wel zo ver, dat ze het zelf kwamen halen. Er was wel een brak of dertien. Ik heb er nog een foto van, ons vader, onze Toon en onze Dré met de brakken.
|
Wij moesten ook vaak bijspringen in de bakkerij en dat deed ik nog eens graag ook. Als het Sinterklaastijd was, dan hielden ze me niet in huis. Dan ging ik inpakken. Ze werkten in de bakkerij dan dag en nacht door, de kachels gingen er niet uit. Ons vader zat dan in de kamer te decoreren. Dat kon hij prachtig op dat fruit en die hartjes ... Ze waren bij ons overal bij, de een was bij dit symfonieke, de ander moest naar die vergadering, maar om elf uur ging wel het knipke op de deur. Dan was alles binnen. Want ieder moest weer vroeg beginnen ... 's Zondags moesten we naar de vroegmis. Daarna stond er dan brood en buikspek op tafel en dan werd er lekker gegeten en dan deed je gauw het werk en dan was je echt blij, als je mee naar de hoogmis mocht. En daarna was het echt gezellig thuis, dat is er niet meer. Was het goed weer, zaten we allemaal buiten, anders zaten we in dat kleine kamertje. De avonden waren bij ons ook heel gezellig. Hier zaten ze te schaken, daar te dammen of te kaarten en ik, ik zat te handwerken. Ik was altijd bezig. Op zondagmiddag gingen we ook nog naar het Lof en was dat uit, dan flaneerde ieder van de Markt naar de Heuvel en zo achter de Slotjes terug naar huis en dan hadden we een fijne zondag gehad, 's Avonds werd er dan aardappeltjes gebakken en pikte iedereen mee uit de grote pan. Een keer was Rie Bakker bij ons, maar die at niet mee. "Ik ben gek, ik zal die spuwtjes van jullie opeten", zei ze. Ons vader zat in de leren stoel naast de kachel, ons moeder in een armstoeltje en dan tien man rond de tafel ... Toen de Kloosterstraat werd afgebroken, deed dat toch wel zeer. Maar nu weet je al niet beter meer ...".
|
3. Gerrit van den Bosch
door Jan van den Bosch
" ... In mijn kindertijd was ik bij het knapenkoor van de Sint Jan. Broeder Pius van de broeders van Huijbergen had daarvan de leiding. Op school zat ik op de Keiweg bij meester van Dooremalen. Ik weet nog, dat Van Nijnatten, ook een onderwijzer, in slipjas op zijn fietske naar school kwam, met van die grote zwaluwstaarten achter hem aan ... Dat knapenkoor is heel belangrijk voor me geweest. We zongen vooral gregoriaans. Bij de Benedictijnen kregen we apart les; we leerden er voor derde, tweede en eerste cantor. Dat tweede cantor, dat kun je gelijk stellen met het zangersdiploma bij ons vroeger. Dat was dus niet niks. Je moest dan een stuk voorbereiden, een introïtus of een offertorium of een alleluja, dat moest je zelf uitzoeken. Bij tweede cantor kreeg je ook een nieuw stuk; dat moest je dan a vue op noten zingen met achter mekaar de tekst er onder. Plus nog een hoop theorie meer. Dat hebben we allemaal gehaald en met vier, vijf jongens ook nog eerste cantor ... Met het knapenkoor zongen we zeker twee keer per week om half acht een jaargetijde, een requiemmis. We moesten toch elke dag om half acht naar de kerk, dus dat maakte niks uit, dan was het alleen maar leutig, dat je moest zingen. Verder zongen we 's zondagsmiddags het Lof. De lijdensmeditaties vergeet ik ook nooit: eerst het eerste stuk van het Stabat Mater Dolorosa, dan een preek van drie kwartier, een uur en dan het Stabat Mater verder. We zongen ook profane muziek, al die walsen van Strauss en nog een hoop van die concertnummerkes. En ons koor ging ook met het toneel mee. In de pauze in het patronaat zongen wij dan. Wij gingen ook mee op tournee, naar Ulicoten of Chaam, om tussen de pauze te zingen. We deden ook mee met de Sacramentsprocessie, niet op straat, want er gold toen nog een processieverbod, maar bij de Franse paters in de tuin.
