WikiZoeken:

Main.SideBar (edit)

Recent Changes Printversie Pagina Aanpassingen Wijzig Pagina
WE ZULLEN RAP NAAR HUIS MOETEN, JONGEN

Relaas van Toon van den Bosch over het begin van de oorlog, Pinksteren 1940

Was April, na de straf-korte winter, zacht en mild geweest, de Mei-zon steeg zo blinkend-grandioos de velden over, kleurde zo wellustig warm de duizend tinten van de versbeblaarde bomen, alsof het leek, dat zij haar ongeduld niet langer meer bedwingen kon en 't witte zomerlicht nu reeds de aarde wilde schenken. Met groot verlangen zagen wij dan ook de Pinksterdagen tegemoet, die wij in België bij m'n schoonouders zouden gaan doorbrengen en nog te meer omdat wij deze reis voor de eerste maal, nu, als man en vrouw zouden maken en we nog volop in onze wittebroodsweken rondspartelden. Wanneer de zon ons niet in de steek zou laten, waren we besloten de reis per fiets te ondernemen. Als we Woensdag voor Pinksteren ons aan het ontnuchteren zijn, treft m'n oog een opschrift in het ochtendblad: "Nieuwe regeling voor het grensverkeer met België." Dan volgt in krantentaal de mededeling, dat we vanaf Vrijdag 10 mei, voor het verkeer met België, niet meer kunnen volstaan met onze pas, maar in bezit dienen te zijn van een visum. Daar staan we nu met onze mooie plannen, want in bezit van visa waren we niet, terwijl we wisten, dat de tijd die verstrijkt tussen het aanvragen en uitreiken van een visum, wel acht of veertien dagen kan belopen.

Ik besloot te onderzoeken of dit noodlot niet kon worden afgewenteld en begaf me onverwijld om inlichtingen naar het Belgische consulaat, waar ik tot de ontdekking kwam, dat er nog meerdere mensen door deze nieuwe maatregel getroffen werden. Er stond een vader die naar zijn kinderen wilde, een bruidegom die zich voorgenomen had om Zaterdag het in België wachtende bruidje tot zijn echtgenote te maken en stuk voor stuk werden wij door den Consul ontvangen die voor mij heel vriendelijk het kranteberichtje onderstreepte, het vermoeden, dat het verkrijgen van een visum, zeker nu met de te verwachten stormloop om visa, wel enige weken op,zich zou laten wachten rechtvaardigde, maar mij onderrichtte, dat het visum althans voorlopig niet verlangd werd om van België naar Holland te geraken, zodat we in de gelegenheid waren tot 10 Mei zonder visa de grens te passeren en dan verder terug konden zonder visa, dus wanneer we wilden. Zo werden wij wel gedwongen, wilden we de Pinksterdagen in België doorbrengen, om niet pas Zaterdag maar reeds Donderdag te vertrekken.

Eerlijkshalve moet ik toegeven en van het glundergezicht mijner vrouw was het af te lezen, we konden over de loop der dingen niet droevig zijn, onze vacantie werd er immers twee dagen door verlengd. Slechts even kwam de twijfel bij ons op of we wel zo lang mochten wegblijven, als Moeder, die al ruim twee jaar bedlegerig en de laatste maanden zelfs zeer ziek was, de resultaten van het bezoek bij de consul vertelden. Hoewel Moeder zich ongerust maakte - het was al volop oorlog tussen Engeland en Duitsland -, zij had allang gezien hoe wij ons op deze vacantie verheugden en dus - O, eeuwig zich wegcijferende Moeder - verheugde Moeder zich met ons over de komende dagen en praatte alle bezwaren weg.

Donderdag 9 Mei 1940. Op onze gewone gang naar de vroegmis, in de Parochiekerk, worden we vergezeld door de blinkende stralen van de openbloeiende zon, die ons nog volgen tot in de kerk, waar zij de kleuren stelen van het altaarraam, om er de blanke communniewade mee te verven. Terwijl we ons in de hevig stille kerk verenigen met den Offeraar Christus en gevoed worden met het Offerlam Christus, moeten wij onze blijdschap uiten door Hem deelgenoot te maken van onze vreugde, over het weerzien van onze dierbaren en de zonnige dagen die ons wachten en onze vreugde wordt er te inniger om. Na de H. Mis vlug ontbijten en na nog wat mondvoorraad voor onderweg en 'n grote doos bonbons voor thuis - eigen fabrikaat - op 'n veilige plaats in onze koffer gepakt te hebben, stappen we op de fiets voor de rit Oosterhout - Beveren. De milde lentezon, die ons zo vroeg reeds tegenlachte, bleef onze gezellin den ganschen dag, die ons met haar warme genegenheid vertroetelde en van het rijden door den vroeg-zomersen dag een feest maakte voor oog en hart. Als twee kinderen waren wij langs de wegen gegaan, langs de Brabantse lentelanden, die aan het zomers worden zijn en noch de schildwachten langs de weg, die ons vermaanden langzaam midden op de weg te rijden, waar de bomen met de gele banden met dynamiet geladen stonden, noch de baricaden die wij voorbij moesten, zó smal, dat een gewone autobus er zich met moeite slechts doorheen kon wringen, waren we in staat onze feestelijke stemming te vertroebelen. Den allerlaatste militaire wachtpost, vlak tegen de Belgische grens, vonden we bewaakt door een oude schoolmakker, wat voor ons aanleiding gaf om even van de fiets te stappen en onder het roken van een sigaret elkander te vertellen van den dienst en van Oosterhout.

Na de gebruikelijke formaliteiten aan de Belgische grens hebben we in een modern ingerichte pleisterplaats onze mondvoorraad geducht aangesproken en bij het genot van een hartige "tas kaffee" en 'n sigaar nieuwe krachten verzameld voor de volgende etappe van onze reis West-Wezel - Antwerpen. Was het in het begin nog rustig op de weg, allengs werden de wegen drukker naarmate we Antwerpen naderden. De auto’s snorden met groot geraas voorbij, elkaar rakelings passerende over de hobbelige keien, terwijl de electrische tram als een pauken in een orkest, het lawaai van de weg van tijd tot tijd op verpletterende wijze overstemde. Tussen Brasschaat en Merxem begint de grote weg op een villapark te lijken en we zien er landhuizen, oude en nieuwe, grote en kleine en soms schilderijtjes van schoonheid en rust. Bij het passeren van enkele excentriek-moderne villa' s is het, of je gedwongen wordt wat vlugger door te trappen, omdat je het gevoel krijgt of er 'n straatmeid je daar langs den weg brutaal staat toe te lachen.

Eenmaal door Merxem, laten wij Antwerpen links liggen en gaan we over het viaduct, om zo, langs de stad om, de andere zijde te bereiken, 't Is wel een hele klim, maar we zijn jong en steeds dichter bij ons doel en de zon staat hoog aan den hemel. De schepen varen af en aan op de blinkende vaart die nu onder ons ligt en in de zon doorlichte verte staan in warme siddering de honderde kranen en silo's en sterke stomers steken hun pijpen overal de lucht in. Met een tempo zoals we vandaag nog niet bereikt hebben, bollen we de viaduct af en zwenken met een zwierige zwaai de machtige , grote Italiënlei op, om langs de grote tunnelingang en dan de Schelde volgend, bij de St. Annaboot af te slappen. Verhit van de rit genieten we van de frisse wind die over de Schelde waait, en leunend over de reling, zien we naar de voorbij varende rootkasten, die door een kleine steigerende sleper wordt voortgetrokken. Schuin over de Schelde komt 'n kleine blinkende zeiler recht op ons aan. en vlak bij onze stilliggende boot zwenkt ze met een sierlijke bocht weer terug, om iets verder het zelfde spel te herhalen. Eet luiden van de bel geeft het sein tot vertrek. Aan de overzijde van het water komt ons de andere boot met een wijde draai tegemoet, om de plaats die wij zo juist verlaten hebben in te nemen en ons de linker Seheldeoever af te staan.

Het verfrissende oponthoud, door de Schelde-overvaart, deed ons weer opgewekt starten voor het laatstse gedeelte van de reis. Drie kwartier later reden wij opgewekt Beveren binnen en het was of ook onze fietsen zich met ons verheugden over het einde van de reis, want hotsend en botsend dansten zij voorbij de oude vierkante kerk om hun vreugde te uiten, het kon ook de onbetamelijke bestrating zijn, die hen van ergenis deed schudden. Ons onverwacht binnenkomen - men had ons eerst Zaterdag verwacht - zette heel het rustige huishouden op deze rustige late namiddag op stelten. De begroeting was er echter niet minder hartelijk om, integendeel, het onverwachte van onze komst was voor onze goede ouders en voor zusje Paula zowel als voor ons, een verassing die de vreugde van het weerzien nog verhoogde.