|
We kregen daar dan poederchocolade met beschuiten. Dat was gewoon feest, dat kunnen de jong d'r eigen tegenwoordig niet meer voorstellen ... Eigenlijk is dat jammer. Als wij vroeger dorst hadden, dan kon je melk drinken," die was er altijd, een emmer in de kelder, of water. Voor de verdere rest was er helemaal niks. Wij waren vroeger thuis echte geheelonthouders, lid van de Sobrietas van Dr. Ariëns. Alleen met een bruiloft was er een glas wijn. Op de vrije schoolmiddag 's woensdags ging je om half twee al weer naar de broeders voor de repetitie van het koor en dat was vrij pittig, dat duurde toch wel twee uren. En als we goed ons best gedaan hadden, dan mochten we op het plein nog een half uur voetballen. We gingen meestal elk jaar ook een reisje maken, als er geld in kas was. Zo zijn we een keer naar de wereld-water-tentoonstelling geweest in Luik, toen een hele wereldreis, iets heel bijzonders. We hadden ook hele mooie uniformen, blauw laken. Toen broeder Pius overgeplaatst werd, zijn we door rector Fick overgenomen en die is toen de Nachtegalen begonnen ... Toen ik nog klein was en iedereen nog thuis was, ik weet nog, dat ons An en ik staande moesten eten. We stonden aan tafel. Het kan ook zijn, dat ze geen stoelen hadden van ons maat ... Wij hadden het vroeger thuis best goed. We hadden het eigenlijk rijk vergeleken bij veel andere mensen. We konden dingen doen, die een ander niet kon. Bij ons is er altijd veel aan muziek gedaan, veel geschaakt, veel gelezen, zulke dingen werden bij een ander bijna niet gedaan ... De kindertijd is toch de beste tijd van je leven: je leeft uit een korf zonder zorg. Er zijn altijd wel dingen, die je moet doen, die je niet graag doet. Het was vroeger thuis vrij gedisciplineerd, dat moest ook wel met zo'n huishouden. Om half zeven, zeven uur was iedereen uit de koffer, om half acht waren de kleintjes naar de schoolmis en de rest zat al in de bakkerij. Na de mis kregen wij een bakske thee met een paar sneekes brood en dan kon je naar school. De anderen kwamen dan uit de bakkerij en gingen gebakken spek eten met roggebrood. Om twaalf uur was er weer eten en om een uur was iedereen weer aan de gang. Om vier uur kwamen we uit school, dan kregen we een boterham en dan kon je mee gaan zuurballen draaien of mee plooien of je moest bonen gaan plukken. Spelen was er eigenlijk niet bij, maar daar hadden we misschien ook geen behoefte aan. Als schoolkind gingen we om acht uur, half negen naar bed, op zolders en dan waren de geluiden van buiten weer interessant, van een visboer die langskwam, en zo. We lagen op een open zolder met een gordijntje, je sliep met tweeën in een bed ... Beneden werd aan het end van de avond altijd ook nog het rozenhoedje gebeden. Zonde eigenlijk, dat dat er niet meer is. Daar ging toch een enorme rust van uit, dat steeds herhalen. Tegenwoordig zie je van die meditatie-flauwekul, in wezen hebben wij dat altijd al gedaan ... Thuis werd er iedere zondag muziek gemaakt. Door de week kwam daar niet zo veel van, dan was er altijd nog wel wat te rommelen. Ze waren bij ons allemaal bij het missieorkest, onze Adam en onze Toon met de viool. Meester Mignon, hoofdonderwijzer van Den Ost, was de dirigent. Dat orkest repeteerde een keer in de week. Ook dit was eigenlijk weer zo'n uitzonderlijke situatie, waar we in zaten, want hoe groot was dat orkest: 20 man uit heel Oosterhout. Zondagsmorgens werd er thuis altijd muziek gemaakt, allemaal viool, dat leerden we van mekaar. Pas veel later hebben we ook een piano gekregen. Er heeft eigenlijk nooit iemand bij ons piano gespeeld, harmonium wel. Ik heb daarop ook nog gespeeld uit de boeken van Johan de Heer ... 's Zondags hadden we overigens niet zo veel tijd, hoor. De ene ploeg ging om half zeven, de andere om acht uur naar de gelezen mis. Om tien uur gingen we weer naar de kerk om te zingen. Daarna kwam bijvoorbeeld Kleijs op bezoek om te schaken en gingen wij naar de bakkerij om muziek te maken, dan had een ander daar geen last van. Om twee uur was het eten en om half vier was het weer Lof. Als jonge kerel had ik om de veertien dagen om vijf uur ook nog Jongensfamilie in de kerk, dan kreeg je weer een preek. Dan was je om zes uur thuis. Op zo'n dag hadden we heel wat uren in de kerk gezeten. De gezongen mis 's morgens was gewoonlijk wel anderhalf uur, dat waren missen van Perosi en zo, dat was niet niks en een flinke preek, 't Minste dat het een beetje