De meeste Uwer zullen die eerste uren in het ouderhuis, na een lange scheiding wel eens beleefd hebben. De vragen en antwoorden gaan over en weer zonder verband of regel. Wanneer we elkaar even in de ogen kijken groeit er een lach op ons gezicht en meer nog in ons hart. Het is 'n zoete vreugde, 'n blijdschap, die ons vervult en ons doet lachen en schreien tegelijk. Zo ook zaten wij dezen avond weer terug in het ouderhuis. Paula had mijn vrouw al gerequireerd haar te helpen, om door de berg naaiwerk te geraken, dat voor Pinksteren nog afgeleverd zou moeten zijn. Lui in de grote zetel gezeten, nam ik me, onder het genot van een smakelijke pijp voor, het er deze dagen eens echt rustig van te nemen en in deze, vredig gelukkige stemming, vloog de eerste avond voorbij, 't Was haast middernacht voor wij ons te rusten begaven en de vermoeienissen van de reis en zeker ook de gezonde buitenlucht die we ingeademd hadden, zorgde er verder voor dat we spoedig sliepen als kinderen.

Waar ik van wakker geschrokken ben, weet ik niet. Het moet nog vroeg zijn, al is het licht, want de zonnestralen kwamen laag door het raam tegen het blanke kruisbeeld blinken. Het klokje op het nachtkastje wijst iets over half vijf, ik kan bijna nog niet uit mijn ogen kijken. Mijn vrouw zit rechtop in bed. "Hoor je dat, er wordt gevlogen en geschoten, zeker weer vliegtuigen (vreemde) boven het land." Het kwam de laatste maanden nogal eens voor zowel in België als in Nederland dat er Duitse of Engelse vliegers vlogen en dan werd er vanzelf ook op geschoten, als protest tegen de schending van de neutraliteit. Het gebrom in de lucht nam steeds toe. Het leek of de lucht vol vliegtuigen zat. Op de straat onder ons raam hoorden we druk praten. Steeds heftiger en sneller op elkaar vielen de doffe bonsen van het afweergeschut en we besloten op te staan, 't Was niet alleen het geweld van daarbuiten dat ons dit besluit deed nemen, de zon stond zo stralend te blinken, en de lucht was zo blauw dat het zeker schande zou geweest zijn, nu we toch wakker waren, ons voor die pracht onder de dekens te verbergen. Vader, Moeder en Paula vonden wij alledrie al op en samen stonden wij in den hof de vertoning de boven te volgen.

Heel hoog in de lucht krioelde het van kleine zilveren vliegtuigjes, niet groter dan een pink, die daar kriskras door elkaar vlogen. Telkens plofte dan rechts, dan links en voor en achter soms gelijk en vanuit een wijde boog rondom ons van de grond, een projectiel omhoog, dat spetterend daar boven uit elkaar spatte en op het strakblauwe hemelkleed witte wolkjes spoot. Het vas een leven van belang. We stonden daar zolang naar boven te zien tot heel die mooie blauwe lucht met witte wolkjes was vol gespoten en het kleine kerkklokje klepte voor de Mis van zes uur. In het kleine, gloednieuwe parochiekerkje, dat op een open wei stond met enkele nieuwe huizen opzij en dat van binnen een kloosterkappelletje kon zijn, heb ik de Mis bijgewoond, terwijl het poefen van het afweergeschut en het rètteketet van de machinegeweren de lucht vervulden. Onder de Heilige handeling was het of stilaan het rumoer daarbuiten verstilde, tot tegen het einde der Mis een ontzettende slag het kerkje deed schudden, en wij verschrikt naar buiten stoven. Enkele honderden meters achter het kerkje, was een bom op een weiland gevallen. Dit scheen eehter de harde slotnood van het lawaaiconcert te zijn, want plotseling verstomde het afweergeschut en slechts het gezoem van enkele wegschietende vliegtuigen trilde nog na in de zonnige lentemorgen.

We hadden ons eigenlijk nog geen rekenschap gegeven van wat er gebeurd was of wat het gebeurde van deze morgen kon betekenen. Nog altijd waren wij in de veronderstelling, dat die militaire luchtactiviteit een schending van de neutraliteit betrof, die met een gepast protest beantwoord werd, Spoedig echter zouden wij weten, dat de toestand ernstiger was dan wij vermoedden. Troepjes mensen die bedrukt voor de huizen gegroept de toestand bespraken, vertelden ons gedienstig wat zij wisten. De verlofgangers waren per radio opgeroepen om zich onverwijld naar hun garnizoen te begeven. "Den Duitser" zou Luxemburg binnen gevallen zijn, en als we voor den gesloten bareel van het landelijk stationnetje stonden, riep ons de machiniist vanuit de wegrijdende trein toe: "We zitten in den oorlog, Holland en Luxemburg ook, zulle. Luik is al gebombardeerd". Thuis bevestigde de radio deze berichten. Als ik Hilversum aanzette, vertelde onze Koningin daar in de Belgische huiskamer, dat .wij ons tot in de laatste verdedigen zouden en het lot van het Vaderland in Gods hand legde. Nooit hebben de klanken van ons volkslied, die na deze plechtige proclamatie der Koningin door de kamer klonken, mij zo diep ontroerd als deze morgen en al konden wij ons nog geen voorstelling maken van de ernstige toestand waarin wij ons bevonden, al konden wij ons nog moeilijk realiseren dat, de eigenlijk al jaren verwachte oorlog nu werkelijk in ons eigen land was uitgebroken, dat er daar nu op dit zelfde ogenblik al bloedig gevochten werd, het was of het vreselijke woord "oorlog" ons heftig kloppende hart in 'n koelen hand te pletter neep.

"We zullen rap naar huis moeten, jongen". Met deze practische opmerking brak mijn vrouw de spanning van het ogenblik en inderdaad, er stond ons niets beters te doen dan te trachten zo vlug mogelijk de grens over te komen. Ten slotte waren we Nederlanders die, wanneer het er begon te spannen in België niets konden beginnen en thuis zou vooral Moeder grote angst over ons hebben zolang ze ons niet veilig wist. We besloten dan ook zonder dralen alles voor het vertrek gereed te maken. Vlug werden de broers en zusters voorzover ze in den buurt woonden, met ons overhaast vertrek in kennis gesteld, om van hen nog even afscheid te nemen en nadat we Paula, die de volgende dag haar verjaardag vieren zou nu reeds onze gelukwensen en het voor haar meegebrachte cadeautje overhandigd hadden, werd heel hartelijk van onze goede ouders afscheid genomen.

Het vertrek, dat meer een vlucht geleek, was wel een grote tegelstelling met onze blijde aankomst van gisterenavond. Toen brachten en vonden wij niets dan vreugde voor de volgende dagen, nu droegen we in ons en lieten bij onze dierbare ouders niets dan angstige bezorgdheid achter. In België en Holland, in beide landen hadden wij een broer onder de wapenen. Wanneer zouden wij hier kunnen terug komen en wat reden wij tegemoet? Het eerste gedeelte van de tocht, tot Antwerpen werd haast zwijgend afgelegd. Nog te veel waren wij onder den indruk van het onverwachte afscheid. Overal waar wij langs reden vonden we een ongewone onrustige drukte. Bij iedere halte van tram of bus, stonden soldaten die aan de radio-oproep gevolg gaven. Bedrukte gezichten overal. Auto's reden ons voorbij, volgeladen met mensen, achter en bovenop beladen met pakken, dekens en koffers. Het prachtige schouwspel op de St. Annaboot, Antwerpen daar vóór de zon over het water naar je toe te zien komen, merkten we wel op, maar het was niet in staat indruk op ons te maken. Bij het verlaten van de pont stond er passencontrole, de gendarmes deden ernstig en nauwgezet hun werk, 'n haveloos uitziend vreemdeling, met vieze pas, vol stempels en handtekeningen en 'n naam, die niet uit te spreken was, werd ondervraagd en als de gendarme slechts een paar onverstaanbare klanken ten antwoord kreeg moest de sul mee naar "naar den bureau": 't is oorlog, niets mag er geriskeerd worden. We reden de zelfden weg als de vorigen dag onder een even stralende lentezon, maar het was of we onder een hemel reden, waar donkere wolken zich boven ons samenpakten om zo dadelijk in een geweldig onweer uit te barsten. We passeerden troepen soldaten, stukken van legers die zich aan het opstellen waren voor vertrek. Bij de grote legerplaats te Polygoon was het een komen en gaan van zwaar bepakte soldaten, maar de gewone luidruchtigheid had plaats gemaakt voor een ernst die ons bedrukte. Vat zullen deze jongens binnen enkele dagen gaan mee maken? Hoevele van deze krachtige mannen zullen nu op gruwelijke wijze met het bedrijf, waarin ze sinds geruime tijd geoefend zijn, kennis gaan maken en vallen of verminkt worden? O, God, laat deze gruwel aan ons voorbij gaan en we versnellen onze gang om zo spoedig mogelijk veilig thuis te zijn.