heiligendag was, dan kreeg je ook een solemneel Lof met een preek en dat duurde ook zo maar een uur. Op zo'n zondag had je toch al gauw een uur of vier in de kerk gezeten alles bij elkaar ... Sacramentsprocessies werden er ook gehouden in de tuin van het ziekenhuis. Daar heb ik nog zouaven gezien, twee, in hun uniform van toen, die hebben nog tegen Garibaldi gevochten. Met zo'n processie dan deden ze hun pak weer aan ... Toen kwam de mobilisatie. Onze Adam moest in dienst. Die lag in Nispen bij de grensbewaking. Ik was na de lagere school naar de ambachtsschool gegaan en daar heb ik huis- en decoratieschilder gedaan. En toen naar Tilburg, naar de academie, l.o. tekenen, 's zaterdags. Door de week werkte ik bij een baas van half acht tot zes. Toen begon de oorlog en het duurde niet lang, of er was geen werk meer, want er was geen spatje verf meer. Ik ging toen hele dagen naar Tilburg, maar daar moesten we op een gegeven moment de loyaliteitsverklaring tekenen. Dat deed gewoon niemand, maar dan kon je niet meer naar zo'n school terug. En toen moest ik naar Duitsland gaan werken, dat moest iedereen van achttien jaar. En dat heb ik ook niet gedaan, met de vijand heulen deed je niet. De bakkerij lag toen ook stil. Een tijd lang kregen we nog suikergoed van de Faam, omdat we toen nog bij de zeven grootste suikerwerkfabrieken hoorden in Nederland. Maar dat verwaterde al snel. Je snapt trouwens toch niet waar iedereen toen van leefde ... Ik ben toen thuis ondergedoken. Zelfs de buren wisten niet, dat ik er was. Bij controles verborg je je eigen, hij is er niet, werd dan gezegd. Thuis was er tussen de kamer en de voorkamer een bedstee en een kast, eigenlijk een gangetje. Daar was nog een loze ruimte in van zo'n tachtig centimeter diep. Daar kon je niks van zien. Daar kon je net in en ze zouden het hele huis hebben moeten opmeten om die vierkante meter te vinden. Met Jan Mertens had ik aan huis les van meester Jans. Wat moesten we anders doen. Overdag mochten we niet buiten. Maar we hebben ons nooit verveeld. We tekenden veel, we maakten gipsen maskers. Ik zou dat nog best willen doen, daar zit misschien nog wel een boterham in ... Ons vader en ons moeder hebben heel hun leven ontzettend hard moeten werken om voor zo'n groot huishouden te zorgen. Dat kun je jezelf niet voorstellen. Dat is helemaal niet meer. Toen moest je echt helemaal op eigen kracht iets overeind zien te krijgen. Ons vader had het vroeger voor het zeggen, iedere vader had dat. Dat was toen helemaal zo. Dat wil niet zeggen, dat er geen goede verstandhouding was. Maar ons vader had het laatste woord. En als dat gezegd was, dan hoefde er verder niets meer gezegd te worden, dan was het af. Dat ging toen zo, het kon ook moeilijk anders ... Ons vader was ook heel muzikaal. Hij zong en in de harmonie speelde hij klarinet. Dat artistiekerige zal wel meer in de Learbuch-aard hebben gezeten, denk ik. Ik kwam veel bij Toon Learbuch om te laten zien, wat ik geschilderd had. Toon Learbuch was kunstschilder, meer een broodschilder. Hij heeft veel naar Amerika verkocht. Als die mens bij ons thuis op bezoek kwam, was het feest. Dat was nog echt iemand, die kon vertellen en ook onvoorstelbaar liegen en als hij dan vastzat, was het tegen zijn vrouw: "Nietwaar, Klaasje?", en die hielp hem dan weer op gang. In "Le Bouc" op de Markt heeft lang zijn schilderij gehangen met Willem Learbuch er op als schutterskoning van het Gilde Sint Sebastiaan. Die ging met zijn negentig jaar en met een grote witte baard nog met ons naar de bossen ... Toendertijd was er veel meer te beleven, al nam lang niet iedereen er aan deel. Ik vergeet nooit de tijd van "De betoverde prinses", een kinderoperette, een van de grootste evenementen in Oosterhout net na de oorlog. "Aurora" had vroeger ieder jaar een opera, een revue. Er ging ieder jaar wel een missionaris weg, of twee, waar een avond voor gegeven werd. Nou is Oosterhout vijf keer zo groot en er is geen barst te beleven, in heel Oosterhout niet. "Jozef in Dothan" van Vondel werd vroeger gespeeld, daar kon beroeps niet tegen aan. Toon Learbuch schilderde de decors, de mensen maakten de kleding zelf. Dat werd gewoon gedaan. Toen sloofden de mensen zich nog gewoon een heel jaar voor nop uit. Toen hadden we nog cultuur. Iedereen heeft het tegenwoordig beter als vroeger, dat is gewoon waar, maar eigen initiatief en inzet voor de vereniging kan men niet meer opbrengen ..."