We vonden de grens potdicht, zoals we wel gevreesd hadden. Een file van Nederlandse auto's stond aan het Belgische douanekantoor. Teleurgesteld vermoeid en hongerig, besloten we eerst iets te gaan gebruiken, en ondertussen zouden we zien wat ons te doen stond. Daar zitten we nu. De andere grenswegen in de buurt waren ook allemaal gesloten. Dan in Godsnaam maar proberen, om door een binnenpad of over de akkers op Hollands gebied te komen, we moesten naar huis, koste wat kost dan maar terug rijden en het eerste het beste zijpaadje inslaan, op hoop van zegen. In de verte voor ons zien we de Hollandsche grens. Een grote vrachtwagen staat daar eenzaam als verdwaald en vastgelopen tegen de versperringen, het is of we er toe gedwongen worden, we vragen aan de dienstdoende douanebeambte de toelating om tot daar te gaan kijken, want al is het voor een auto onmogelijk om er door te komen, wij kunnen er misschien over of doorheen kruipen. Na onze passen bekeken te hebben geeft hij zijn toe stemming: "Gij zult er toch niet doorgeraken, zulle." Dicht bij de barricade staat een man 'n breedgebarend gesprek te voeren met een onzichtbaar iemand achter de versperring. Door de ijzeren balken die tussen de betonringen geplaatst zijn ontdekken wij bij ons naderbij komen een Marechausee, waarmee de drukgebarende man, die de chauffeur van de vrachtwagen blijkt te zijn, op een luidruchtige wijze aan het onderhandelen is om toestemming te verkrijgen de grens te passeren. Het schijnt, dat de man daar achter de balken de enige bewoner van Holland is, want zo ver we kunnen zien is er geen levende ziel meer te ontdekken. "Ziet er dan maar door te komen, voor mijn part, breek je de hele versperring open als je maar zorgt dat ie weer dicht komt ook." Dit is het uiteindelijke laconieke antwoord van de man aan den anderen kant en zonder een woord te spreken, gooit onze man zijn jasje uit, zet voor onze verbaasde ogen zijn schouder onder de dikke, zware balken, heft ze er een voor een uit de sponningen en gooit ze met een smak aan de kant van de weg. Zowel de sterke man als de Marechause verzekeren ons, dat ze onze hulp bij het wederopbouven van de zaak kunnen missen en zo hebben we onze eerste versperring op ean buitengewone onverwacht voorspoedige wijze genomen. Dit bracht een hele ommekeer in ons te weeg. Nu we de grens gepasseerd waren, wisten we dat we ook thuis zouden komen. Het was ons, of we na een reis in een schommelende schuit weer vaste grond onder onze voeten voelden, of de zon pas nu weer scheen te schijnen begon. Licht viel het ons verder, wanneer we als acrobaten over een versperring moesten klauteren of een opgeblazen gedeelte van de weg, door greppels en over akkers in een wijde boog moesten zien voorbij te komen.

In Rijsbergen, waar we onze tocht voor een korte tijd onderbreken om wat te gebruiken en ons te verfrissen, geeft men ons de raad, door een binnenweg naar Prinsenhage te rijden, daar de grote weg niet te gebruiken valt. Opgewekt aanvaarden we dit ploetertraject, want deze (binnenweg) blijkt hoofdzakelijk te bestaan uit door karwielen keurig omgeploegd stuifzand. In de grilligste bochten slingert het pad doorheen de velden, dan links even rond den akker geslopen, om later vrolijk rechts uit de richting te zwenken, om een vierkant masten bos een kort bezoek te brengen dat in de verte donker boven de lichte velden staat. Steeds duidelijker tekent de Prinsenhaagse toren zich af tegen de wit-blauwe wolken, en bezweet en bestoft, terwijl het in de lucht van vliegtuigen steeds rumoeriger wordt en het schieten van afweergeschut steeds duidelijker tot ons doordrinkt naderen we de bewoonde wereld weer.

Onwillekeurig komen we onder den indruk van de zenuwachtige doening in de straten der stad en de neerslachtige stemming die we onder de mensen vinden. Tenslotte weten we van heel den toestand niet méér, dan dat de Duitsers ons land binnengevallen zijn. Vanaf deze morgen hebben we geen radioberichten meer gehoord en uit de onsamenhangende geruchten die we onderweg hebben opgevangen, kunnen we ons geen juist beeld van de toestand vormen. Vanaf de grens hebben we geen enkele soldaat meer ontmoet, wat ons wel bevreemdde, maar er ongetwijfeld heeft toe bijgedragen, dat onze reis tot nu toe in een betrekkelijk opgewekte stemming is verlopen. Vele vliegtuigen vliegen hoog en laag boven de stad en vervullen de lucht met een dreunend gebrom. Plotseling - we zijn juist de Grote Markt in Breda overgestoken - beginnen de sirenen te loeien, we mogen niet verder rijden en vluchtten een grote poort binnen. Boven de stad zijn enkele vliegtuigen slaags geraakt, die nu elkaar met machinegeweren bevechten. Dan, een denderende slag. "Da’s voor de spoorlijn bedoeld" horen we een stem van iemand die achter ons staat en het is nog maar amper gezegd of een nog zwaardere slag, die ons hart als tegen het verhemelte slaat, doet onze poort schudden. Ontdaan staan we het einde van dit spel af te wachten. Eindelijk, als de sirene weer veilig heeft gegeven, stappen we vlug op de fiets, we willen naar huis. Nu voelen we pas hoe vermoeid we zijn en met zware benen rijden we verder. Een straat verder is die laatste bom op een huis gevallen, door een gat in den gevel kunnen we de zon zien, maar we rijden verder, vlug naar huis.

Enkele meters nog van den overgang verwijderd begint haast gelijktijdig het sirenengeloei weer zich opnieuw te vermengen met het spetteren der machinegeweren der vliegers vlak boven ons. We vliegen van onze fiets en drukken ons plat tegen 'n huis. "Da’s voor de spoorlijn bedoeld" we horen de woorden nog zeggen, maar gelukkig blijft het erbij (spetteren). Zo vlug ze daar boven, na het vergeefse vuren, stilvallen, stappen we met knikkende knieën weer op de fiets, .verder, naar huis. Ongeveer (halfweg) zien we al van verse een zware boomtak over de weg liggen, een rode kruis auto staat langs de kant, links een huis verwoest, en bijna heel de verwoesting al voorbij bemerken we pas de beide roerloze gestalten en de bloedvlekken Kom, vooruit, niet verder kijken, er is hier goede hulp aanwezig, we kunnen hier niet helpen, en met een gevoel van afgrijzen spreken we ons vermoeden uit dat dit wellicht het resultaat van den eerste bom die we in Breda hoorden vallen zijn zou. Het schieten is nu niet meer van de lucht, maar zo dicht bij huis krijgen we weer nieuwe kracht in onze benen en spoedig zijn we dan ook in Oosterhout en thuis, waar het weerzien, al was het na een kort afscheid en in heel andere omstandigheden dan het weerzien den vorigen dag in België was, ook nu weer een grote vreugde.

En zo eindigde onze zo onverwacht begonnen vacantie, nog meer onverwacht dan ze begonnen was.

Oosterhout, 26 juli 1940.

Wijzig Pagina - Pagina Aanpassingen - Printversie - Recent Changes - WikiHulp - WikiZoeken
Pagina gewijzigd op 01 november 2004 om 08:17